1/182
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
Spinning disk microscopie
Een beeldvormingstechniek die de onscherpe lichtafstoting van confocale microscopie combineert met de hoge gevoeligheid van breedveldmicroscopie. Vanwege zijn unieke eigenschappen is het zeer geschikt voor beeldvorming met hoge resolutie van gist en andere kleine cellen. In plaats van één pinhole heeft een SDCM honderden pinholes die in spiralen op een ondoorzichtige schijf zijn gerangschikt, die met hoge snelheid roteert. Wanneer ze worden rondgedraaid, scannen de pinholes in rijen over het monster, waardoor een afbeelding wordt opgebouwd.
Hierbij wordt de pinhole apertuur vervangen door een geperforeerde roterende schijf, hierdoor wordt het hele beeldveld vlug en continu overlopen door een reeks van pinholes. Wanneer de rotatie van de pinholes vlug genoeg gebeurt, krijgt men de indruk van een ononderbroken beeld. Gebruik maken van draaiende schijven zorgt ervoor dat er minder fotobleking en fototoxiciteit optreedt. Dit type microscoop wordt vaak gebruikt bij fysiologische experimenten→ Minder photobleaching en phototoxiciteit
→ ‘Real time‘ beeldopnamen mogelijk
Macula utriculi
Onderdeel van het binnenoor (statolietorganen), verzorgen de lichaamsoriëntatie tov zwaartekracht.
Gebied binnen het utriculus dat gevoelig is voor veranderingen in de positie van het hoofd, met name de horizontale bewegingen Het bestaat uit haarcellen, deze hebben cilia die bedket zijn met een gelatineuze massa, waarin zich kleine kristallen bevinden die worden gebruikt om de richting van de zwaartekracht te detecteren
→ Niervormig, horizontaal + gevuld met endolymfe
De macula utriculi is wat gebogen en ligt, wanneer het hoofd rechtop gehouden wordt, hoofdzakelijk in een horizontaal vlak.
Ruimten van fontana
Met endotheel beklede ruimten tussen de voorste oogkamer en het kanaal van Schlemm waardoor het kamervocht terugkeert richting bloedbaan.
→ trabeculair raamwerk
→ in verbinding met voorste oogkamer
→ monden bij primaten uit in Kanaal van Schlemm
Functie: afvoer kamerwater
Reticulocyt
Nucleus verdwenen (uitgestoten)
eosinofiel cytoplasma
overblijfselen van organellen (supravitale kleurmethoden)
uitrijping tot RBC in 24-48 uren
vormen 1% van circulerende RBC, stijging na hevig bloedverlies
Reticulocyten zijn onvolgroeide erytrocyten (rode bloedcellen), die in het menselijk lichaam ongeveer 1% van de rode cellen uitmaken. Reticulocyten ontwikkelen zich uit de normoblasten. Tijdens deze ontwikkeling wordt de celkern van de normoblast uitgestoten, waarna 1-2 dagen later een kernloze reticulocyt overblijft. In tegenstelling tot erytrocyten bevatten ze nog RNA en resten van celorganellen en zijn ze iets groter dan de erytrocyten
Kanaal van volkman
Kanalen van Havers zijn met elkaar, met de mergholte en met het periost verbonden door kanalen van Volkmann
Stratum granulosum
In deze laag vullen de cellen zich met het eiwit keratine, wat wordt gemaakt door de keratinocyten.→ in EM en LM zichtbare keratohyaliene korrels
rol bij aggregatie keratinefilamenten (filaggrine)
zonder omliggend membraan
Odland bodies hebben lipidenrijke inhoud
Pinhole
Bij confocale microscopie is de oplossing pinholes:Myocyt
1) Pinhole aan de lichtbron: belicht de regio (focaal punt) waarvan het beeld zal worden gevormd
2) Pinhole voor de detector: alleen licht vanuit het focale punt bereikt de detector
→ Pinholes worden gebruikt om een straal (zoals een laserstraal) ruimtelijk te filteren, waarbij het kleine gaatje fungeert als een laagdoorlaatfilter voor ruimtelijke frequenties in het beeldvlak van de straal.
Myocyt
Een spiercel, ook wel myocyt genoemd, is een volwassen contractiele cel in de spier van een dier. Bij mensen en andere gewervelde dieren zijn er drie typen: skeletspiercel, gladde cel en hartspiercel (cardiomyocyten). Een skeletspiercel is lang en draadachtig met veel kernen en wordt een spiervezel genoemd. Spiercellen ontwikkelen zich uit embryonale voorlopercellen die myoblasten worden genoemd.
Troponine 1
Troponine I is een familie van hart- en skeletspierproteïnen. Het is onderdeel van het troponineproteïnecomplex, waar het zich bindt aan actine in dunne myofilamenten om het actine-tropomyosinecomplex op zijn plaats te houden. Troponine I voorkomt dat myosine zich bindt aan actine in ontspannen spieren.
Cel van müller
Cellen van Müller: steunen en beschermen de neuronen
→ Gaan van membrana limitans externa(versmolten met uiteinden van staafjes en kegeltjes) tot membrana limitans interna (uiteinden versmolten met elkaar)
→ sluiten retina af van bloedvaten in uvea + van corpus vitreum
Neuronen: kunnen zichzelf niet beschermen tegen buitenwereld → cellen van Müller
- Transductoren(staafjes en kegeltjes), Integratoren(bipolaire en horizontale cellen), Ganglioncellen
Oligodendrocyt
kleine gliacel
komen voor in grijze en witte stof
opbouw:
Kern: ronde kern met gecondenseerd chromatine
cellichaam: heeft weinig uitlopers
ligging: in rijen tussen axonen
functie: axonen myeliniseren
Endolymfe
= ‘binnenvloeistof’
Waterige vloeistof in het vliezige labyrint van het oor
Gelijkend op intracellulaire vloeistoffen met hoge kalium- en lage natriumconcentraties
Megablast
Megablast ruimten: ruimte binnen vlezig labyrint gevuld met endolymfe
Cupula
Gelei-achtige massa op de cristae waar stereocillia/cillia in zitten (bestaat uit glycoproteïnen)
Elk labyrint bevat drie halfcirkelvormige kanalen (canales semicirculares):
voorste kanaal (canalis semicircularis anterior)
achterste kanaal (canalis semicircularis posterior)
horizontaal kanaal (canalis semicircularis lateralis)
Ze zijn gerangschikt als de assen van een driedimensionaal assenstelsel. Aan het uiteinde van elk kanaal zit een verdikking (ampulla) met een groep haarcellen in een geleiachtige massa met een membraan eromheen. Zo'n groep haarcellen wordt een cupula genoemd. De cupula sluit de verdikking van boven tot onder af.
Botmanchet
Verdikking en verlenging van het kraakbeen doordat cellen uit periost differentiëren tot osteoblasten → zetten botmatrix af tegen kraakbenige diafyse (= botmanchet/-schede)
→ onstaan holle cilinder van bot
Kenmerken interferentiemicroscopie
Interferentiemicroscopie is een techniek die het verschil in optische padlengte tussen twee lichtstralen meet. Deze twee stralen worden gesplitst en opnieuw gecombineerd na het passeren van een specimen.
Klassieke interferentiemicroscopie: Hierbij wordt het verschil in fase tussen twee lichtstralen gebruikt om het beeld te vormen.
principes uit polarisatiemicroscopie voor contrastering van faseobjecten
Interferentiemicroscopie is vooral nuttig voor het bekijken van levende cellen en weefsels, omdat het gedetailleerde, contrastrijke beelden kan produceren zonder de noodzaak van kleuring. Het is superieur aan fasecontrastmicroscopie omdat het halo’s en extra licht kan elimineren, wat resulteert in een helderder en scherper beeld2.
Crusta
Stratum superficiale:
Ø Paraplucellen: beschermen onderste lagen (= oppervlaktelaag) + bevatten een crusta (= apicale celdifferentiatie -fijne harde plaatjes beschermen tegen urine)
Doet zich lichtmicroscopisch voor als een smalle verdichtingszone van de apicale rand van de bovenste cellaag. Uit E.M blijkt dat de celmembraan dikker is en daarenboven talrijke plooien veroorzaakt. Op snede doen deze plooien zich veelal voor als microvezels in de nabijheid van de celmembraan. Bij uitrekking van het epitheel verstrijken deze plooien.
(overgangsepitheel, urinewegen, paraplucellen)
Lichaampje van Vater Pacini
= tastsensor in de huid
Bestaat uit een zenuwuiteinde omgeven door concentrische lamellen uit fibroblasten
Gelegen in stratum reticulare en hypodermis
Omgeven door een sterk gevasculariseerde bindweefselschede
Cellen van langerhans
= soort witte bloedcel
Cellen van Langerhans: dendritische, antigen presenterende cellen afgeleid van beenmergcellen in het epidermis
→ Accumulatie van de cellen veroorzaakt wonden = Langerhans-cel histocytosis
Amacriene cel
Vormen contacten tussen multipolaire ganglioncellen onderling / tussen axonen van bipolaire neuronen en perikarya van multipolaire ganglioncellen
Tropomyosine
Tropomyosine bindt aan actine op de troponineplaats, waardoor de binding van myosine geblokkeerd wordt. Troponine bindt aan calcium, waardoor tropomyosine los laat van het actine en myosine aan het actine kan binden.
Een molecule die in de groeve van de dubbelhelixstreng gelegen is en zich over de lengte van ongeveer 7 G-actine monomeren uitstrekt. Het stabiliseert actinefilamenten
Numerieke apertuur
De numerieke apertuur (NA) van een microscoopobjectief is een dimensieloos getal dat aangeeft onder welke uiterste hoeken licht opgevangen of uitgestraald wordt.
Kernzakvezel
In intrafusale spiervezels: liggen binnen in het spierspoeltje
→ Bevatten in hun centrale gebied een soort zakje gevuld met kernen
Purkinjecel
De purkinjecellen hebben één axon, maar honderden dendrieten per cel. Ze liggen tussen de moleculaire laag en de laag met korrelcellen in, in de gehele buitenste laag van de kleine hersenen
cerebellum
peervormig lichaam waaruit aan de bovenzijde een dendrietenboom ontspringt die zich 2D uitbreidt in sagittale richting
axon vertrekt aan basis cellichaam en loopt door korrellaag naar witte stof
purkinjecellen liggen op 1 rij en vormen de Purkinjecellaag of ganglionaire laag
Stratum granulosum:
Ø Bevat keratohyaliene korrels: korrels bevatten eiwit filaggrine → zorgt voor aggregatie van tonofilamenten
Ø Keratinocyten bevatten membrane-coating granules: stellen een lipide-achtige laag vrij → laag zorgt ervoor dat bovenliggende cellagen afsterven
Ø Dunne laag bij dunne huid
Metamyelocyt: eosinofiel / basofiel / neutrofiel
Ø Diameter: kleiner celvolume
Ø Kern: boonvormige kern met indeuking
Ø Chromatine: gecondenseerde euchromatine
Ø Grana: specifieke grana met verschillende eigenschappen
Stadium van de granulocytopoiese. Het vertoont een boonvormige kern met een indeuking, heeft een kleiner celcolume en vooral euchromatine, bevat specifieke grana met duidelijk verschillende kleuringseigenschappen.
Crista ampullaris
De crista ampullaris is het sensorische orgaan van rotatie. Ze bevinden zich in de ampullen van elk van de halfcirkelvormige kanalen van het binnenoor, wat betekent dat er in totaal drie paren zijn. De functie van de crista ampullaris is om hoekversnelling en -vertraging te voelen.
Stria vasicularis
De stria vascularis van de ductus cochlea is een capillaire lus in het bovenste gedeelte van het ligamentum spirale (de buitenwand van de ductus cochlea of scala media). Het produceert endolymfe voor de scala media in de cochlea.
Meerdere cellagen op het ligamentum spiralis waarbij bovenste kubische cellen met microvilli zijn
Bevat veel bloedvaten ‼ Enige epitheel met bloedvaten !!
Functie: productie van endolymfe
Hyponychium
Verbinding tussen nagelbed en nagelplaat aan de uiteinden van vingers/tenen, dikke structuur gevormd door bovenste lagen van de huid
Orthochromatofiele erythroblast
De laatste kernhoudende stadium van de erythrocytopoiese. De kern is excentrisch gelegen en wordt pycnotisch. Het heeft een doormeter van 8-10 µm.
Diapedese
Proces waarbij leukocyten, zoals neutrofielen, lymfocyten en monocyten, vanuit de bloedbaan de bloedvatwand doordringen en het omringende weefsel binnengaan
Tropocollageen
Ontstaat extracellulair doordat m.b.v. procollageenpeptidase een eindstukje van het procollageen afgesplitst wordt. De tropocollageenmoleculen die uit een drievoudige helix bestaan vormen de basis van collageen.
bestaat uit 2a1 en 1a2 ketens die drievoudige helix vormen(met winding van 8,6nm) met lengte 280nm x 1,5nm
Promyelocyt
Maakt deel uit van de granulocytopoiese. Na de megakaryocyt is dit de grootste cel in het beenmerg. De kern is rond tot niervormig, het bevat grover chromatine, opvallende nucleoli en een goed ontwikkeld GA en RER. Het heeft een sterker basofiel cytoplasma dan de myeloblast. Ook heeft het azurofiele grana die lysosomale enzymen bevatten en peroxidase-positief zijn.
Celhof
Gebied va de kraakbeenmatrix vlak rondom de lacune dat rijker is aan GAGs en armer aan collageen. Wordt ook de territoriale matrix genoemd.
Myeloblast
3de stadium van de granulocytopoiese
cel heeft ovoide tot ronde vorm
doormeter 10-15 µm
ronde kern met fijnverdeeld euchromatine
licht basofiel cytoplasma met veel mitochondria, vrije ribosomen en enkele cisternen van RER
granula afwezig
Stratum lucidum
Enkel aanwezig bij de dikke haarloze huid
zichtbaar in heldere band boven stratum granulosum
cellen zijn sterk verhoornd en bevatten eleidinekorrels
Lensvezel
Gemodificeerde epitheelcellen die zich vanuit de middellijn vermenigvuldigen, verlengen en zich omvormen tot lenscellen
Calmoduline
in gladde spiercellen concentratie intracellulair Ca stijgt
calmoduline activeren
bindt op myosine-light-chain kinase
enzym thv lichte ketens van myosine: omzetting ATP in ADP + fosfaatgroep
Syndesmose
Type gewricht gevormd door de verbinding van 2 botten mbv vezelig BW. De botten zijn verbonden door lange, stevige, BW strengen zoals ligamenten of membranen ipv door flexibele gewrichtsbanden
Glasmembraan
Een basale membraan dat gezien kan worden als een verdikte amorfe structuur waarop het epitheel van de haarfollikel rust. Hierin is de verderzetting van de basale membraan van de epidermis van de huid.
Sacculus
Deel van het vestibulaire systeem. Het is een klein, met vocht gevuld zakje dat zich naast de utriculus bevindt. Het is gevoelig voor lineaire versnellingen. Het bevat haarcellen die signalen genereren wanneer ze worden gestimuleerd door beweging of zwaartekracht.
Golgicel
Cellen die verspreid doorheen korrellaag voorkomen. Hun dendrietboom vertakt zich hoofdzakelijk in de moleculaire laag en loopt door tot aan het oppervlak van de kleine hersenen. Het heeft een remmende werking op de Purkinjecellen
Kernkettingvezel (nucleair chain fibres)
Vorm van intrafusale vezels. Ze worden zo genoemd omdat in het centrale gebied van de dwarsgestreepte spiercellen de kernen in een rijtje liggen.
Stratum spinosum
Laag bovenop het stratum basale, ook wel de stekellaag genoemd. De cellen van deze laag zijn voorzien van uitsteeksels (=spina) waarmee ze onderling verbonden zijn. Kenmerkend zijn de wijde intercellulaire ruimten
Calcitonine
Hormoon geproduceerd door de C-cellen van de schildklier. Het remt de botafbraak af wanneer er genoeg calcium aanwezig is in het bloed
Paraplucel
Opvallende cellen waaruit de meest oppervlakkige laag van het overgangsepitheel bestaat. Het dekt meerdere onderliggende cellen af en rust niet op de lamina basalis
Kenmerken fasecontrastmicroscopie
Fasecontrasttechniek houdt in dat op de plaats van faseverschillen die het object veroorzaakt, kunstmatige helderheidsverschillen worden aangebracht. Het beeld toont dan de juiste geometrische vorm van details. Dit is nuttig bij het bekijken van levende cellen aangezien bepaalde kleurstoffen cytotoxische eigenschappen hebben.
M. arrector pili
Bundeltje glad spierweefsel dat door contractie het haar kan laten oprichten, dit gebeurt als reactie op stimuli. Doordat de haren rechtop gaan staan, zal een grotere hoeveelheid lucht door de vacht kunnen worden vastgehouden. De spiertjes trekken ook samen ten gevolge van woede of angst omwille van de adrenalinestoot die deze emoties met zich meebrengen
Haarcellen
Zintuigreceptoren van het gehoor- en evenwichtsorgaan. Ze hebben hun naam te danken aan de stereocilia op het apicale oppervlak van de cel. Er zijn binnenste en buitenste haarcellen.
Desmale botvorming
Hierbij wordt botweefsel direct vanuit het primitief BW (mesenchym) gevormd. Eerst wordt er een membraanachtige structuur aangelegd waarbij opeengeplakte mesenchymcellen zich differentiëren tot osteoblasten en beginnen met de aanmaak van botmatrix. Dit proces wordt ook intramembraneuze verbening genoemd.
Dense bodies
Komen voor in gladde spiercelle en zijn het equivalent van Z-schijven in skeletspiercellen & hartspiercellen. Ze komen voor in het cytoplasma thv van het sarcolemma. Hierin zit het eiwit α-actinine.
Fixatie
Proces waarbij degradatie van het weefsel door bacteriën en enzymen wordt tegengehouden, hierdoor wordt de ultrastructuur van weefsels bewaard. Het kan gebeuren door chemische verbindingen tussen het fixatief en de in het weefsel aanwezige biomoleculen.
Antigeniciteit
Vermogen van een organisme om een immuunrespons op te wekken en te worden herkend door het immuunsysteem als een ‘vreemd’ of ‘niet-zelf’ deel. Deze immuunrespons kan resulteren in de productie van antilichamen en de activering van immuuncellen om de stof aan te vallen en te elimineren.
Condensor
Set lenzen die de straal van de lichtbron opvangen en ze via breking tot een coherente, relatief smalle lichtbundel herleiden. Dit heeft een invloed op de kwaliteit, resolutie en lichtsterkte van het preparaat.
Objectief
Lenzen die het primair beeld van het object vormen en verantwoordelijk zijn voor het grootste gedeelte van de vergroting. De kwaliteit van de lenzen bepaalt de kwaliteit van de microscoop
Oculair
Verantwoordelijk voor vergroting en projectie van het beeld op de retina
Resolutie
Het vermogen van een microscoop om twee punten op een coupe als afzonderlijk waar te nemen. Bij de beste lichtmicroscopen bedraagt deze afstand bij optimale instelling 0,2 µm. De formule voor de resolutie van een microscoop is: R=λ /NA
Axonema
‘Organisatie’ samengesteld uit een centrale unit van 2 volledige MT, waarrond 9 doubletten van MT georganiseerd zijn, die elk een volledige MT (A-tubulus) en een onvolledige MT (B-tubulus) bezitten.
Membrane coating granules
Cellaag bovenop het stratum spinosum dat ook wel Odland bodies wordt genoemd. Het zijn epitheelcellen die granulen bevatten met een lipidenrijke inhoud.
Corneocyten
Platte, dode cellen die rijk zijn aan keratine en omgeven zijn door lipiden. Ze hechten aan elkaar via desmosomen en vormen een stevig, waterdicht oppervlak dat de huid beschermt tegen uitdroging, infecties en schadelijke invloeden van buitenaf.
Keratinisering
Proces dat meerlagige plaveiselepithelen ontstaan ondergaan door opstapeling van keratinefilamenten en hun associaties met bepaalde eiwitten en enzymen. Het oppervlak van de epitheellaag voelt droog. aan, er wordt hier gesproken van verhoorning.
Glycoproteïnen
Complexen van vnl eiwitten en weinig koolhydraten. Ze spelen een rol bij de interacties tussen de cellen en de hechtig van cellen aan vezels of andere componenten van de extracellulaire matrix
Proteoglycanen
Bestaan uit centrale eiwitketens met hierop gebonden GAGs, deze zijn een familie van niet-vertakte polysacchariden opgebouwd uit lange ketens van disacchariden. De verschillende leden van de familie verschillen in de -uronzuren of hexosamines (glucosamine of galactosamine) waaruit ze bestaan
Perichondrium
Een kapsel van dicht BW dat het KB bijna volledig omsluit. Het is belang voor de groei van het kraakbeenstuk. Het bestaat zowel uit een stevige buitenste vezelrijke laag als een tegen het gevormde kraakbeen aan gelegen celrijke laag.
Interstitiële groei
Deling van chondrocyten in een kraakbeenstuk gevolgd door afzetting van matrix. Het maakt regeneratie van KB mogelijk bij jonge individuen.
Appositionele groei
chondroblasten zetten aan de buitenste rand van een kraakbeenstukje kraakbeenmatrix af. Hierdoor worden de chondroblasten chrondrocyten.
Periost
Een vlies van bindweefsel s.s. dat zich aan de buitenkant van het bot bevindt. Het bestaat uit. een osteogene laag waarui osteoblasten kunnen differentiëren. Ook is er een kleine populatie osteoclasten aanwezig. Het is sterk gevasculariseerd.
Endost
Laagje tegen het bot aan van gepolariseerde ongedifferentieerde mesenchymcellen, osteoblasten en enkele osteoclasten. Deze laag bevindt zich thv de mergholten. Dit laagje lijkt een klein beetje op epitheel.
Osteoblasten
Cellen die instaan voor de aanmaak van organische componenten van de botmatrix. Ze beschikken over een uitgebreid RER en GA. Ze differentiëren uit osteoprogenitorcellen en zijn gepolariseerd (= cellen liggen in één cellaag en zetten langs dezelfde zijde osteoïd af)
Osteocyten
Osteoblasten die zich volledig insluiten met matrix. Ze staan in voor behoud en vervanging van botmatrix. Ze liggen in lacunes en bezitten heel fijne uitlopers waarmee ze via nexusverbindingen contact met met de uitlopers van naburige osteocyten en ze zo nutriënten vervoeren doorheen de cellen.
Osteoclasten
Gespecialiseerde botcellen die botmatrix afbreken. Ze ontstaan in het beenmerg door fusie van monocyten zodat grote veelkernige reuzencellen ontstaan. De vorming staat o.i.v. osteoblasten en beenmergcellen.
Lacunes van Howship
Kleine holtes of groeven in het botoppervlak, waarin osteoclasten zich bevinden tijdens het proces van botresorptie, waarbij oud botweefsel wordt afgebroken en verwijderd. Deze uithollingen spelen een belangrijke rol bij het vergemakkelijken van de verwijdering van botmateriaal tijdens botremodellering en -herselprocessen
Parallelle lamellen
Platte platen die bestaan uit verkalkte botmatrix waarbij per lamel de collageenbundels evenwijdig aan elkaar verlopen. De parallelle rangschikking in het bot helpt bij het weerstaan van krachten.
Osteonen / systemen van Havers
Cilindervormige structurele eenheden. Centraal ligt een kanaal van Havers, welke in de lengterichting verloopt en bloedvaten, lymfevaten en zenuwen bevat
Generale lamellen
Type lamellen die voorkomen in compact bot in de binnenste en buitenste lagen. Evenwijdig aan het botoppervlak. Ze zijn belangrijk voor het handhaven van de integriteit & structuur van het bot.
Interstitiële lamellen
Fragmenten van oude osteonen die zich bevinden tussen de nieuwe, volledige osteonen in het compacte botweefsel. Ze spelen een rol bij voortdurende herstructurering & vernieuwing van botweefsel.
Osteomalacie
Aandoening waarbij de botten zacht en zwak zworden door een tekort aan mineralen, met name Ca en PO4 3-. Dit te kort is meestal te wijten aan een te kort aan vitamine D, wat essentieel is voor opname calcium en fosfaat in de botten.
Osteoporose
Aandoening waarbij de botten dunner en zwakker worden, waardoor ze gemakkelijker kunnen breken. Het onstaat wanneer het lichaam te veel bot afbreekt, te weinig nieuw bot aanmaakt, of beide.
Osteopetrose
Genetische aandoening gekenmerkt door dichte en broze botten. Het ontstaat door een defect in de functie van osteoclasten. Hierdoor is er een disbalans tussen botvorming en botafbraak, wat leidt tot ophoping van te veel botmassa
Symphysis
Type kraakbeengewricht waar 2 botten verbonden zijn door vezelig kraakbeen. Dit biedt zowel stabiliteit als beperkte flexibiliteit.
→ Kraakbeenkappen rustend op botweefsel door vezelig en fibreus kraakbeen verbonden
bv: symphisis pelvis
Triade
Structuur waarbij de T-tubulus contact maakt met 2 laterale componenten van het sarcoplasmatisch reticulum. Dit bevindt zich bij de overgang van een A-band naar een I-band en speelt een rol bij de excitatie-contractie koppeling van de skeletspiercel.
Sarcomeer
Organisatie van actine, myosine en andere eiwitten in een complex dat gelegen is tussen twee Z-schijven. Het bestaat uit een halve I-band, A-band en nog een halve I-band
Creatine kinase
Enzym dat de transfer van fosfaat & fosfocreatine naar ADP katalyseert. Het is aanwezig in opgeloste vorm in het sarcoplasma en is een component van de M-lijn in H-band.
Actine
Eiwit waaruit de meeste microfilamenten zijn opgebouwd. Het speelt een belangrijke rol bij spiercontractie.
Threadmilling proces actine
Proces waarbij evenveel G-actine monomeren aan het +uiteinde worden aangehecht dan aan het -uiteinde worden verwijderd. Dit proces vindt plaats bij een bepaalde kritische concentratie aan vrije G-actine monomeren.
Cytochalasine
Een groep verbindingen die de polymerisatie van actinefilamenten remmen en daardoor verschillende celprocessen beïnvloeden.
Phalloidine
Een giftige stof dat de polymerisatie remt van actinefilamenten in cellen
Troponine
Complex van eiwitten dat een rol speelt bij het reguleren van spiercontractie. Het troponine complex bestaat uit 3 eiwitten: troponine I (inhibeert binding van myosine aan actine), troponine T (bindt aan tropomyosine) en troponine C (bindt calcium)
Ryanodinereceptoren
Familie van intracellulaire calciumkanalen die voorkomen in bijna alle dierlijke cellen (spiercellen & neuronen). Ze zijn genomed naar de stof ryanodine die in staat is om ze te blokkeren. Het doek van deze receptoren is spiercontractie.
Proprioreceptie
Het vermogen van een organisme om de positie, beweging en krachten die op de verschillende delen van het lichaam worden uitgeoefend, waar te nemen
Peeslichaampjes van Golgi
Ook wel Golgisensoren genoemd: proprioreceptieve sensoren die zich bevinden in de pezen van skeletspieren, waar ze de spanning of rek van de pees registreren.
Syncytium
Skeletspiercel die embryonaal is ontstaan uit een fusie van éénkernige myoblasten. Daardoor bezit de skeletspiercel honderden kernen die in een dun laagje van het sarcoplasma wandstandig tegen de plasmamembraan gelegen zijn.
Caveolae
Ondiepe instulpingen die zich bevinden aan het oppervlak van gladde spiercellen. Sommige komen in de buurt van cisternen van het sarcoplasmatisch reticulum, waar ze op een gelijkaardige manier als bij skeletspiercellen de vrijstelling van caclium vanuit cisternen kunnen beïnvloeden.
Telodendron
Vertakte gedeelte thv distale uiteinde van het axon. Elk uiteinde van de vertakking draagt een eindknopje waar impulsoverdracht plaatsvindt.
Synaps
De plaats waar het neuron contact maakt met een volgend neuron of doelcel. Op deze plaats wordt (meestal via chemische boodschappermoleculen) de stimulus selectief overgedragen
Depolarisatie
Een verandering in de membraanpotentiaal van een cel waardoor deze potentiaal meer positief dan minder negatief wordt. Indien de depolarisatie hoog genoeg is, kan dit in zenuwcellen en bepaalde andere celtypen leiden tot een actiepotentiaal.
Hyperpolarisatie
Elektrisch fenomeen waarbij het membraanpotentiaal van een cel meer negatief wordt dan de rustpotentiaal, wat resulteert in een toename van elektrische ladingsverschil over het celmembraan.
Neuromodulatoren
Chemische boodschappermoleculen die neuronen nodig hebben om informatie te kunnen doorgeven