1/120
Deze set flashcards definieert de belangrijkste begrippen en stromingen uit de geschiedenis van de antieke, islamitische en middeleeuwse filosofie, zoals behandeld in de colleges.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Het Griekse wonder
Een 18de- en 19de-eeuwse visie die stelt dat in de 6de eeuw v.C. een fundamenteel nieuwe manier van denken ontstond via de overgang van mythos naar logos; verbonden met de Milesische natuurfilosofie.
Achsenzeit
Een begrip van Karl Jaspers dat verwijst naar de periode van 800 tot 200 v.C., waarin wereldwijd gelijktijdig nieuwe, reflectieve manieren van denken ontstonden.
Theogonie
De leer over de oorsprong en afstamming van de goden; verbonden met Hesiodus en het mythische denken in de archaïsche Griekse oudheid.
Kosmogonie
De leer over de oorsprong en wording van de wereld; verbonden met Hesiodus en Homerus, en later rationeler ingevuld door Anaximander.
Antropogonie
Het mythische verhaal over de oorsprong van de mens; vooral verbonden met Hesiodus en het pre-filosofische denken.
Philomuthos
Betekent 'mythenvriend'; verbonden met Aristoteles, die stelde dat wie mythen liefheeft al deels een filosoof is vanwege de verwondering.
Historiê
Betekent navorsing of onderzoek; verbonden met de Milesische natuurfilosofie (Thales, Anaximander, Anaximenes) als een nieuwe manier van vragen over de natuur.
Theôria
Het afstandelijk schouwen van de objectieve structuur van de werkelijkheid; ontstaan bij de Milesische filosofen en verder uitgewerkt door Plato en Aristoteles.
Mythe
Een verhaal dat de wereldorde verklaart via sacrale gebeurtenissen in een oertijd; verbonden aan Homerus en Hesiodus vóór de Achsenzeit.
Mythologie
De literaire ordening van mythische verhalen in de archaïsche oudheid door figuren als Homerus en Hesiodus.
Moira
De lotsbestemming of het onontkoombare deel dat elk wezen toevalt; in de traditie van Homerus staan zowel mensen als goden hieronder.
Heimarmenê
Lot als een geordende kosmische en causale keten; vooral verbonden met de hellenistische periode en de Stoïcijnen.
Kosmos
Een harmonieuze en geordende totaliteit geregeld door een immanente orde; centraal begrip bij de Milesische natuurfilosofen.
Physis
Het immanent levengevend principe van de natuur; verbonden met de Milesische school en later systematisch uitgewerkt door Aristoteles.
Archê
Het begin en heersende beginsel waaruit alles voortkomt; voorbeelden zijn water (Thales), apeiron (Anaximander) en lucht (Anaximenes).
Hylozoïsme
De opvatting dat materie (hyle^) zelf levend en bezield is; een term van Ralph Cudworth gebruikt om de vroege natuurfilosofen te typeren.
Apeiron
Het kwalitatief en kwantitatief onbepaalde oerstof waaruit de kosmos ontstaat; kernbegrip van Anaximander van Milete.
Polis
De Griekse stadstaat (8e–5e eeuw v.C.) gebaseerd op publiek debat en wetten; door Jean-Pierre Vernant gezien als de bakermat van de filosofie.
Isonomia
Gelijkheid van burgers voor de wet en gelijke toegang tot wetgeving; verbonden met Solon en Kleisthenes als voorloper van democratie.
Eleutheria
Politieke vrijheid van burgers die niet onderworpen zijn aan tirannie en kunnen deelnemen aan polis-beslissingen.
Peitho
De macht van overreding en overtuiging door het woord; essentieel voor de Griekse polis waar besluitvorming op logos berust.
A-lêtheia
Letterlijk 'onverborgenheid'; waarheid als het ontsluiten van wat werkelijk is, voor het eerst scherp gedefinieerd door Parmenides.
Doxa
Mening of schijnkennis gebaseerd op zintuiglijke ervaring; door Parmenides en Plato tegenover de zekere waarheid geplaatst.
Ontologie
De leer van het zijn als zijn; in de Griekse context verbonden met Parmenides en de Eleatische filosofie.
Reductio ad absurdum
Redeneermethode waarbij een stelling wordt weerlegd door aan te tonen dat de ontkenning ervan tot een tegenspraak leidt; verbonden met Zeno van Elea.
Antropomorfisme
Het toeschrijven van menselijke gedaanten of eigenschappen aan goden; bekritiseerd door Xenophanes.
Agnosticisme
De houding dat men het bestaan of de natuur van goden niet kan vaststellen; verbonden met de sofist Protagoras van Abdera.
Euhemerisme
De opvatting dat goden oorspronkelijk historische personen waren die later werden vergoddelijkt; verbonden met Euhemerus van Messene.
Homo mensura-leer
De stelling dat de mens de maat is van alle dingen; centraal in het relativisme van Protagoras van Abdera.
Physis-nomos-debat
Het debat over wat berust op natuur t.o.v. conventie of afspraak; verbonden met de sofisten zoals Hippias in de 5e eeuw v.C.
Het socratische probleem
De moeilijkheid om de leer van Socrates betrouwbaar te reconstrueren omdat hij zelf niets heeft geschreven.
Inductie
Een redenering van het bijzondere naar het algemene om een essentie vast te stellen; verbonden met Socrates en Aristoteles.
Elenchos
Socratische dialectische weerlegging waarbij via vragen de innerlijke tegenstrijdigheid van de gesprekspartner wordt aangetoond.
Aporie
Een toestand van vastlopen of radeloosheid waarin geen antwoord wordt gevonden; kenmerkend voor de vroege dialogen van Plato.
Maieutikê technê
De 'verloskundige kunst'; de methode waarbij Socrates anderen via vragen helpt hun eigen inzicht te 'baren'.
Eirôneia
Geveinsde onwetendheid door Socrates om zijn gesprekspartners tot zelfonthulling en nadenken te dwingen.
Isêgoria
Het gelijke recht om in het openbaar te spreken en deel te nemen aan het debat; verbonden met de Atheense democratie.
Sofisme
De leer van betaalde leraren in de retorica (5e eeuw v.C.); later ook gebruikt voor schijnredeneringen.
Aretê
Deugd of voortreffelijkheid; bij sofisten onderwijsbaar geacht, bij Socrates specifiek gericht op morele voortreffelijkheid.
Socratisch intellectualisme
De opvatting dat deugd gelijkstaat aan inzicht: wie het goede echt begrijpt, handelt er ook naar; kwaad komt door onwetendheid.
Zôon logon echon
De definitie van de mens als een wezen dat over logos (rede/taal) beschikt; verbonden met Aristoteles.
Epistêmê
Wetenschappelijke of ware kennis van het onveranderlijke; verbonden met de filosofie van Plato.
Dialektiek
Methode van tegensprekelijk denken om via begripsonderscheiding tot een definitie te komen; verbonden met Plato en Socrates.
Objectivisme
De opvatting dat ware kennis correspondeert met een objectieve werkelijkheid; kernpunt in de filosofie van Plato.
Anamnese
Het principe van herinnering waarbij de ziel kennis opdiept die zij reeds bezat; verbonden met Plato.
Demiurg
De goddelijke 'werker' die de materie ordent naar het voorbeeld van de Ideeën; beschreven door Plato in de Timaeus.
Wereldziel
De kosmische ziel die de wereld levend en rationeel maakt; een begrip uit de natuurfilosofie van Plato.
Logistikon
Het redelijke deel van de menselijke ziel dat moet leiden; verbonden met de zielenleer van Plato.
Thymoeides
Het moedige of wilskrachtige deel van de ziel; verbonden met Plato.
Epithymêtikon
Het begerende of zinnelijke deel van de ziel gericht op lichamelijke verlangens; verbonden met Plato.
Spiritualisme
De opvatting dat de ziel een onstoffelijke natuur heeft die niet herleidbaar is tot het lichaam; verbonden met Plato.
Praxis versus poiêsis
Handelen waarbij de waarde in de handeling zelf ligt (praxis) tegenover maken waarbij de waarde in het resultaat ligt (poiêsis); onderscheid door Aristoteles.
Passief intellect
Het vermogen van de ziel om indrukken en vormen te ontvangen; verbonden met Aristoteles.
Actief intellect
Het vermogen tot abstractie dat de algemene vorm onttrekt aan zintuiglijke zaken; verbonden met Aristoteles.
Categorie
Een fundamentele zijnswijze of soort predicaat (zoals substantie, kwaliteit of tijd); kernonderdeel van de logica van Aristoteles.
Substantie
Datgene wat op zichzelf bestaat en als drager van eigenschappen dient; het centrale begrip in de metafysica van Aristoteles.
Substantieel predicaat
Een predicaat dat een essentieel kenmerk uitdrukt van wat iets is; verbonden met de aristotelische essentieleer.
Accidens
Ook wel symbebêkoton; een bijkomstige eigenschap die niet noodzakelijk is voor het wezen van een ding. Verbonden met Aristoteles.
Praedicabilia
De vijf manieren van prediceren: genus, species, differentia specifica, proprium en accidens; aristotelische logica later verbreid via Porphyrius.
Differentia specifica
Het wezenlijke verschil dat een soort binnen een genus onderscheidt; term uit de logica van Aristoteles.
Proprium
Een eigenschap die eigen is aan één soort maar niet essentieel is voor de definitie ervan; aristotelisch begrip.
Syllogisme
De klassieke aristotelische redeneervorm waarbij uit twee premissen noodzakelijk een conclusie volgt.
Middenterm
De term die in beide premissen van een syllogisme voorkomt en de verbinding legt; essentieel in de logica van Aristoteles.
Substantiële beweging
Het ontstaan en vergaan: de overgang van niet-zijn naar zijn of omgekeerd; een van de vier bewegingsvormen bij Aristoteles.
Finalisme
De opvatting dat natuurlijke processen doelgericht zijn; typerend voor het wereldbeeld van Aristoteles.
Teleologie
De leer dat de natuur gestructureerd wordt door doelgerichtheid en de actualisering van vorm; kernidee van Aristoteles.
Hylemorfisme
De metafysische leer dat concrete dingen bestaan uit een eenheid van stof (hyle^) en vorm (morphe^); typerend voor Aristoteles.
Prohairesis
Bewuste keuze of wilsbesluit als bron van morele verantwoordelijkheid; verbonden met de ethiek van Aristoteles.
Phronêsis
Praktische wijsheid: het vermogen om in concrete situaties moreel juist te oordelen; centrale deugd bij Aristoteles.
Politeia
Een gemengde staatsvorm gericht op het algemeen belang; begrip uit de politieke filosofie van Aristoteles.
Kosmopolitisme
De visie dat de mens wereldburger is en lid van een universele menselijke gemeenschap; centraal in de Stoa.
Ataraxie
Toestand van onverstoorbare gemoedsrust; het hoogste geluksideaal in het epicurisme en scepticisme.
Autarkeia
Zelfgenoegzaamheid of onafhankelijkheid van externe zaken voor geluk; ideaal van de stoïcijnse wijze.
Apatheia
Vrijheid tegenover passies en innerlijke beheersing; centraal begrip in het stoïcisme.
Oikeiôsis
Het proces van natuurlijke zelfherkenning en toe-eigening van de eigen natuur; verbonden met de ethiek van de Stoa.
To kathêkon
De 'passende handeling' die in overeenstemming is met onze natuur; een begrip uit de stoïcijnse leer.
To kathortoma
De volkomen deugdelijke handeling die voortkomt uit volledig inzicht; verbonden met de wijze in de Stoa.
Sympathia moralis
Universele morele verbondenheid tussen mensen; vooral benadrukt in het Romeinse stoïcisme.
Humanitas-ideaal
Het ideaal van menselijke waardigheid en broederlijkheid; verbonden met het stoïcijnse kosmopolitisme.
Theologie
De systematisering van geloofsinhoud met filosofische middelen; verbonden met de patristiek (bijv. Origenes).
Apologetiek
De rationele verdediging van het christelijk geloof tegen heidense kritiek; verbonden met auteurs zoals Justinus.
Concilie van Nicaea
Concilie in 325 dat de christelijke orthodoxie en het credo (Triniteit en menswording) vastlegde.
Philosophia christiana
Filosofie als levenswijsheid ingebed in de christelijke openbaring; kernbegrip bij Augustinus.
Isagôgê
Een inleiding op de Categorieën van Aristoteles door Porphyrius, later cruciaal voor de middeleeuwse logica via Boëthius.
Prohodos
Het neoplatonische proces waarbij de werkelijkheid voortvloeit uit het Ene; verbonden met Plotinus.
Epistrophê
De terugkeer van de werkelijkheid naar haar oorsprong, het Ene; kernbegrip van Plotinus.
Emanatie
De leer dat de werkelijkheid noodzakelijk en eeuwig uit het hoogste beginsel voortvloeit; typerend voor het neoplatonisme.
Katharsis
Zuivering van de ziel en losmaking van het lichaam; krijgt een filosofisch-spirituele invulling bij Plotinus.
Illuminatie
De leer dat God eeuwige waarheden in de menselijke geest verlicht; kernbegrip in de kennisleer van Augustinus.
Exemplarisme
De leer dat God eeuwige ideeën als modellen voor de schepping beschouwt; verbonden met Augustinus.
Rationes seminales
Kiemvormen door God in de schepping gelegd voor latere ontwikkeling; verbonden met Augustinus.
Noölogisch godsbewijs
Een godsbewijs gebaseerd op de menselijke kennis van noodzakelijke waarheden; verbonden met Augustinus.
Creationisme
De antropologische leer dat de ziel bij elke geboorte door God uit het niets wordt geschapen; verbonden met Augustinus.
Traducianisme
De leer dat de ziel via menselijke voortplanting wordt doorgegeven; onderdeel van de discussies bij Augustinus.
Eschatologie
De leer over de voltooiing van de geschiedenis; verbonden met de lineaire geschiedenisvisie van Augustinus.
Artes liberales
De vrije wetenschappen (trivium en quadrivium) die de basis vormden van de middeleeuwse opleiding.
Artes mechanicae
De nutgerichte technieken en ambachten, onderscheiden van de intellectuele vrije kunsten in de middeleeuwen.
Trivium
Het taalkundige deel van de artes liberales: grammatica, retorica en dialectica.
Quadrivium
Het wiskundige deel van de artes liberales: rekenkunde, meetkunde, astronomie en muziek.
Nominalisme
De positie dat algemene begrippen enkel woorden zijn en niet naar reële entiteiten verwijzen; verbonden met Roscelin in de vroege scholastiek.