1/39
Flitscarten voor de herhaling van het hoorcollege Diagnostisch Proces en bijbehorende diagnostische basismethoden en instrumenten.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Diagnostiek
Het door en door leren kennen van een situatie van een cliënt om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen over adequate hulpverlening.
Neuropsychologisch onderzoek
Het afnemen van psychologische tests waarbij hypothesen en toetsen voortdurend worden bijgesteld op basis van de antwoorden die tijdens het onderzoek worden gevonden.
Diagnostisch scenario
De eerste voorlopige theorie over wat er aan de hand is met een patiënt, geformuleerd op basis van ordening van vragen en kennis over het probleem.
Biopsychosociaal model
Een theoretisch raamwerk bestaande uit biologische, psychologische en socioculturele lenzen om de gehele casus van de cliënt breed in kaart te brengen.
Ontwikkelingslens
Een aanvulling op het biopsychosociaal model die specifiek kijkt naar de voorgeschiedenis van het individu.
Onderkenning
De diagnostische basisvraag die gericht is op het vaststellen en beschrijven van wat de specifieke problemen of klachten van de cliënt zijn.
Verklaring
De diagnostische basisvraag die onderzoekt wat de problemen veroorzaakt, ontstaat of in stand houdt.
Predictie
De diagnostische basisvraag die zich richt op het voorspellen van het toekomstige verloop of de ontwikkeling van de problemen.
Indicatie
De diagnostische basisvraag die onderzoekt hoe de problemen verholpen kunnen worden en welke behandeling het meest passend is.
Evaluatie
De diagnostische basisvraag waarin wordt vastgesteld of de interventies de problemen voldoende hebben verholpen.
Criteriumgericht meten
Het vergelijken van de klachten of resultaten van een cliënt met een vooraf bepaalde vaste standaard of stoorniskenmerken.
Normgericht meten
Het vergelijken van de resultaten van een cliënt met de scores van een representatieve vergelijkingsgroep (normgroep).
Ipsatief meten
Het vergelijken van de huidige resultaten of klachten van een individu met de eigen prestaties op een eerder moment.
Locus op persoonsfactoren
Verklarende diagnostiek die zich richt op eigenschappen binnen de persoon zelf (zoals gevoeligheid voor geluiden) om gedrag te verklaren.
Locus op situatiefactoren
Verklarende diagnostiek die zich richt op factoren in de omgeving (zoals een overvolle klas) om het gedrag van een persoon te verklaren.
Synchrone conditie
Een factor of omstandigheid die tegelijkertijd met de problemen plaatsvindt en ermee samenhangt.
Diachrone conditie
Een factor of omstandigheid uit het verleden die voorafging aan de huidige problemen (zoals hechtingsstijl).
Inducerende conditie
Een specifieke gebeurtenis of voorval dat het probleem direct heeft veroorzaakt of uitgelokt (zoals gebeten worden door een hond).
Continuerende conditie
Een factor of mechanisme dat een bestaand probleem in stand blijft houden (zoals continue hyperfocus op gevaar).
Toetsingscriteria
Vooraf opgestelde criteria en cut-off scores om te bepalen wanneer een hypothese wordt aangenomen, ter voorkoming van confirmation bias.
Afstand en nabijheid
De professionele basishouding waarbij voldoende afstand wordt bewaard voor objectiviteit en voldoende nabijheid wordt geboden voor empathie en veiligheid.
Cultural Formulation Interview (CFI)
Een DSM-5-interview van 16 vragen om de invloed van cultuur op de gepresenteerde klachten en hulpverlening vanuit de cliënt te onderzoeken.
SCID-5-S/SCID-5-P
Structured Clinical Interview for DSM Disorders, gebruikt voor het verzamelen van informatie ten behoeve van DSM-classificaties via screeners en uitgebreide modules.
MINI
Mini International Neuropsychiatric Interview; een kort interview van 20 tot 30 minuten gericht op DSM/ICD-classificaties.
SCAN
Schedules for Clinical Assessment in Neuropsychiatry; een instrument voor het classificeren van klinische verschijnselen in vier groepen.
HONOS/HONOSCA
Health of the Nation Outcome Scales; een eenvoudig instrument met 4 schalen voor het beoordelen van het functioneren, geschikt voor ROM.
MATE
Meten van Addicties voor Triage en Evaluaties; vaststellen van cliëntkenmerken en verslavingsgeschiedenis ten behoeve van de indicatiestelling.
Y-BOCS
Yale-Brown Obsessive Compulsive Scale; een interview van 10 items en twee subschalen om de ernst van dwangverschijnselen te meten.
Behavioral Avoidance Test (BAT)
Een gestandaardiseerde observatiemethode voor vermijdingsgedrag bij angst met behulp van een lijst van moeilijke situaties geordend op moeilijkheidsgraad.
Sociale Situaties Interacties Test (SSIT)
Een gestandaardiseerde gedragsobservatie tijdens een rollenspel (bijvoorbeeld reageren op complimenten of kritiek).
NOSIE-30
Nurses Observation Scale for Inpatient Evaluation; een observatieschaal van 30 items en 7 subschalen voor klinische evaluatie van onder meer sociale vaardigheden.
BOP
Beoordelingsschaal voor Oudere Patiënten; een observatie-instrument met 35 items en 6 subschalen gericht op onder andere hulpbehoevendheid.
Expressed Emotion (EE)
Een maat gescoord op audiobanden via interview (CFI) of Five Minutes Speech Sample (FMSS) op kritiek, positiviteit en emotionele overbetrokkenheid, die terugval in psychopathologie voorspelt.
Ongestandaardiseerde observatie
Observatie van gedrag (zoals werkhouding en reactie op stress) tijdens testafname, welke niet direct dient om een hypothese te toetsen.
Gestandaardiseerde observatie
Een gestructureerde observatiemethode die specifiek wordt ingezet om een hypothese over iemands gedrag formeel te toetsen.
Leniency-effect
Een observatiebias waarbij bekenden of vrienden hoger of gunstiger worden ingeschat dan onbekenden.
Halo-effect
Een observatiebias waarbij men op basis van één algemene indruk ook andere eigenschappen of gedragingen beoordeelt.
Logicafout
Een beoordelingsfout waarbij gelijke oordelen worden gegeven op eigenschappen die in de gedachten van de beoordelaar logisch met elkaar verbonden zijn.
Contrastfout
Een observatiebias waarbij iemand tegengesteld wordt beoordeeld onder invloed van een voorgaande cliënt.
Neiging om extremen te vermijden
Een observatiebias waarbij de beoordelaar bij voorkeur gemiddelde scores toe-eent en uiterste waarden vermijdt.