Diagnostisch Proces en Basismethoden

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/39

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Flitscarten voor de herhaling van het hoorcollege Diagnostisch Proces en bijbehorende diagnostische basismethoden en instrumenten.

Last updated 6:02 AM on 9/1/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

40 Terms

1
New cards

Diagnostiek

Het door en door leren kennen van een situatie van een cliënt om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen over adequate hulpverlening.

2
New cards

Neuropsychologisch onderzoek

Het afnemen van psychologische tests waarbij hypothesen en toetsen voortdurend worden bijgesteld op basis van de antwoorden die tijdens het onderzoek worden gevonden.

3
New cards

Diagnostisch scenario

De eerste voorlopige theorie over wat er aan de hand is met een patiënt, geformuleerd op basis van ordening van vragen en kennis over het probleem.

4
New cards

Biopsychosociaal model

Een theoretisch raamwerk bestaande uit biologische, psychologische en socioculturele lenzen om de gehele casus van de cliënt breed in kaart te brengen.

5
New cards

Ontwikkelingslens

Een aanvulling op het biopsychosociaal model die specifiek kijkt naar de voorgeschiedenis van het individu.

6
New cards

Onderkenning

De diagnostische basisvraag die gericht is op het vaststellen en beschrijven van wat de specifieke problemen of klachten van de cliënt zijn.

7
New cards

Verklaring

De diagnostische basisvraag die onderzoekt wat de problemen veroorzaakt, ontstaat of in stand houdt.

8
New cards

Predictie

De diagnostische basisvraag die zich richt op het voorspellen van het toekomstige verloop of de ontwikkeling van de problemen.

9
New cards

Indicatie

De diagnostische basisvraag die onderzoekt hoe de problemen verholpen kunnen worden en welke behandeling het meest passend is.

10
New cards

Evaluatie

De diagnostische basisvraag waarin wordt vastgesteld of de interventies de problemen voldoende hebben verholpen.

11
New cards

Criteriumgericht meten

Het vergelijken van de klachten of resultaten van een cliënt met een vooraf bepaalde vaste standaard of stoorniskenmerken.

12
New cards

Normgericht meten

Het vergelijken van de resultaten van een cliënt met de scores van een representatieve vergelijkingsgroep (normgroep).

13
New cards

Ipsatief meten

Het vergelijken van de huidige resultaten of klachten van een individu met de eigen prestaties op een eerder moment.

14
New cards

Locus op persoonsfactoren

Verklarende diagnostiek die zich richt op eigenschappen binnen de persoon zelf (zoals gevoeligheid voor geluiden) om gedrag te verklaren.

15
New cards

Locus op situatiefactoren

Verklarende diagnostiek die zich richt op factoren in de omgeving (zoals een overvolle klas) om het gedrag van een persoon te verklaren.

16
New cards

Synchrone conditie

Een factor of omstandigheid die tegelijkertijd met de problemen plaatsvindt en ermee samenhangt.

17
New cards

Diachrone conditie

Een factor of omstandigheid uit het verleden die voorafging aan de huidige problemen (zoals hechtingsstijl).

18
New cards

Inducerende conditie

Een specifieke gebeurtenis of voorval dat het probleem direct heeft veroorzaakt of uitgelokt (zoals gebeten worden door een hond).

19
New cards

Continuerende conditie

Een factor of mechanisme dat een bestaand probleem in stand blijft houden (zoals continue hyperfocus op gevaar).

20
New cards

Toetsingscriteria

Vooraf opgestelde criteria en cut-off scores om te bepalen wanneer een hypothese wordt aangenomen, ter voorkoming van confirmation bias.

21
New cards

Afstand en nabijheid

De professionele basishouding waarbij voldoende afstand wordt bewaard voor objectiviteit en voldoende nabijheid wordt geboden voor empathie en veiligheid.

22
New cards

Cultural Formulation Interview (CFI)

Een DSM-5-interview van 16 vragen om de invloed van cultuur op de gepresenteerde klachten en hulpverlening vanuit de cliënt te onderzoeken.

23
New cards

SCID-5-S/SCID-5-P

Structured Clinical Interview for DSM Disorders, gebruikt voor het verzamelen van informatie ten behoeve van DSM-classificaties via screeners en uitgebreide modules.

24
New cards

MINI

Mini International Neuropsychiatric Interview; een kort interview van 20 tot 30 minuten gericht op DSM/ICD-classificaties.

25
New cards

SCAN

Schedules for Clinical Assessment in Neuropsychiatry; een instrument voor het classificeren van klinische verschijnselen in vier groepen.

26
New cards

HONOS/HONOSCA

Health of the Nation Outcome Scales; een eenvoudig instrument met 4 schalen voor het beoordelen van het functioneren, geschikt voor ROM.

27
New cards

MATE

Meten van Addicties voor Triage en Evaluaties; vaststellen van cliëntkenmerken en verslavingsgeschiedenis ten behoeve van de indicatiestelling.

28
New cards

Y-BOCS

Yale-Brown Obsessive Compulsive Scale; een interview van 10 items en twee subschalen om de ernst van dwangverschijnselen te meten.

29
New cards

Behavioral Avoidance Test (BAT)

Een gestandaardiseerde observatiemethode voor vermijdingsgedrag bij angst met behulp van een lijst van moeilijke situaties geordend op moeilijkheidsgraad.

30
New cards

Sociale Situaties Interacties Test (SSIT)

Een gestandaardiseerde gedragsobservatie tijdens een rollenspel (bijvoorbeeld reageren op complimenten of kritiek).

31
New cards

NOSIE-30

Nurses Observation Scale for Inpatient Evaluation; een observatieschaal van 30 items en 7 subschalen voor klinische evaluatie van onder meer sociale vaardigheden.

32
New cards

BOP

Beoordelingsschaal voor Oudere Patiënten; een observatie-instrument met 35 items en 6 subschalen gericht op onder andere hulpbehoevendheid.

33
New cards

Expressed Emotion (EE)

Een maat gescoord op audiobanden via interview (CFI) of Five Minutes Speech Sample (FMSS) op kritiek, positiviteit en emotionele overbetrokkenheid, die terugval in psychopathologie voorspelt.

34
New cards

Ongestandaardiseerde observatie

Observatie van gedrag (zoals werkhouding en reactie op stress) tijdens testafname, welke niet direct dient om een hypothese te toetsen.

35
New cards

Gestandaardiseerde observatie

Een gestructureerde observatiemethode die specifiek wordt ingezet om een hypothese over iemands gedrag formeel te toetsen.

36
New cards

Leniency-effect

Een observatiebias waarbij bekenden of vrienden hoger of gunstiger worden ingeschat dan onbekenden.

37
New cards

Halo-effect

Een observatiebias waarbij men op basis van één algemene indruk ook andere eigenschappen of gedragingen beoordeelt.

38
New cards

Logicafout

Een beoordelingsfout waarbij gelijke oordelen worden gegeven op eigenschappen die in de gedachten van de beoordelaar logisch met elkaar verbonden zijn.

39
New cards

Contrastfout

Een observatiebias waarbij iemand tegengesteld wordt beoordeeld onder invloed van een voorgaande cliënt.

40
New cards

Neiging om extremen te vermijden

Een observatiebias waarbij de beoordelaar bij voorkeur gemiddelde scores toe-eent en uiterste waarden vermijdt.