Kernbegrippen uit de Geschiedenis van de Filosofie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/120

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Deze set flashcards definieert de belangrijkste begrippen en stromingen uit de geschiedenis van de antieke, islamitische en middeleeuwse filosofie, zoals behandeld in de colleges.

Last updated 4:11 PM on 7/25/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

121 Terms

1
New cards

Het Griekse wonder

Een 18de- en 19de-eeuwse visie die stelt dat in de 6de eeuw v.C. een fundamenteel nieuwe manier van denken ontstond via de overgang van mythos naar logos; verbonden met de Milesische natuurfilosofie.

2
New cards

Achsenzeit

Een begrip van Karl Jaspers dat verwijst naar de periode van 800800 tot 200200 v.C., waarin wereldwijd gelijktijdig nieuwe, reflectieve manieren van denken ontstonden.

3
New cards

Theogonie

De leer over de oorsprong en afstamming van de goden; verbonden met Hesiodus en het mythische denken in de archaïsche Griekse oudheid.

4
New cards

Kosmogonie

De leer over de oorsprong en wording van de wereld; verbonden met Hesiodus en Homerus, en later rationeler ingevuld door Anaximander.

5
New cards

Antropogonie

Het mythische verhaal over de oorsprong van de mens; vooral verbonden met Hesiodus en het pre-filosofische denken.

6
New cards

Philomuthos

Betekent 'mythenvriend'; verbonden met Aristoteles, die stelde dat wie mythen liefheeft al deels een filosoof is vanwege de verwondering.

7
New cards

Historiê

Betekent navorsing of onderzoek; verbonden met de Milesische natuurfilosofie (Thales, Anaximander, Anaximenes) als een nieuwe manier van vragen over de natuur.

8
New cards

Theôria

Het afstandelijk schouwen van de objectieve structuur van de werkelijkheid; ontstaan bij de Milesische filosofen en verder uitgewerkt door Plato en Aristoteles.

9
New cards

Mythe

Een verhaal dat de wereldorde verklaart via sacrale gebeurtenissen in een oertijd; verbonden aan Homerus en Hesiodus vóór de Achsenzeit.

10
New cards

Mythologie

De literaire ordening van mythische verhalen in de archaïsche oudheid door figuren als Homerus en Hesiodus.

11
New cards

Moira

De lotsbestemming of het onontkoombare deel dat elk wezen toevalt; in de traditie van Homerus staan zowel mensen als goden hieronder.

12
New cards

Heimarmenê

Lot als een geordende kosmische en causale keten; vooral verbonden met de hellenistische periode en de Stoïcijnen.

13
New cards

Kosmos

Een harmonieuze en geordende totaliteit geregeld door een immanente orde; centraal begrip bij de Milesische natuurfilosofen.

14
New cards

Physis

Het immanent levengevend principe van de natuur; verbonden met de Milesische school en later systematisch uitgewerkt door Aristoteles.

15
New cards

Archê

Het begin en heersende beginsel waaruit alles voortkomt; voorbeelden zijn water (Thales), apeiron (Anaximander) en lucht (Anaximenes).

16
New cards

Hylozoïsme

De opvatting dat materie (hyle^hylê) zelf levend en bezield is; een term van Ralph Cudworth gebruikt om de vroege natuurfilosofen te typeren.

17
New cards

Apeiron

Het kwalitatief en kwantitatief onbepaalde oerstof waaruit de kosmos ontstaat; kernbegrip van Anaximander van Milete.

18
New cards

Polis

De Griekse stadstaat (8e–5e8\text{e--5e} eeuw v.C.) gebaseerd op publiek debat en wetten; door Jean-Pierre Vernant gezien als de bakermat van de filosofie.

19
New cards

Isonomia

Gelijkheid van burgers voor de wet en gelijke toegang tot wetgeving; verbonden met Solon en Kleisthenes als voorloper van democratie.

20
New cards

Eleutheria

Politieke vrijheid van burgers die niet onderworpen zijn aan tirannie en kunnen deelnemen aan polis-beslissingen.

21
New cards

Peitho

De macht van overreding en overtuiging door het woord; essentieel voor de Griekse polis waar besluitvorming op logos berust.

22
New cards

A-lêtheia

Letterlijk 'onverborgenheid'; waarheid als het ontsluiten van wat werkelijk is, voor het eerst scherp gedefinieerd door Parmenides.

23
New cards

Doxa

Mening of schijnkennis gebaseerd op zintuiglijke ervaring; door Parmenides en Plato tegenover de zekere waarheid geplaatst.

24
New cards

Ontologie

De leer van het zijn als zijn; in de Griekse context verbonden met Parmenides en de Eleatische filosofie.

25
New cards

Reductio ad absurdum

Redeneermethode waarbij een stelling wordt weerlegd door aan te tonen dat de ontkenning ervan tot een tegenspraak leidt; verbonden met Zeno van Elea.

26
New cards

Antropomorfisme

Het toeschrijven van menselijke gedaanten of eigenschappen aan goden; bekritiseerd door Xenophanes.

27
New cards

Agnosticisme

De houding dat men het bestaan of de natuur van goden niet kan vaststellen; verbonden met de sofist Protagoras van Abdera.

28
New cards

Euhemerisme

De opvatting dat goden oorspronkelijk historische personen waren die later werden vergoddelijkt; verbonden met Euhemerus van Messene.

29
New cards

Homo mensura-leer

De stelling dat de mens de maat is van alle dingen; centraal in het relativisme van Protagoras van Abdera.

30
New cards

Physis-nomos-debat

Het debat over wat berust op natuur t.o.v. conventie of afspraak; verbonden met de sofisten zoals Hippias in de 5e5\text{e} eeuw v.C.

31
New cards

Het socratische probleem

De moeilijkheid om de leer van Socrates betrouwbaar te reconstrueren omdat hij zelf niets heeft geschreven.

32
New cards

Inductie

Een redenering van het bijzondere naar het algemene om een essentie vast te stellen; verbonden met Socrates en Aristoteles.

33
New cards

Elenchos

Socratische dialectische weerlegging waarbij via vragen de innerlijke tegenstrijdigheid van de gesprekspartner wordt aangetoond.

34
New cards

Aporie

Een toestand van vastlopen of radeloosheid waarin geen antwoord wordt gevonden; kenmerkend voor de vroege dialogen van Plato.

35
New cards

Maieutikê technê

De 'verloskundige kunst'; de methode waarbij Socrates anderen via vragen helpt hun eigen inzicht te 'baren'.

36
New cards

Eirôneia

Geveinsde onwetendheid door Socrates om zijn gesprekspartners tot zelfonthulling en nadenken te dwingen.

37
New cards

Isêgoria

Het gelijke recht om in het openbaar te spreken en deel te nemen aan het debat; verbonden met de Atheense democratie.

38
New cards

Sofisme

De leer van betaalde leraren in de retorica (5e5\text{e} eeuw v.C.); later ook gebruikt voor schijnredeneringen.

39
New cards

Aretê

Deugd of voortreffelijkheid; bij sofisten onderwijsbaar geacht, bij Socrates specifiek gericht op morele voortreffelijkheid.

40
New cards

Socratisch intellectualisme

De opvatting dat deugd gelijkstaat aan inzicht: wie het goede echt begrijpt, handelt er ook naar; kwaad komt door onwetendheid.

41
New cards

Zôon logon echon

De definitie van de mens als een wezen dat over logos (rede/taal) beschikt; verbonden met Aristoteles.

42
New cards

Epistêmê

Wetenschappelijke of ware kennis van het onveranderlijke; verbonden met de filosofie van Plato.

43
New cards

Dialektiek

Methode van tegensprekelijk denken om via begripsonderscheiding tot een definitie te komen; verbonden met Plato en Socrates.

44
New cards

Objectivisme

De opvatting dat ware kennis correspondeert met een objectieve werkelijkheid; kernpunt in de filosofie van Plato.

45
New cards

Anamnese

Het principe van herinnering waarbij de ziel kennis opdiept die zij reeds bezat; verbonden met Plato.

46
New cards

Demiurg

De goddelijke 'werker' die de materie ordent naar het voorbeeld van de Ideeën; beschreven door Plato in de Timaeus.

47
New cards

Wereldziel

De kosmische ziel die de wereld levend en rationeel maakt; een begrip uit de natuurfilosofie van Plato.

48
New cards

Logistikon

Het redelijke deel van de menselijke ziel dat moet leiden; verbonden met de zielenleer van Plato.

49
New cards

Thymoeides

Het moedige of wilskrachtige deel van de ziel; verbonden met Plato.

50
New cards

Epithymêtikon

Het begerende of zinnelijke deel van de ziel gericht op lichamelijke verlangens; verbonden met Plato.

51
New cards

Spiritualisme

De opvatting dat de ziel een onstoffelijke natuur heeft die niet herleidbaar is tot het lichaam; verbonden met Plato.

52
New cards

Praxis versus poiêsis

Handelen waarbij de waarde in de handeling zelf ligt (praxis) tegenover maken waarbij de waarde in het resultaat ligt (poiêsis); onderscheid door Aristoteles.

53
New cards

Passief intellect

Het vermogen van de ziel om indrukken en vormen te ontvangen; verbonden met Aristoteles.

54
New cards

Actief intellect

Het vermogen tot abstractie dat de algemene vorm onttrekt aan zintuiglijke zaken; verbonden met Aristoteles.

55
New cards

Categorie

Een fundamentele zijnswijze of soort predicaat (zoals substantie, kwaliteit of tijd); kernonderdeel van de logica van Aristoteles.

56
New cards

Substantie

Datgene wat op zichzelf bestaat en als drager van eigenschappen dient; het centrale begrip in de metafysica van Aristoteles.

57
New cards

Substantieel predicaat

Een predicaat dat een essentieel kenmerk uitdrukt van wat iets is; verbonden met de aristotelische essentieleer.

58
New cards

Accidens

Ook wel symbebêkoton; een bijkomstige eigenschap die niet noodzakelijk is voor het wezen van een ding. Verbonden met Aristoteles.

59
New cards

Praedicabilia

De vijf manieren van prediceren: genus, species, differentia specifica, proprium en accidens; aristotelische logica later verbreid via Porphyrius.

60
New cards

Differentia specifica

Het wezenlijke verschil dat een soort binnen een genus onderscheidt; term uit de logica van Aristoteles.

61
New cards

Proprium

Een eigenschap die eigen is aan één soort maar niet essentieel is voor de definitie ervan; aristotelisch begrip.

62
New cards

Syllogisme

De klassieke aristotelische redeneervorm waarbij uit twee premissen noodzakelijk een conclusie volgt.

63
New cards

Middenterm

De term die in beide premissen van een syllogisme voorkomt en de verbinding legt; essentieel in de logica van Aristoteles.

64
New cards

Substantiële beweging

Het ontstaan en vergaan: de overgang van niet-zijn naar zijn of omgekeerd; een van de vier bewegingsvormen bij Aristoteles.

65
New cards

Finalisme

De opvatting dat natuurlijke processen doelgericht zijn; typerend voor het wereldbeeld van Aristoteles.

66
New cards

Teleologie

De leer dat de natuur gestructureerd wordt door doelgerichtheid en de actualisering van vorm; kernidee van Aristoteles.

67
New cards

Hylemorfisme

De metafysische leer dat concrete dingen bestaan uit een eenheid van stof (hyle^hylê) en vorm (morphe^morphê); typerend voor Aristoteles.

68
New cards

Prohairesis

Bewuste keuze of wilsbesluit als bron van morele verantwoordelijkheid; verbonden met de ethiek van Aristoteles.

69
New cards

Phronêsis

Praktische wijsheid: het vermogen om in concrete situaties moreel juist te oordelen; centrale deugd bij Aristoteles.

70
New cards

Politeia

Een gemengde staatsvorm gericht op het algemeen belang; begrip uit de politieke filosofie van Aristoteles.

71
New cards

Kosmopolitisme

De visie dat de mens wereldburger is en lid van een universele menselijke gemeenschap; centraal in de Stoa.

72
New cards

Ataraxie

Toestand van onverstoorbare gemoedsrust; het hoogste geluksideaal in het epicurisme en scepticisme.

73
New cards

Autarkeia

Zelfgenoegzaamheid of onafhankelijkheid van externe zaken voor geluk; ideaal van de stoïcijnse wijze.

74
New cards

Apatheia

Vrijheid tegenover passies en innerlijke beheersing; centraal begrip in het stoïcisme.

75
New cards

Oikeiôsis

Het proces van natuurlijke zelfherkenning en toe-eigening van de eigen natuur; verbonden met de ethiek van de Stoa.

76
New cards

To kathêkon

De 'passende handeling' die in overeenstemming is met onze natuur; een begrip uit de stoïcijnse leer.

77
New cards

To kathortoma

De volkomen deugdelijke handeling die voortkomt uit volledig inzicht; verbonden met de wijze in de Stoa.

78
New cards

Sympathia moralis

Universele morele verbondenheid tussen mensen; vooral benadrukt in het Romeinse stoïcisme.

79
New cards

Humanitas-ideaal

Het ideaal van menselijke waardigheid en broederlijkheid; verbonden met het stoïcijnse kosmopolitisme.

80
New cards

Theologie

De systematisering van geloofsinhoud met filosofische middelen; verbonden met de patristiek (bijv. Origenes).

81
New cards

Apologetiek

De rationele verdediging van het christelijk geloof tegen heidense kritiek; verbonden met auteurs zoals Justinus.

82
New cards

Concilie van Nicaea

Concilie in 325325 dat de christelijke orthodoxie en het credo (Triniteit en menswording) vastlegde.

83
New cards

Philosophia christiana

Filosofie als levenswijsheid ingebed in de christelijke openbaring; kernbegrip bij Augustinus.

84
New cards

Isagôgê

Een inleiding op de Categorieën van Aristoteles door Porphyrius, later cruciaal voor de middeleeuwse logica via Boëthius.

85
New cards

Prohodos

Het neoplatonische proces waarbij de werkelijkheid voortvloeit uit het Ene; verbonden met Plotinus.

86
New cards

Epistrophê

De terugkeer van de werkelijkheid naar haar oorsprong, het Ene; kernbegrip van Plotinus.

87
New cards

Emanatie

De leer dat de werkelijkheid noodzakelijk en eeuwig uit het hoogste beginsel voortvloeit; typerend voor het neoplatonisme.

88
New cards

Katharsis

Zuivering van de ziel en losmaking van het lichaam; krijgt een filosofisch-spirituele invulling bij Plotinus.

89
New cards

Illuminatie

De leer dat God eeuwige waarheden in de menselijke geest verlicht; kernbegrip in de kennisleer van Augustinus.

90
New cards

Exemplarisme

De leer dat God eeuwige ideeën als modellen voor de schepping beschouwt; verbonden met Augustinus.

91
New cards

Rationes seminales

Kiemvormen door God in de schepping gelegd voor latere ontwikkeling; verbonden met Augustinus.

92
New cards

Noölogisch godsbewijs

Een godsbewijs gebaseerd op de menselijke kennis van noodzakelijke waarheden; verbonden met Augustinus.

93
New cards

Creationisme

De antropologische leer dat de ziel bij elke geboorte door God uit het niets wordt geschapen; verbonden met Augustinus.

94
New cards

Traducianisme

De leer dat de ziel via menselijke voortplanting wordt doorgegeven; onderdeel van de discussies bij Augustinus.

95
New cards

Eschatologie

De leer over de voltooiing van de geschiedenis; verbonden met de lineaire geschiedenisvisie van Augustinus.

96
New cards

Artes liberales

De vrije wetenschappen (trivium en quadrivium) die de basis vormden van de middeleeuwse opleiding.

97
New cards

Artes mechanicae

De nutgerichte technieken en ambachten, onderscheiden van de intellectuele vrije kunsten in de middeleeuwen.

98
New cards

Trivium

Het taalkundige deel van de artes liberales: grammatica, retorica en dialectica.

99
New cards

Quadrivium

Het wiskundige deel van de artes liberales: rekenkunde, meetkunde, astronomie en muziek.

100
New cards

Nominalisme

De positie dat algemene begrippen enkel woorden zijn en niet naar reële entiteiten verwijzen; verbonden met Roscelin in de vroege scholastiek.