Meertaligheid & meerstemmigheid

5.0(2)
Studied by 86 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/347

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Based on summaries from LINGUA. (NOV) = november, etc...WIP (still in progress!!!) Added some FIB questions. Best learn it by term, not definition.

Last updated 5:54 PM on 6/17/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

348 Terms

1
New cards

Continuïteit

Onafgebroken samenhang (tussen mens & dier): mens en dier zijn van oorsprong niet zo heel sterk verschillend.

2
New cards

Disruptie

Een radicale, onoverkomelijke plotse verandering bijvoorbeeld via genetische mutatie. Mens en dier zijn van oorsprong fundamenteel verschillend.

3
New cards

Sociale cognitie

De studie van de manier waarop individuen hun (sociale) wereld begrijpen.

4
New cards

Sociolinguïstiek

Eén van de wetenschappelijke disciplinaire invalshoeken op taal waarbij taal wordt gezien als een middel waarmee een individu zich uitdrukt in een specifieke context.

5
New cards

Communicatie

Sociale interactie tussen gesprekspartners die elkaar als zodanig erkennen & samenwerken om allerlei informatie uit te kunnen wisselen & zich daarbij zelf ook profileren als betrouwbare gesprekspartners voor de andere.

6
New cards

Evolutionaire perspectief

De manier waarop taal ingebed zit in ons mens-zijn als soort. De toplaag van taal (evolutionair & universeel perspectief) (mens vs dier).

7
New cards

Social glue

Het sociale, communicatieve karakter van taal is een onlosmakelijk deel: taal is een sociaal bindmiddel.

8
New cards

Culturele perspectief

De externe effecten op groepsniveau voor ons taalgebruik en talen op zich, normering en codificatie, en de machtsverhoudingen tussen verschillende talen.

9
New cards

Existentiële perspectief

Individuele keuzes die sprekers kunnen maken, en die niet altijd netjes volgens de klassieke sociologische parameters verlopen.

10
New cards

Taalkundige antropologie

Multidisciplinaire (en interdisciplinaire) aanpak.

11
New cards

Antropologie

De studie van menselijk gedrag met de bedoeling te begrijpen wat ons “mens” maakt.

12
New cards

Taalkunde

Beoogt het beschrijven van taalsystemen, de werking van taal, functie en evolutie.

13
New cards

Kwalitatieve kloof

Taal of niet, en alles wat daaraan vast hangt.

14
New cards

Kwantitatieve kloof

De morfologie van mensen en mensapen.

15
New cards

Bipedie

Tweevoetigheid (op 2 voeten kunnen lopen).

16
New cards

Continuïteitshypothese

De evolutie van de mens is een gradueel, continu veranderingsproces en het is daarom niet ondenkbaar dat de fysieke, genetische randvoorwaarden voor het ontstaan van taal ook voor een deel terug te vinden zijn bij diersoorten die genetisch-evolutionair het meest verwant zijn met de mens (bonobo’s en chimpansees).

17
New cards
Culturele transmissie
Het “sociale” aspect van “cultuur” vermijdt dat iedereen altijd alles zelf moet gaan ontdekken en niet op risico van eigen leven moet experimenteren.
18
New cards
Sociale epistemologie
Taal is de meest flexibele en de krachtigste intellectuele tool ontwikkeld door de mens.
19
New cards
Altruïsme (Hamilton)
Het helpen van een soortgenoot op een moment waarop het niet helpen een voordeel zou opleveren aan degene die helpt.
20
New cards
Cultural intelligence (Tomasello)
Natuurlijke predispositie/aanleg om de informatie te willen ontvangen en door te geven van een aan andere mensen. Taal speelt een cruciale rol in de informatieoverdracht en versterkt altruïstisch coöperatief gedrag. Mensen (baby’s) zijn als het ware voorgeprogrammeerd om van andere mensen te leren.
21
New cards
Cumulatief leren
De mogelijkheid leerprocessen te combineren en op te stapelen en zo cumulatief informatie op te bouwen en zelf ook terug door te geven.
22
New cards
Ratchet-effect (of pal) (Tomasello)
Taal voorkomt dat informatie verloren gaat op voorwaarde dat de groep voldoende groot blijft en niet uitsterft.
23
New cards
Interaction engine (Levinson)
De aanleg om met mensen te interageren. Contactopnames zijn het gevolg van de interaction engine. Deze interactiemachine bestaat uit 3 elementen: Gedeelde intentionaliteit, Coöperatief gedrag (altruïsme) en Interactie.
24
New cards
Intentionaliteit
De manier waarop we met de omgeving (en de mensen of dingen die daar deel van uitmaken) kunnen interageren.
25
New cards
Monadische interactie
Banale en weinig interactieve communicatie.
26
New cards
Dyadische interactie
Interactie met een ander, mens of object.
27
New cards
Triadische interactie
3 elementen in interactie: twee mensen en een object waarbij het object zelf geen informatie uitwisselt.
28
New cards
Stance sharing
Je eigen perspectief weergeven op bepaalde feiten.
29
New cards
Reciprocity of perspectives (Husserl)
Zich in iemands situatie kunnen verplaatsen.
30
New cards
Turn-taking
Een manier om de gesprekspartner tijd te geven om een antwoord te geven of iets anders te doen. Het veronderstelt joint attention en is coöperatief van aard.
31
New cards
Speech act
Een mededeling, een vraag naar informatie, een verzoek om iets te doen.
32
New cards
Nature
Ingeboren.
33
New cards
Nurture
Aangeleerd.
34
New cards
Nativism (Chomsky & Pinker)
Vertrekt van het idee dat kinderen slim zijn als ze geboren worden: ze hebben een volledig functioneel brein dat enkel keuzes moet maken om de correcte output te genereren.
35
New cards
Infant directed speech (IDS) of motherese
De aanpassing van taal door de ouders aan hun kroost om indicaties (cues) te geven die hen helpen taal te analyseren.
36
New cards
Natuurhypothese (Chomsky – Pinker)
Taal is een instinct dat je niet hoeft aan te leren maar dat je zelf tot ontwikkeling kan laten komen.
37
New cards
Cultural tool (Everett)
Een instrument om met elkaar in contact te treden en informatie te delen die niet meer beschikbaar of zichtbaar is.
38
New cards
Intentioneel altruïstisch gedrag (Tomasello)
De minds van de gesprekspartner lezen en hem/haar die informatie bezorgen waarvan we denken dat ze die nodig hebben.
39
New cards
Goal-oriented
Leren vanuit een specifiek doel en functioneel imiteren gericht op dat doel.
40
New cards

Process-oriented

Imiteren met de bedoeling zo getrouw mogelijk de informatie te kopiëren. (denk aan baby’s en chimpansees)

41
New cards
Cumulatief cultureel leren (Tomasello)
Cultuur staat toe dat niet ieder mens zelf alles moet (her)ontdekken. We maken steeds meer vooruitgang als menssoort. Mensen (baby’s) zijn voorgeprogrammeerd om van andere mensen te leren.
42
New cards
Overlaps
Tijdens beurtwissels, overlappingen tijdens het gesprek wanneer beide partners aan het spreken zijn.
43
New cards
Language acquisition device (LAD) (Chomsky)
Een instinctieve mentale capaciteit dat ervoor zorgt dat kinderen taal kunnen verkrijgen en produceren.
44
New cards
Radicale behaviorisme (Skinner)
De ontwikkeling van kinderen hangt volledig af van externe leerprocessen (kinderen zijn blank slates).
45
New cards
Cultuur (Richerson & Boyd)
Informatie die gedeeld wordt tussen mensen via culturele/sociale transmissie (zoals expliciet onderricht of impliciete imitatie)
46
New cards
Sociale cognitie (Nov)
De studie van de manier waarop individuen hun (sociale) wereld begrijpen
47
New cards
Primaire groepen (Nov)
Ons levensnoodzakelijk sociale netwerk waarin we ons kunnen ontwikkelen. Bijvoorbeeld families
48
New cards
Peer-group (Nov)
Een groep mensen uit de samenleving die een vergelijkbare leeftijd, status, belangstelling hebben en gemeenschappelijke gedragscodes. Deze groep kan jou voorspellen en geeft jouw voorkeuren of afkeuren weer (lotgenoten).
49
New cards
Primaire socialisatie (Nov)
Socialisatie binnen de familie/gezin/nucleaire unit. Hier leert men de moedertaal en de basis van menselijke communicatie via een eerste sociaal netwerk.
50
New cards
Secundaire socialisatie (Nov)
Het levenslange socialisatieproces via groepen buiten het "thuisdomein", zoals met mensen met een behoorlijke status buiten de primaire kring.
51
New cards
Social transmission (Nov)
Het overbrengen van specifieke stukjes informatie tussen leden van een specifieke groep.
52
New cards
Sociale groep (Nov)
Een groep met een sociale betekenis (geen toevallige verzameling) die door anderen wordt erkend en ingedeeld in een in-group en een out-group.
53
New cards
In-group (wij-groep) (Nov)
De groep waartoe je jezelf rekent. Bestaat uit common bond groups en common identity groups.
54
New cards
In-group favouritism (Nov)
Voorkeur voor leden van de eigen groep en het delen van dezelfde groepsgrenzen.
55
New cards
Out-group (zij-groep) (Nov)
De groep waartoe anderen behoren en jijzelf niet.
56
New cards
Common bond groups (Nov)
Verbanden die leden met elkaar hebben binnen een groep (bijv. familie of maffia).
57
New cards
Common identity groups (Nov)
Leden van een sociale groep verbonden rond een bepaalde identiteit die tevens een doelstelling is (bijv. een etnische groep).
58
New cards
Entitativiteit (Nov)
De mate van homogeniteit en interne cohesie van een groep. Hoge entitativiteit betekent meer structuur, doelgerichtheid en duidelijkere grenzen.
59
New cards
Sociale identiteit (Nov)
De groepen waartoe je behoort die voor een belangrijk deel je eigen individuele identiteit bepalen.
60
New cards
Community of Practice (CoP) (Nov)
Praktijkgemeenschappen die samenkomen door gezamenlijke betrokkenheid bij een streven. Criteria: mutual engagement, jointly negotiated enterprise & shared repertoire.
61
New cards
Sociale netwerken (Nov)
De relationele verbanden tussen een individu en zijn/haar connecties; brengt de dynamiek van contacten in kaart vanuit het individu.
62
New cards
Sociogram (Nov)
De visuele manier waarop sociale netwerken worden weergegeven.
63
New cards
Sociologische groep (Nov)
Een indeling die de identitaire eigenschappen of criteria geeft waaraan de leden voldoen.
64
New cards
Sociolecten (Nov)
Het onderzoek naar de mate waarin sociologische groepen zich taalkundig of sociologisch anders gedragen.
65
New cards
“Een taal” (Nov)
Een historisch ontwikkeld systeem in een gemeenschap dat een gesloten set tekens gebruikt om geluiden en betekenissen arbitrair te koppelen voor doelbewuste communicatie.
66
New cards
Stereotypes (Nov)
Typische variatiefenomenen waarvan sprekers zich (heel) goed bewust zijn, en die men bijvoorbeeld ook makkelijk imiteert.
67
New cards
Markers (Nov)
Taalvormen die sprekers gebruiken in specifieke (situationele) gevallen, zoals de gij-vorm in informele context versus jij-vorm in formele context; sprekers zijn zich hier bewust van.
68
New cards
Indicatoren (Nov)
Typische taalvormen waarvan sprekers zich helemaal niet bewust zijn dat ze ze gebruiken (bijvoorbeeld t-deletie zoals "da is nie mogelijk").
69
New cards
Variëteiten (Nov)
Verzamelingen van varianten die een typische interpretatie en connotatie hebben op vlak van variatieparameters (bijv. Verkavelingsvlaams).
70
New cards
Taalgemeenschappen (Nov)
Groepen waarvan de leden dezelfde taal spreken.
71
New cards
Free-riders (Nov)
Mensen die niets doen maar toch een graantje van het succes meepikken door deel te zijn van een groep.
72
New cards
Groepsidentificatie (Nov)
De manier waarop we ons herkennen in een (of meerdere) groep(en).
73
New cards
Saliency (Nov)
Zichtbaarheid van kenmerken (persoonlijke stabiele kenmerken versus groepskenmerken die vaak fluctueren).
74
New cards
Social identity theory (Henri Tjafel) (Nov)
Mensen hebben verschillende identiteitslagen: sommige stabiel (karakter), andere fluctuerend en voortkomend uit groepsidentificatie.
75
New cards
Speech community (Nov)
Groep waarbinnen dezelfde taal wordt gesproken; taal behoort hier zowel tot het individu als de hele gemeenschap.
76
New cards
Core network members (Nov)
Degenen met een belangrijke status binnen een sociaal netwerk, bijvoorbeeld ouders.
77
New cards
Secondary network members (Nov)
Leden van een sociaal netwerk met een lagere status dan de core members.
78
New cards
Peripheral network members (Nov)
Leden die amper belang hebben voor het individu (ego) binnen het netwerk.
79
New cards
Diachrone taalvariatie (Nov)
Taalgebruik dat verschilt en verandert onder invloed van de tijd.
80
New cards
Diatopische taalvariatie (Nov)
Verschillen in taalgebruik die gebaseerd zijn op plaatsbepalingen (geografische variatie).
81
New cards
Situationele variatie (Nov)
Contextgebonden variatie in taalgebruik.
82
New cards
Sociale variatie (Nov)
De variatie in taalgebruik die verbonden kan worden aan een specifieke sociale groep.
83
New cards
Fonetische variatie (Nov)
Uitspraakvariatie.
84
New cards
Syntactische variatie (Nov)
Verschillen in taalgebruik uitgedrukt in termen van de taalvormen/zinsbouw zelf.
85
New cards
Lexicale variatie (Nov)
Taalvariatie op basis van woordenschat.
86
New cards
Macro sociolinguïstisch (Dec)
Heeft de bedoeling om te laten zien hoe sociologische processen in de maatschappij hun invloed hebben op taal, op taalontwikkeling en in een aantal gevallen ook op het ontstaan van nieuwe talen.
87
New cards
Taalbeleid/taalpolitiek (Dec)
Wanneer mensen, autoriteiten of organisaties andere sprekers inperkt aan de hand van taalwetten of regels.
88
New cards
Expliciete manager (Dec)
Vaardigt regels uit, verbiedt of verbant variëteiten.
89
New cards
Taalpraktijken (Dec)
De effectieve talige praktijken die je kan beschrijven en vaststellen.
90
New cards
Taalovertuigingen (Dec)
Attitudes en ideologieën die sprekers hebben (bijvoorbeeld welke talen ze leuk vinden).
91
New cards
Monolinguïsme (Dec)
Land waar de bevolking maar één taal spreekt.
92
New cards
Gemeenschapsmeertaligheid (Dec)
De meertaligheid wordt berekend voor het hele land of de hele gemeenschap.
93
New cards
Standaardisering of codificatie (Dec)
Het proces waarbij een taal expliciete normen ontwikkelt via grammatica’s, woordenboeken en instituten, vaak gericht op schriftelijke codificatie.
94
New cards
Vitaliteit (Dec)
Een complex concept dat zowel status omvat als de functionaliteit van taal en de contextuele inbedding in gebruikscontexten.
95
New cards
Historiciteit (Dec)
Gemeenschappelijke historische ontwikkeling die ‘taal’ een sociocultureel bindmiddel geeft.
96
New cards
Autonome talen (Dec)
Talen die hun eigen wetmatigheden hebben en dus als systeem een afgesloten en afzonderlijk regelsysteem hebben ontwikkeld.
97
New cards
Statutory national language (Dec)
De officieel en expliciet erkende nationale standaardtaal die ook gebruikt wordt in de overheidsadministratie.
98
New cards
Statutory national working language (Dec)
Een taal die gebruikt wordt (vaak uit een ander land overgekomen) maar niet dient om de identiteit van burgers te versterken.
99
New cards
De facto language of national identity (Dec)
Een taal die in het hele land wordt herkend als identitaire taal door de burgers, maar geen officiële erkenning heeft.
100
New cards
Daktaal / roofing Language / dachsprache (Dec)
Biedt de geografisch beperkte varianten een “onderdak” (bijv. Standaard Duits voor Zwitsers of Oostenrijks Duits).