1/20
Flashcards over de psychologie in de volwassenheid, de 8 ontwikkelingsstadia van Erikson, stress & coping (UCL), empathie vs. sympathie, en de professionele grondhouding (overdracht, tegenoverdracht, projectie, introspectie).
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Psychosociale ontwikkelingsstadia van Erikson
Een model van Erikson (1963) met 8 achtereenvolgende stadia gedurende de levensloop, waarin telkens een specifiek psychosociaal conflict en bijbehorende positieve en negatieve resultaten centraal staan.

Vertrouwen versus wantrouwen
Het 1e stadium van Erikson (Geboorte - 1,5 jaar). Positief resultaat is het ontstaan van gevoelens van vertrouwen dankzij steun van de omgeving; negatief resultaat is angst en bezorgdheid met betrekking tot anderen.
Autonomie versus schaamte en twijfel
Het 2e stadium van Erikson (1,5 - 3 jaar). Positief resultaat is zelfstandigheid als verkenning wordt gestimuleerd; negatief resultaat betreft twijfels over zichzelf en gebrek aan onafhankelijkheid.
Initiatief versus schuldgevoel
Het 3e stadium van Erikson (3 - 6 jaar). Positief resultaat is het ontdekken van manieren om dingen in gang te zetten; negatief resultaat is schuldgevoel door gedrag en gedachten.
Vlijt versus minderwaardigheid
Het 4e stadium van Erikson (6 - 12 jaar). Positief resultaat is het ontwikkelen van een besef van het eigen kunnen; negatief resultaat omvat gevoelens van minderwaardigheid en geen gevoelens van competentie.
Identiteit versus identiteitsverwarring
Het 5e stadium van Erikson (Adolescentie). Positief resultaat is het bewustzijn van de eigen uniekheid en van de eigen rol in het verdere leven; negatief resultaat is het onvermogen om de juiste rollen in het leven te identificeren.
Intimiteit versus isolement
Het 6e stadium van Erikson (Vroege volwassenheid). Positief resultaat is de ontwikkeling van liefdevolle, seksuele relaties en hechte vriendschappen; negatief resultaat is angst voor relaties met anderen.
Generativiteit versus stagnatie
Het 7e stadium van Erikson (Middelbare volwassenheid). Positief resultaat is het besef van bijdrage aan de continuïteit van het leven; negatief resultaat is het bagatelliseren van de eigen activiteiten.
Integriteit versus wanhoop
Het 8e stadium van Erikson (Late volwassenheid). Positief resultaat is het besef van eenheid in wat men in het leven heeft bereikt; negatief resultaat is spijt vanwege gemiste kansen in het leven.
Utrechtse Coping Lijst (UCL)
Een vragenlijst met 47 items verdeeld over 7 subschalen die het doel heeft om het karakteristieke copinggedrag en de cognitieve/gedragsmatige strategieën van mensen bij probleem- of aanpassingssituaties in kaart te brengen.
Coping
De manier waarop iemand zowel gedragsmatig, cognitief als emotioneel reageert op omstandigheden die aanpassing vereisen.
Zelfeffectiviteit
De karaktereigenschap om vertrouwen te hebben in je eigen bekwaamheid.
Weerbaarheid
Een buffer tegen stress die bestaat uit een verzameling persoonskenmerken: control, challenge en commitment.
Empathie
Het vermogen om vast te stellen wat iemand anders denkt of voelt en met een passende emotie te reageren op zijn gedachten en gevoelens.
Sympathie
Het voelen van medelijden of bezorgdheid voor iemand anders zonder dat er sprake is van echt begrip voor of inleving in het gevoel van de ander.
Holding
Het bieden van begrenzing aan hevige gevoelens van de cliënt door het contact met de social worker.
Overdracht
Het herhalen van een relatie uit het verleden in het hier en nu, waarbij irrationele gevoelens door de cliënt worden overgedragen op de social worker.
Tegenoverdracht
Het verschijnsel waarbij irrationele gevoelens uit een relatie uit het verleden door de social worker worden overgedragen op de cliënt.
Projectie
De neiging om onze eigen verwachtingen te zien en te horen in het gedrag van de ander (niet per se afkomstig uit het verleden).
Introspectie
Zelfonderzoek waarbij je naar binnen kijkt en verantwoordelijkheid neemt voor je eigen gedachten en gevoelens.
Vijf basisvragen van introspectie
Vragen voor zelfonderzoek bij de hulpverlener: 1) Wat neem je waar? (waarneming), 2) Wat ervaar je? (registratie), 3) Wat denk je daarover? (evaluatie), 4) Wat wil je daarmee? (navigatie), 5) Wat doe je? (interventie).