gesch trimester 3

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/127

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 11:53 AM on 6/18/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

128 Terms

1
New cards
Wat betekent vazalliteit?
Een systeem waarbij een vrije man trouw zweert aan een heer en daarvoor bescherming krijgt.
2
New cards
Wie is een vazal?
Een vrije man die trouw heeft gezworen aan een heer.
3
New cards
Waarom werd iemand vazal?
Voor bescherming en levensonderhoud.
4
New cards
Wat zijn de plichten van een heer?
Zijn vazal beschermen en ondersteunen.
5
New cards
Wat zijn de plichten van een vazal?
Dienen, gehoorzamen en trouw blijven aan zijn heer.
6
New cards
Hoe lang duurde de overeenkomst tussen heer en vazal meestal?
Levenslang.
7
New cards
Wat is een leen?
Iets dat een leenheer aan een leenman geeft in ruil voor trouw en diensten.
8
New cards
Wat is een grondleen?
Een stuk grond of een gebied.
9
New cards
Wat is een ambtsleen?
Een belangrijke functie of ambt.
10
New cards
Wat is een geldleen?
Een geldbedrag dat in leen wordt gegeven.
11
New cards
Wie is een leenheer?
De persoon die een leen uitdeelt.
12
New cards
Wie is een leenman?
De persoon die een leen ontvangt.
13
New cards
Waarom deelt een leenheer lenen uit?
Om trouwe helpers, bestuurders en soldaten te krijgen.
14
New cards
Wat gebeurde normaal met een leen na de dood van de leenman?
Het ging terug naar de leenheer.
15
New cards
Wat is een kroonvazal?
Een vazal die rechtstreeks trouw heeft gezworen aan de koning.
16
New cards
Wie waren de kroonvazallen?
De vazallen van de koning zelf.
17
New cards
Wat is een achterleenman of achtervazal?
Een leenman die een leen ontvangt van een andere leenman.
18
New cards
Hoe ontstonden achterleenmannen?
Doordat leenmannen zelf ook lenen begonnen uit te delen.
19
New cards
Aan wie moest een achterleenman gehoorzamen?
Aan zijn directe leenheer.
20
New cards
Moest een achterleenman automatisch de koning gehoorzamen?
Nee, alleen zijn directe leenheer.
21
New cards
Wat is feodaliteit?
Een andere naam voor het leenwezen.
22
New cards
Wie konden leenheer en leenman zijn?
Alleen edelen.
23
New cards
Waarom gaf een leen veel macht aan een leenman?
Omdat het rijkdom en invloed opleverde.
24
New cards
Hoe werd een leger in de middeleeuwen samengesteld?
Uit een leenheer en zijn leenmannen.
25
New cards
Waarom werden leenmannen populairder dan hun leenheer?
Omdat zij vaak de bevolking beschermden tegen aanvallen.
26
New cards
Welke invallers zorgden ervoor dat leenmannen belangrijker werden?
De Vikingen.
27
New cards
Waarom bedreigde het leenwezen de macht van de koning?
Omdat leenmannen steeds rijker en machtiger werden.
28
New cards
Waarom verloren koningen controle over hun rijk?
Omdat leenmannen zich als onafhankelijke heersers gingen gedragen.
29
New cards
Waarom wilden leenmannen hun leen doorgeven aan hun kinderen?
Omdat ze het als hun eigen bezit begonnen te zien.
30
New cards
Waarom konden sommige leenmannen hun eigen zin doen?
Omdat ze trouw hadden gezworen aan meerdere leenheren.
31
New cards
Wat is een kroondomein?
Het gebied dat rechtstreeks door de koning wordt bestuurd.
32
New cards
Waarom was de Franse koning in de middeleeuwen niet erg machtig?
Omdat machtige leenmannen een groot deel van het land bestuurden.
33
New cards
Geef een voorbeeld van een leenheer en leenman.
De Franse koning was leenheer van de Vlaamse graaf.
34
New cards
Welke drie soorten lenen moet je kennen?
Grondleen, ambtsleen en geldleen.
35
New cards
Leg in eigen woorden uit wat vazalliteit betekent.
Een band waarbij een vrije man trouw zweert aan een heer in ruil voor bescherming.
36
New cards
Leg uit waarom een leenheer een leen uitdeelt.
Om trouw, hulp en militaire steun te krijgen.
37
New cards
Leg uit hoe het leenwezen zich uitbreidde.
Leenmannen gaven zelf lenen aan anderen waardoor een hiërarchie ontstond.
38
New cards
Leg uit hoe het leenwezen de macht van de koning bedreigde.
Leenmannen werden steeds machtiger en gehoorzaamden de koning minder.
39
New cards
Wat is het verschil tussen een leenheer en een leenman?
Een leenheer geeft een leen, een leenman ontvangt een leen.
40
New cards
Wat is het verschil tussen een leenman en een kroonvazal?
Een kroonvazal is een leenman die rechtstreeks van de koning afhankelijk is.
41
New cards
Wat zijn de directe oorzaken van bevolkingsgroei of -daling?
Hongersnood, ziekten, epidemieën, oorlogen, sterfte en geboorten.
42
New cards
Wat zijn indirecte oorzaken van bevolkingsevolutie?
Klimaatveranderingen, misoogsten, handelscontacten, landbouwopbrengsten en voedselvoorziening.
43
New cards
Wat is het verschil tussen een directe en een indirecte oorzaak?
Een directe oorzaak beïnvloedt onmiddellijk het bevolkingsaantal, een indirecte oorzaak beïnvloedt factoren die het bevolkingsaantal veranderen.
44
New cards
Wat betekent continuïteit in de bevolkingsevolutie?
Dat bepaalde kenmerken, zoals kwetsbaarheid voor ziekte, oorlog en hongersnood, blijven bestaan.
45
New cards
Wat betekent verandering in de bevolkingsevolutie?
Dat de bevolkingsontwikkeling anders verloopt dan vroeger, bijvoorbeeld door een sterkere groei.
46
New cards
Hoe evolueerde de bevolking tussen 200 en 700?
De bevolking daalde.
47
New cards
Geef twee oorzaken voor de bevolkingsdaling tussen 200 en 700.
Germaanse invallen en een kouder klimaat.
48
New cards
Hoe evolueerde de bevolking tussen 700 en 1300?
De bevolking steeg sterk.
49
New cards
Waarom groeide de bevolking tussen 700 en 1300?
Door een warmer klimaat, hogere landbouwopbrengsten en minder invallen en epidemieën.
50
New cards
Hoe evolueerde de bevolking tussen 1300 en 1400?
De bevolking daalde sterk.
51
New cards
Welke gebeurtenissen veroorzaakten de bevolkingsdaling tussen 1300 en 1400?
Hongersnood, de Honderdjarige Oorlog en de pest.
52
New cards
Hoe evolueerde de bevolking tussen 1400 en 1900?
De bevolking groeide opnieuw sterk.
53
New cards
Wat zijn structurele oorzaken?
Oorzaken die langdurig aanwezig zijn in de samenleving.
54
New cards
Geef twee voorbeelden van structurele oorzaken.
Lage landbouwproductiviteit en klimaatomstandigheden.
55
New cards
Wat zijn incidentele oorzaken?
Tijdelijke of eenmalige gebeurtenissen die de bevolking beïnvloeden.
56
New cards
Geef drie voorbeelden van incidentele oorzaken.
Oorlog, hongersnood en pestepidemieën.
57
New cards
Wat is een vicieuze cirkel?
Een situatie waarbij problemen elkaar versterken en blijven veroorzaken.
58
New cards
Hoe leidde hongersnood tot meer ziekten?
Mensen kregen minder voedsel, verzwakten en werden sneller ziek.
59
New cards
Hoe leidden ziekten tot meer hongersnood?
Minder gezonde mensen konden werken, waardoor de voedselproductie daalde.
60
New cards
Waarom waren hongersnood en ziekten een vicieuze cirkel?
Omdat ze elkaar voortdurend versterkten.
61
New cards
Wat was de Zwarte Dood?
Een grote pestepidemie in de 14e eeuw die miljoenen mensen doodde.
62
New cards
Wanneer bereikte de pest Europa?
In 1347.
63
New cards
Hoeveel mensen stierven ongeveer door de pest in West-Europa?
Ongeveer 40 miljoen mensen.
64
New cards
Welke drie vormen van pest bestonden er?
Longpest, builenpest en zwarte pest.
65
New cards
Hoe werd de longpest verspreid?
Via speekseldruppels in de lucht.
66
New cards
Wat zijn kenmerken van de builenpest?
Opgezwollen lymfeklieren en builen op het lichaam.
67
New cards
Wat gebeurt er bij de zwarte pest?
De bacterie komt in het bloed terecht en veroorzaakt inwendige bloedingen.
68
New cards
Waar ontstond de pest oorspronkelijk?
In Azië.
69
New cards
Hoe verspreidde de pest zich naar Europa?
Via handelsroutes.
70
New cards
Welke gebieden werden als eerste getroffen door de pest in Europa?
De havensteden aan de Middellandse Zee.
71
New cards
Wanneer bereikte de pest de Nederlanden?
Rond 1349.
72
New cards
In welke richting verspreidde de pest zich door Europa?
Van zuidoost naar west en vervolgens naar noord Europa.
73
New cards
Wat betekent standplaatsgebondenheid?
Dat mensen gebeurtenissen verklaren vanuit hun eigen tijd, plaats en kennis.
74
New cards
Hoe verklaarden veel middeleeuwers de pest?
Als een straf van God.
75
New cards
Wie waren de flagellanten?
Mensen die zichzelf geselden om boete te doen voor hun zonden.
76
New cards
Waarom trokken flagellanten rond?
Omdat ze dachten dat ze zo Gods straf konden afwenden.
77
New cards
Wie kregen vaak de schuld van de pest?
De joden.
78
New cards
Waarom werden joden vervolgd tijdens de pest?
Omdat men dacht dat zij waterputten hadden vergiftigd.
79
New cards
Wat is volgens historici de echte oorzaak van de pest?
Een bacterie die zich verspreidde via vlooien en handelscontacten.
80
New cards
Waarom kon de pest zich snel verspreiden?
Door intensieve handelscontacten en slechte hygiëne.
81
New cards
Leg het verschil uit tussen de middeleeuwse en de moderne verklaring van de pest.
Middeleeuwers zagen de pest als een straf van God, historici verklaren ze door bacteriën en verspreiding via handel.
82
New cards
Wat was een belangrijke oorzaak van de Frans-Vlaamse oorlog?
Het conflict tussen de Vlaamse graaf en de Franse koning.
83
New cards
Waarom ontstond er een conflict tussen de Vlaamse graaf en Filips de Schone?
Omdat de graaf handel bleef voeren met Engeland ondanks het verbod van de Franse koning.
84
New cards
Wie was Filips de Schone?
De Franse koning.
85
New cards
Waarom was handel met Engeland belangrijk voor Vlaanderen?
Omdat Vlaanderen daardoor rijk werd.
86
New cards
Wat deed Filips de Schone met de Vlaamse graaf?
Hij liet hem gevangennemen.
87
New cards
Welke twee groepen stonden tegenover elkaar in Vlaanderen?
De rijke handelaars en de arme ambachten.
88
New cards
Waarom steunden de handelaars de Franse koning?
Omdat ze minder last wilden hebben van de belastingen van de Vlaamse graaf.
89
New cards
Waarom steunden de ambachten de Vlaamse graaf?
Omdat ze zich oneerlijk behandeld voelden.
90
New cards
Wie waren de leliaards?
De aanhangers van de Franse koning.
91
New cards
Wie waren de klauwaards?
De aanhangers van de Vlaamse graaf.
92
New cards
Waar komt de naam leliaards vandaan?
Van de lelie in het Franse wapenschild.
93
New cards
Waar komt de naam klauwaards vandaan?
Van de klauwen van de Vlaamse leeuw.
94
New cards
Wat waren de Brugse Metten?
Een opstand waarbij klauwaards Franse soldaten en leliaards doodden.
95
New cards
Wanneer vonden de Brugse Metten plaats?
Op 18 mei 1302.
96
New cards
Waarom zijn de Brugse Metten belangrijk?
Ze vormden de aanleiding voor de Guldensporenslag.
97
New cards
Wanneer vond de Guldensporenslag plaats?
Op 11 juli 1302.
98
New cards
Waar vond de Guldensporenslag plaats?
Bij Kortrijk.
99
New cards
Waarom dacht men dat Frankrijk zou winnen?
Omdat Frankrijk veel sterke ridders had.
100
New cards
Hoe bereidden de Vlamingen zich voor op de slag voor?
Ze stelden zich op achter twee beken.