1/80
Deze set bevat 90 kernbegrippen uit de collegereeks ‘Persoonlijkheidstheorie en -onderzoek’ (jaar 1, periode 5). De flashcards dekken de belangrijkste concepten, modellen en onderzoeksbevindingen uit de hoorcolleges en bijbehorende literatuur.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Persoonlijkheidspsychologie
Vakgebied dat onderzoekt hoe mensen op elkaar lijken (natuur), van elkaar verschillen (individu/groep) en uniek zijn (idiografisch).
Niveau 1: Menselijke natuur
Universele benadering die zoekt naar eigenschappen die alle mensen delen.
Niveau 2: Individuele & groepsvariatie
Nomothetische benadering gericht op verschillen tussen personen of groepen.
Niveau 3: Individuele uniciteit
Idiografische benadering die de unieke persoonlijkheid van één individu beschrijft.
Persoonlijkheid
Consistente individuele verschillen in gedrag, gedachten en gevoelens over situaties en tijd.
3 G’s
Gedragingen, Gedachten en Gevoelens – de bouwstenen van persoonlijkheid.
Variantieanalyse
Statistische toets om te bepalen of er significante individuele verschillen (variantie) bestaan.
Situatieselectie
Tendens om situaties te kiezen die passen bij de eigen persoonlijkheid.
Situatie-evocatie
Het uitlokken of vormen van situaties door iemands gedrag en persoonlijkheid.
Empirische strategie
Vragenlijstconstructie op basis van geobserveerde item-variabele verbanden.
Factor-analytische strategie
Selecteert items aan de hand van factoranalyse om onderliggende dimensies vast te stellen.
Rationele strategie
Itemkeuze op basis van theorie en logica (face validity).
Berustingsbias
Neiging om steeds hetzelfde antwoordpatroon te geven in vragenlijsten.
Sociale Wenselijkheidsschaal (SDS)
Meetinstrument om de mate van sociaal wenselijk antwoorden te schatten.
Typologische benadering
Indeling van mensen in discrete persoonlijkheidstypen (bv. introvert–extravert).
Dimensionale benadering
Beschouwt persoonlijkheid als continuüm van trekken in plaats van vaste types.
Vier humeuren
Klassieke indeling van Hippocrates/Galenus in sanguinisch, cholerisch, melancholisch, flegmatisch.
Somatotypes van Sheldon
Endo-, meso- en ectomorf koppelen lichaamsbouw aan persoonlijkheid (onvoldoende validiteit).
MBTI
Myers-Briggs Type Indicator; 16 types op basis van vier dichotomieën (geen sterke wetenschappelijke steun).
Lexicale benadering
Uitgangspunt dat belangrijke persoonlijkheidsverschillen in taal verankerd zijn (bijvoeglijk naamwoorden).
Factoranalyse
Statistische methode om sterk correlerende items tot één factor samen te voegen.
Big Five
Extraversie, Vriendelijkheid, Consciëntieusheid, Neuroticisme, Openheid voor Ervaring.
HEXACO
Model met zes dimensies: Integriteit, Emotionaliteit, Extraversie, Verdraagzaamheid, Consciëntieusheid, Openheid.
Age-Period-Cohort (APC)
Drie verstrengelde bronnen van verandering: leeftijd, historische periode en geboortecohort.
Longitudinale studie
Onderzoekt dezelfde personen herhaaldelijk door de tijd (leeftijdeffect).
Cross-sectionele studie
Vergelijkt verschillende leeftijds- of cohorten op één meetmoment.
Maturatieprincipe
Leeftijdsgerelateerde toename van adaptieve trekken zoals consciëntieusheid.
Social Investment Theory
Persoonlijkheidsverandering volgt uit het aannemen van volwassen rollen.
Persoonlijkheidscoherentie
Continuïteit van onderliggende trekken ondanks veranderende gedragsvormen.
Erfelijkheid (h²)
Proportie variantie in een eigenschap toegeschreven aan genetische verschillen.
Gedeelde omgeving (c²)
Omgevingsinvloeden die gezinsleden gelijk maken.
Unieke omgeving (e²)
Individuele ervaringen die gezinsleden van elkaar doen verschillen.
Selectieve teelt
Dierstudie-methode: fokken op specifieke eigenschappen om genetische invloed te testen.
Tweelingonderzoek
Vergelijkt overeenkomsten van monozygote en dizygote tweelingen om h², c², e² te schatten.
Adoptieonderzoek
Vergelijkt geadopteerden met biologische en adoptieve ouders om genetische en omgevingsinvloed te scheiden.
Gen-omgevingsinteractie
Effect van genen hangt af van de omgeving (en omgekeerd).
Passieve gen-omgevingscorrelatie
Ouders geven zowel genen als bijpassende omgeving door.
Evocatieve gen-omgevingscorrelatie
Iemands genetisch beïnvloede gedrag roept specifieke reacties van de omgeving op.
Actieve gen-omgevingscorrelatie
Individu zoekt omgevingen die passen bij de eigen genetische aanleg.
Interseksuele selectie
Partnerkeuze op basis van aantrekkelijke eigenschappen voor het andere geslacht.
Inclusive fitness
Evolutionair voordeel door bevordering van genen in verwanten, niet alleen eigen nakomelingen.
Frequentie-afhankelijke selectie
Voortplantingsvoordeel van een eigenschap hangt af van haar frequentie in de populatie.
Mentale vaardigheid (g-factor)
Algemene cognitieve capaciteit die prestaties op verschillende taken voorspelt.
Emotionele intelligentie
Vermogen om emoties accuraat te herkennen, gebruiken en reguleren.
Dispositionele intelligentie
Kennis en redeneervermogen over persoonlijkheidstrekken van jezelf en anderen.
Flynn-effect
Gemiddelde wereldwijde stijging van IQ-scores met ca. 3 punten per decennium sinds 1930.
PAKSOC/RIASEC
Zes interesse-domeinen: Praktisch, Analytisch, Kunstzinnig, Sociaal, Ondernemend, Conventioneel.
Prediger-dimensies
Hoofddimensies Beroepsinteresse: Mensen vs Dingen, Data vs Ideeën.
Consistentie (interesseprofiel)
Aangrenzende RIASEC-letters hebben vergelijkbare scores, tegenovergestelde letters niet.
Differentiatie (interesseprofiel)
Mate waarin enkele interesses duidelijk hoger zijn dan andere.
Congruentie (interesse-werk)
Overeenkomst tussen interesses en eisen/activiteiten van een beroep.
Existentiële filosofie
Denkrichting die vrijheid, verantwoordelijkheid en zingeving centraal stelt.
Volledig functionerende persoon
Rogeriaans ideaal: open voor ervaring, zelfacceptatie, creatief en in harmonie met anderen.
Echtheid (therapeut)
Oprechte, niet-rolspelende houding van de therapeut in de behandelrelatie.
Afweermechanisme
Onbewust psychisch proces dat dreigende gedachten of impulsen buiten bewustzijn houdt.
Coping
Bewuste strategieën om met stress om te gaan.
Emotieregulatie
Proces van beïnvloeden welke emoties men ervaart en uit.
Id
Onbewust deel dat streeft naar directe behoeftebevrediging.
Ego
Bemiddelaar die realistische manieren zoekt om Id-behoeften te vervullen binnen sociale regels.
Superego
Innerlijk moreel geweten dat gedrag toetst aan idealen en normen.
Onbewuste
Psychisch domein met gedachten en verlangens buiten directe bewustwording.
Schizotypische persoonlijkheidsstoornis
Patroon van sociale ongemakkelijkheid, excentriek gedrag en cognitieve vervormingen.
Antisociale persoonlijkheidsstoornis
Duurzaam patroon van onverschilligheid voor rechten van anderen, impulsief en crimineel gedrag.
Narcistische persoonlijkheidsstoornis
Grandioos gevoel van eigenbelang, behoefte aan bewondering, gebrek aan empathie.
Borderline persoonlijkheidsstoornis
Instabiele relaties, emoties en zelfbeeld, sterke impulsiviteit.
Vermijdende persoonlijkheidsstoornis
Sociaal geremd gedrag door gevoelens van inadequaatheid en angst voor afwijzing.
Obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis
Perfectionisme, controlebehoefte en rigiditeit ten koste van flexibiliteit en efficiency.
Dimensionele diagnostiek
DSM-5-alternatief dat persoonlijkheidsstoornissen langs continuüm van trekken beoordeelt.
Cross-culturele psychologie
Vergelijkt psychologische processen over verschillende culturen om universaliteit te testen.
Cultuurpsychologie
Bestudeert hoe cultuur zelf persoonlijkheid en gedrag vormt; nadruk op verschillen.
Schwartz Waardenmodel
Tien universele waarden geordend langs openheid vs conservatisme en zelftranscendentie vs zelfversterking.
Oost-West model
Contrast tussen individualistische, analytische westerse en collectivistische, holistische oosterse culturen.
Interpretatiehiërarchie
Culturele voorkeuren voor analyseniveau: detail/analytisch versus geheel/holistisch.
Top-down model van cultuur
Cultuur beïnvloedt waarden, cognities, identiteit en uiteindelijk gedrag van individuen.
Parasiet-stresstheorie
Lager extraversie-niveau in gebieden met hoge infectierisico’s ter beperking van ziekteoverdracht.
Zelfdeterminatietheorie
Intrinsieke motivatie floreert bij vervulling van Autonomie, Competentie en Verwantschap.
Flow
Toestand van totale betrokkenheid waarbij vaardigheden en uitdaging in balans zijn.
Mindfulness
Aandachtsgerichte, accepterende houding tegenover het huidige moment; matige klinische effecten.
Hedonisch geluk
Geluk als ervaren plezier en positieve emoties.
Eudemonisch geluk
Geluk als zinvol leven, persoonlijke groei en zelfontplooiing.
Set-point theorie van geluk
Stelling dat ieders geluk rond een genetisch bepaald basisniveau schommelt.