1/88
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
welkom (in)
welcome (to)
goedemorgen
good morning
allemaal
everyone
de cursus
course
de
the
Nederlands
Dutch
ik
I
ben (zijn)
am
en
and
jullie
your (plural)
de docent
teacher
docenten (docent)
teachers
jullie
you (plural)
hebben (hebben)
have
twee
two
andere
other
is (zijn)
is
hij
he
geeft les (lesgeven)
teaches
dagen (de dag)
days
drie
three
we
we
beginnen (beginnen)
begin / start
met
with
kennismaken
get to know
wie
who
ben (zijn)
are
jij
you
wat
what
jouw
your (singular)
de naam
name
mijn
my
dag
day
je
your (singular)
de voornaam
first name
de achternaam
surname
uit
from
welk
which
het land
country
Engeland
England
kom (komen)
come
de buurman
neighbour
van
of
hoe
how (what)
hoe heet jij?
what's your name?
heet (heten)
is called
waar ... vandaan
where ... from
waar
where
China
China
woon (wonen)
live
nu
now
het adres
address
het nummer
number
het antwoord
answer
nee
no
de postcode
postal code
u
you
mevrouw
Ms / Mrs
woont (wonen)
live
ook
also
in
in
zeg (zeggen)
call (say)
maar
but (just)
hoor
(for friendliness, usually not translated)
ja
yes
hier
here
al
already
twintig
twenty
het jaar
year
gaan verder (verdergaan)
go on (continue)
de les
lesson
heeft (hebben)
has
iedereen
everyone
het boek
book
het
the
de tekst
text
Ă©Ă©n
one
op
on
de bladzijde
page
acht
eight
luisteren
listen
naar
to
lezen
read
stoppen (stoppen)
stop
even
for a moment
het is
it is
de pauze
break
tot straks
see you later
straks
soon / later