1/109
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
Metabolisme
De stofwisseling, alle chemische processen in het lichaam die nodig zijn voor energieproductie, groei en onderhoud.
Brandstoffen
Koolhydraten, vetten en eiwitten die energie leveren via dissimilatie.
Bouwstoffen
Stoffen nodig voor opbouw en herstel van weefsels, zoals eiwitten, water, vetten en mineralen.
Reservestoffen
Stoffen die worden opgeslagen voor later gebruik, zoals glycogeen en vetten.
Glycogeen
Vertakt molecuul opgebouwd uit glucose, opgeslagen in lever- en spiercellen als energiereserve.
Energie
Vermogen om arbeid te verrichten, gemeten in joules of calorieën.
Niet-essentiële aminozuren
Aminozuren die het lichaam zelf kan maken.
Essentiële aminozuren
Aminozuren die het lichaam niet zelf kan maken en via voeding moeten worden opgenomen.
Reservevoedsel
Opgeslagen voedingsstoffen in planten, zoals zetmeel in aardappelen.
Dissimilatie
Afbraakprocessen waarbij energie vrijkomt uit voedingsstoffen.
Warmte
Vorm van energie die vrijkomt bij dissimilatie.
Chemische energie
Energie opgeslagen in chemische bindingen.
ATP
AdenosineTrifosfaat - belangrijkste energiedragend molecuul in cellen.
ADP
AdenosineDifosfaat - molecuul dat ontstaat wanneer ATP een fosfaatgroep afstaat.
Kinetische energie
Energie van beweging.
Creatinefosfaat
Energiebuffer in spiercellen die snel ATP kan genereren.
Faataccu
Energiereservesysteem in spieren (ATP + creatinefosfaat).
Pyrodruivenzuur
Tussenproduct bij glucose-afbraak.
Melkzuurgisting
Anaerobe omzetting van glucose in melkzuur.
Anaerobe dissimilatie
Energieproductie zonder zuurstof.
Aerobe dissimilatie
Energieproductie met zuurstof waarbij glucose volledig wordt afgebroken.
Reactievergelijking
Schematische weergave van een chemische reactie.
Vetten
Lipiden die energie leveren en als bouwstof dienen.
Eiwitten
Grote moleculen opgebouwd uit aminozuren, nodig voor opbouw en herstel van weefsels.
Glycerol
Bestanddeel van vetten.
Vetzuren
Bestanddelen van vetten.
Aminozuren
Bouwstenen van eiwitten.
Ureum
Afvalproduct van eiwitafbraak.
Melkzuurbacteriën
Bacteriën die melkzuurgisting veroorzaken.
Cellulaire gisten
Eencellige schimmels die betrokken zijn bij fermentatieprocessen.
Alcoholische gisting
Anaerobe omzetting van glucose in ethanol en CO₂ door gisten.
Chlorofyl
Groen pigment in planten dat licht absorbeert voor fotosynthese.
Lichtenergie
Energie afkomstig van licht.
Anorganische stoffen
Stoffen die niet door levende organismen zijn gemaakt, zoals water en mineralen.
Fotosynthese
Proces waarbij planten lichtenergie omzetten in chemische energie.
Koolstofassimilatie
Vastleggen van koolstof in organische verbindingen.
Chloroplasten
Organellen in plantencellen waar fotosynthese plaatsvindt.
Huidmondjes
Openingen in bladeren voor gasuitwisseling.
Abiotische factoren
Niet-levende omgevingsfactoren die van invloed zijn op organismen.
Beperkende factor
Omgevingsfactor die een proces beperkt, zoals licht bij fotosynthese.
Brutoproductie
Totale hoeveelheid door fotosynthese geproduceerde glucose.
Nettoproductie
Brutoproductie minus verbruik door dissimilatie.
Drooggewicht
Gewicht van een organisme of weefsel zonder water.
Gaswisseling
Uitwisseling van gassen zoals CO₂ en O₂.
Verdamping
Overgang van water van vloeibaar naar gasvormig.
Wortelharen
Uitstulpingen van wortelcellen die de opname vergroten.
Endodermis
Laag cellen in plantenwortels die de opname van stoffen reguleert.
Worteldruk
Druk die water omhoog duwt in planten.
Plasmastroming
Beweging van cytoplasma in cellen.
Houtvaten
Vaten in planten die water en mineralen transporteren.
Bastvaten
Vaten in planten die organische stoffen zoals suikers transporteren.
Voedingsstoffen
Stoffen nodig voor groei en onderhoud van het lichaam.
Vetten
Lipiden die energie leveren en als bouwstof dienen.
Eiwitten
Grote moleculen opgebouwd uit aminozuren.
Koolhydraten
Organische verbindingen zoals suikers en zetmeel.
Vitamines
Organische verbindingen nodig voor diverse lichaamsfuncties.
Mineralen
Anorganische voedingsstoffen zoals calcium en ijzer.
Spoorelementen
Mineralen die in zeer kleine hoeveelheden nodig zijn.
ADH-waarden
Aanbevolen Dagelijkse Hoeveelheid van voedingsstoffen.
Gezonde voeding
Voeding die alle benodigde voedingsstoffen in de juiste verhoudingen bevat.
Mechanische verkleining
Fysieke afbraak van voedsel door kauwen.
Chemische afbraak
Enzymatische afbraak van voedsel.
Verteringsenzymen
Enzymen die voedsel afbreken.
Zetmeel
Polysacharide dat dient als plantaardige energiereserve.
Polysacharide
Lange ketens van suikermoleculen.
Glucose
Enkelvoudige suiker, belangrijkste brandstof voor cellen.
Disachariden
Suikers bestaande uit twee monosacharide-eenheden.
Verteringsorganen
Organen betrokken bij de spijsvertering.
Verteringssappen
Vloeistoffen met enzymen voor de spijsvertering.
Speekselklieren
Klieren die speeksel produceren.
Slokdarm
Buis die voedsel van mond naar maag transporteert.
Maagsapklieren
Klieren in de maagwand die maagsap produceren.
Pepsinogeen
Inactief precursor van het enzym pepsine.
Alvleesklier
Orgaan dat verteringsenzymen produceert.
Twaalfvingerige darm
Eerste deel van de dunne darm.
Dunne darm
Darmgedeelte waar meeste vertering en opname plaatsvindt.
Galblaas
Orgaan dat gal opslaat.
Darmsapklieren
Klieren in de darmwand die darmsap produceren.
Verteringsproducten
Eindproducten van de spijsvertering.
Blindedarm
Begin van de dikke darm.
Appendix
Aanhangsel van de blindedarm.
Dikke darm
Darmgedeelte waar water wordt opgenomen.
Endeldarm
Laatste deel van de dikke darm.
ADI-waarde
Aanvaardbare Dagelijkse Inname van een stof.
Katalyseren
Het versnellen van een chemische reactie.
Substraatmolecuul
Molecuul waar een enzym op inwerkt.
Enzym-substraatcomplex
Tijdelijke verbinding tussen enzym en substraat.
Substraatspecifiek
Eigenschap dat een enzym slechts één specifiek substraat herkent.
Enzymen
Eiwitten die chemische reacties versnellen.
Optimumkromme
Grafiek die de optimale omstandigheden voor enzymactiviteit weergeeft.
Aminozuren
Bouwstenen van eiwitten.
Gal
Vloeistof geproduceerd door de lever, helpt bij vetvertering.
Emulgeren
Het verdelen van vetdruppels in kleinere deeltjes.
Monoglyceriden
Vetzuurmoleculen met één glycerol.
Vetzuren
Bestanddelen van vetten.
Glycerol
Bestanddeel van vetten.
Maag
Orgaan waar eerste fase van eiwitvertering plaatsvindt.
Darmperistaltiek
Golfachtige spiersamentrekkingen voor voedseltransport.
Maagportier
Sluitspier tussen maag en dunne darm.
Darmvlokken
Uitstulpingen in de dunne darm die het oppervlak vergroten.