1/208
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Bedrijf
een organisatie die goederen of diensten produceert of levert om winst te maken.
manager
Een persoon die sturing geeft aan processen, mensen en middelen om een bepaald doel te bereiken.
Organiseren
Het optimaal laten samenwerken van mensen en middelen om een bepaald doel te bereiken.
Onderneming
Een met als belangrijkste doel het maken van winst.
Organisatiekunde
De wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van gedrag van en inn organisatie en de wijze waarop organisaties bestuurd kunnen worden.
Rechtspersoon
Een juridische constructie waardoor een organisatie volwaardig en handelingsbekwaam op kan treden in het rechtsverkeer, met alle rechten en plichten van dien.
Rechtsvorm
De juridische wijze waarop natuurlijke personen, rechtspersonen of combinaties daarvan samenwerken met het oog op een gemeenschappelijk doel of belang.
Management
Het optimaal laten samenwerken van mensen en middelen om een bepaald doel te bereiken.
Natuurlijke personen
Mensen van vlees en bloed met een bepaalde identiteit (naam en voornamen), geboorteplaats en -datum, geslacht en nationaliteit.
Organisatie
Een samenwerkingsverband van mensen die bepaalde doelen willen bereiken.
Beleid
Het aangeven van de richting waarin, de wijze waarop en de middelen waarmee de organisatie haar doelen wil realiseren.
Inclusiviteit
Het volwaardig doen participeren van mensen in een werkomgeving ongeacht leeftijd, geslacht, herkomst of beperking.
Relatief marktaandeel
Het marktaandeel van de eigen PMC of SBU gedeeld door dat van de grootste concurrent (de marktleider).
Consumentisme
Het streven van consumenten, door zich te organiseren, sterker te zijn tegenover de producenten en hun belangen gezamenlijk te verdedigen.
Concurrenten
Rivaliserende aanbieder van producten of diensten die dezelfde klantbehoeften binnen een specifiek marktsegment bevredigen.
Business model canvas
Model dat beschrijft hoe een organisatie met haar bekwaamheden en partners klantwaarde levert voor verschillende doelgroepen, gericht op duurzame winstgevendheid.
Bedrijfstak
De verzameling ondernemingen die een gelijksoortige functie in het voortbreningsproces van een bepaald product of een bepaalde dienst vervullen.
bedreiging
en negatieve trend van externe omgevingsfactoren
Koopkracht
De hoeveelheid goederen en diensten die met het besteedbaar inkomen gekocht kan worden.
Product-/marktcombinatie
Eeen klant groep in relatie tot de producten/diensten die een organisatie biedt om in de behoeften van eze klantgroep te voorzien.
Demografische druk
De verhouding tussen de som van het aantal personen van 0-19 jaar en 65 jaar of ouder en de personen in de zogenoemde ‘productieve leeftijdsgroep’ van 20-64 jaar.
Duurzamheid
Het zorgen voor evenwicht tussen sociale, economische en ecologische belangen voor zowel huidige als toekomstige generaties.
Procesinnovatie
Het aanpassen van bedrijfsprocessen gericht op de verbetering van efficiëntie, kwaliteit en/of effectiviteit.
Differentiatie
Het toevoegen van nieuwe, onderscheidende elementen aan bestaande situatie.
Doelmatigheid
De mate waarin activiteiten tegen de laagst mogelijke offers worden uitgevoerd. ook wel de efficiëntie genoemd.
Efficiëntie
De mate waarin activiteiten tegen de laagst mogelijke offers worden uitgevoerd. ook wel de doelmatigheid genoemd.
Besteedbaar inkomen
Het bruto-inkomen na aftrek van premies sociale verzekeringen en belastingen.
Strategische fit
De aansluiting van de organisatie op de omgeving.
Strategisch management
Het proces van systematische analyse van externe en interne factoren van een organisatie om te komen tot strategische beleidsopties voor het verwerven van duurzaam concurrentievoordeel.
Strategie
De langetermijndoelen van een organisatie en de inzet van middelen en activiteiten om die doelen te realiseren
leeftijl
Een bepaalde manier van leven
Export
Het verkopen van goederen of diensten aan het buitenland
Inclusieve organisatie
een organisatie die optimaal gebruikmaakt van de diversiteit van talenten en vermogens van medewerkers ongeacht leeftijd, geslacht, herkomst of beperking.
Balanced scorecard
Een model om strategische doelstellingen te vertalen naar daadwerkelijke acties dat naast financiële indicatoren betaat uit niet-financiële (operationele) indicatoren.
Kerncompetenties
Unieke en voor de markt relevante bekwaamheden die de essentie vormen van concurrentievoordeel. ook wel kernbekwaamheden genoemd.
Greenwashing
Het zich maatschappelijk verantwoordleijker voordoen dan een organisatie daadwerkelijk is.
Norm
Een streefwaarde voor een variabele.
SWOT-analyse
Een modelmatige aanpak om de externe kansen en bedreigingen en de interne sterkten en zwakten van een organisatie in beeld te brengen.
Marktsegment
Delen van een markt bestaande uit groepen afnemers met overeenkomstige behoeften.
Informatie- en communicatietechnologie
Het vakgebied dat zich bezighoudt met informatiesystemen, telecommunicatie en computers.
Doeltreffendheid
De mate waarin de beoogde doelen daadwerkelijk worden behaald. ook wel effectiviteit genoemd.
Consumentenvertrouwen
Begrip dat aangeeft in hoeverre huishoudens vinden dat het economisch gezien beter of slechter gaat.
Innovatie
De toepassing van nieuwe ideeën, goederen diensten en/of processen.
Afnemer
Een klant of consument die bepaalde producten of diensten aanschaft.
Cashflow
De nettowinst na aftrek van belasting vermeerderd met de afschrijvingen.
Ambitie
Datgene wat de organisatie uiteindelijk wil realiseren.
Etniciteit
Een sociaal-culturele identiteit, die een bepaalde groep mensen of een aantal bevolkingsgroepen verbindt.
Productinnovatie
Het veranderen van kenmerkende eigenschappen van bestaande producten of het realiseren van een geheel nieuw product.
Visie
Een ambitieus beeld van de gewenste toekomst van de organisatie.
Branche
De verzameling ondernemingen in een bedrijfstak die grotendeels dezelfde producten of diensten leveren.
Productportfolio
Het geheel van producten (productgroepen) van een onderneming.
Kernwaarden
De leidende principes, overtuigingen en drijfveren van de organisatie en haar leden.
Sterkte
Competentie van een organisatie die kan leiden tot concurrentievoordeel.
Doelstelling
De beschrijving van e beoogde toestand of resultaten.
Algemene (macro-)omgeving
Het geheel van omgevingsfactoren waarop een organisatie geen of beperkt invloed kan uitoefenen.
Diversiteit
Het erkennen en waarderen van verschillen tussen mensen in waarden, cultuur, overtuiging, etnische of religieuze achtergrond, seksuele orientatie, kennis, vaardigheden en levenservaring.
Zwakte
Een gebrek aan bekwaamheden van een organisatie dat kan leiden tot minder concurrentievoordeel.
Strategische optie
Een beleidsmatige mogelijkheid voor het realiseren van strategische doelen.
Import
Het kopen van goederen of diensten uit het buitenland.
Macro-omgeving
Het geheel van omgevingsfactoren waarop een organisatie geen of beperkt invloed kan uitoefenen.
Kans
een positieve trend van externe omgevingsfactoren.
Stakeholders
Belanghebbenden in een organisatie.
Klantwaarde
het geheel van productvoordelen zoals de klant deze ervaart en waarvoor hij bereid is te betalen.
Missie
De verklaring van de bestaansredenen en de identiteit van de organisatie.
Prestatie-indicator
Een variabele die de realisatie van een kritische succesfactor meet.
Confrontatiematrix
Een schematische vergelijking van de kansen en bedreigingen met de sterkten en zwakten van een organisatie, en de daaruit volgende strategische opties.
Kritische succesfactoren.
Factoren die voor een organisatie van wezenlijk belang zijn voor succes en continuïteit.
Marktgroei
De procentuele stijging van de marktomzet of -afzet ten opzichte van het afgelopen jaar.
Effectiviteit
De mate waarin de beoogde doelen daadwerkelijk worden behaald. ook wel doeltreffendheid genoemd.
Beleidsuitvoerende taken
Activiteiten gericht op het uitvoeren van het strategisch beleidskader. ook wel dirigerende taken genoemd.
Intergraal management
Het principe dat een manager volledig verantwoordelijk en bevoegd is voor alle functionele gebieden van het organisatieonderdeel waaraan hij leiding geeft.
Constituerende taken
Activiteiten gericht op het vaststellen van het strategisch of tactisch beleidskader. ook wel beleidsformulerende taken genoemd.
Humanresourcesmanagement
Een beleidsmatige aanpak gericht op het beschikbaar hebben en optimaal benutten van menselijke kwaliteiten in het kader van strategische organisatiedoelen.
Directeur
Een functionele benaming voor een persoon die de leiding heeft over een organisatie, dienst of afdeling.
Coördineren
Het efficiënt en effectief onderling afstemmen van activiteiten.
Dirigerende taken
Activiteiten gericht op het uitvoeren van strategisch/tactisch beleidskader. ook wel beleidsuitvoerende taken genoemd.
Macht
Het vermogen om andere personen iets te laten doen of niet laten doen.
Scale-up
Een start-up die vijfjaar bestaat en minimaal tien miljoen euro omzet draait.
Gezag
Het recht om (aanvaarde) macht uit te oefenen. Ook wel autoriteit genoemd.
Beleidsformulerende taken
Activiteiten gericht op het vaststellen van het strategisch beleidskader. ook wel constituerende taken genoemd.
Delegeren
Het overdragen van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden aan een hiërarchisch ondergeschikte.
Beleidskader
De vertaling van de strategische langetermijnvisie op basis waarvan tactische beslissingen kunnen worden genomen.
Organisatie-ethiek
Het geheel van waarden, normen en moreel gedrag dat een organisatie intern en tegenover haar omgeving in acht dient te nemen.
Ondernemer
Een persoon die voor eigen risico handelt om daarmee een inkomen te verwerven.
Participeren
Actief aan iets deelnemen of meewerken.
Marktdynamiek
De snelheid en intensiteit waarmee marktpartijen reageren op trendmatige en incidentele ontwikkelingen
Arbeidsverdeling
Het verdelen van werkzaamheden in taken en deze toebedelen aan medewerkers of afdelingen.
Soft skills
Persoonlijke en interpersoonlijke vaardigheden die invloed uitoefenen op het functioneren in een sociale context.
Stijleffectiviteit
De mate waarin een manager in staat is in een bepaalde situatie de meest effectieve stijl van leidinggeven te hanteren.
Formele organisatie
De beschrijving van de organieke en personele structuur.
Commissie
Een groep mensen met een specifieke opdracht en overeenkomstige bevoegdheden.
Kerncompetenties
Unieke en voor de markt relevante bekwaamheden die de essentie vormen van concurrentie voordeel. ook wel kernbekwaamheden genoemd.
autoritaire leiders
leiders die alles zelf bepalen en beslissen
vaardigheid
De capaciteit van een individu om een handeling bekwaam uit te voeren.
Stijlflexibiliteit
De mate waarin een manager in staat is verschillende stijlen van leidinggeven te hanteren.
Centralisatie
Het beperken van beslissingsbevoegdheden tot het topmanagement van de organisatie.
Niet-voorgeprogrammeerde beslissing
Een besluit met een unieke aanpak.
Organisatie-indeling
De wijze waarop de organisatie is ingedeeld in afdelingen en functies.
Informele organisatie
Het geheel van relaties, processen en besluiten dat niet tot de formele organisatiestructuur behoort.
Omspanningsvermogen
Het aantal medewerkers waaraan een manager effectief leiding kan geven.