onregelmatige werkwoorden 1-3

0.0(0)
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/72

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced

No study sessions yet.

73 Terms

1
New cards

bakken, bakte, gebakken (hebben)

piec

2
New cards

barsten, barstte, gebarsten (zijn)

pękać

3
New cards

bedragen, bedroeg, bedragen (hebben)

wynosić

4
New cards

bedriegen, bedroog, bedrogen (hebben)

oszukać

5
New cards

beginnen, begon, begonnen (zijn)

zaczynać

6
New cards

begrijpen, begreep, begrepen (hebben)

rozumieć

7
New cards

bevallen, beviel, bevallen (zijn)

cieszyć

8
New cards

bevelen, beval/bevalen, bevolen (hebben)

rozkazywać

9
New cards

bewegen, bewoog, bewogen (hebben)

ruszać

10
New cards

bezoeken, bezocht, bezochten (hebben)

odwiedzać

11
New cards

bidden, bad/baden, gebeden

modlić się

12
New cards

bieden, bood, geboden (hebben)

oferować

13
New cards

bijten, beet, gebeten (hebben)

gryźć

14
New cards

binden, bond, gebonden (hebben)

wiązać

15
New cards

blazen, blies/bliezen, geblazen (hebben)

dmuchać

16
New cards

blijken, bleek, gebleken (zijn)

okazać się

17
New cards

blijven, bleef/bleven, gebleven (zijn)

zostać

18
New cards

braden, braadde, gebraden (hebben)

smażyć

19
New cards

breken, brak/braken, gebroken (zijn/hebben)

łamać

20
New cards

brengen, bracht, gebracht (hebben)

przynieść

21
New cards

buigen, boog, gebogen (hebben)

zgiąć

22
New cards

denken, dacht, gedacht (hebben)

mysleć

23
New cards

doen, deed, gedaan (hebben)

robić

24
New cards

dragen, droeg, gedragen (hebben)

nosić

25
New cards

drijven, dreef/dreven, gedreven (zijn/hebben)

jeździć

26
New cards

drinken, dronk, gedronken (hebben)

pić

27
New cards

duiken, dook, gedoken (zijn/hebben)

nurkować

28
New cards

durven, durfde/dorst, gedurfd (hebben)

odważyć się

29
New cards

dwingen, dwong, gedwongen (hebben)

zmuszać

30
New cards

ervaren, ervoer/ervaarde, ervaren (hebben)

doświadczyć

31
New cards

eten, at/aten, gegeten (hebben)

jeść

32
New cards

fluiten, floot, gefloten (hebben)

gwizdać

33
New cards

gaan, ging, gegaan (zijn)

iść

34
New cards

gelden, gold, gegolden (hebben)

dotyczyć

35
New cards

genezen, genas/genazen, genezen (zijn/hebben)

wyzdrowieć

36
New cards

genieten, genoot, genoten (hebben)

rozkoszować się

37
New cards

geven, gaf/gaven, gegeven (hebben)

dawać

38
New cards

gieten, goot, gegoten (hebben)

lać

39
New cards

glijden, gleed, gegleden (zijn/hebben)

ślizgać się

40
New cards

grijpen, greep, gegrepen (hebben)

chwycić

41
New cards

hangen, hing, gehangen (hebben)

wisieć

42
New cards

hebben, had, gehad (hebben)

mieć

43
New cards

helpen, hielp, geholpen (hebben)

pomagać

44
New cards

heten, heette, geheten (hebben)

nazywać się

45
New cards

houden, hield, gehouden (hebben)

trzymać

46
New cards

kiezen, koos/kozen, gekozen (hebben)

wybierać

47
New cards

kijken, keek, gekeken (hebben)

patrzeć

48
New cards

klimmen, klom, geklommen (zijn/hebben)

wspinać się

49
New cards

klinken, klonk, geklonken (hebben)

brzmieć

50
New cards

komen, kwam/kwamen, gekomen (zijn/hebben)

przychodzić

51
New cards

kopen, kocht, gekocht (hebben)

kupować

52
New cards

krijgen, kreeg, gekregen (hebben)

dostać

53
New cards

krimpen, kromp, gekrompen (zijn)

zmniejszać/kurczyć się

54
New cards

kruipen, kroop, gekropen (zijn/hebben)

pełzać/czołgać się

55
New cards

kunnen, kon/konden, gekund (hebben)

móc, potrafić

56
New cards

lachen, lachte, gelachen (hebben)

smiać się

57
New cards

laden, laddee, geladen (hebben)

ładować

58
New cards

laten, liet, gelaten (hebben)

pozwolić

59
New cards

lezen, las/lazen, gelezen (hebben)

czytać

60
New cards

liegen, loog, gelogen (hebben)

kłamać

61
New cards

liggen, lag/lagen, gelegen (hebben)

leżeć

62
New cards

lijden, leed, geleden (hebben)

cierpieć

63
New cards

lijken, leek, geleken (hebben)

wydawać się

64
New cards

lopen, liep, gelopen (zijn/hebben)

chodzić

65
New cards

malen, maalde, gemalen (hebben)

mielić

66
New cards

meten, mat/maten, gemeten (hebben)

mierzyć

67
New cards

moeten, moest, gemoeten (hebben)

musieć

68
New cards

mogen, mocht, gemogen (hebben)

mieć pozwolenie

69
New cards

nemen, nam/namen, genomen (hebben)

wziąć

70
New cards

ontwerpen, ontwierp, ontworpen (hebben)

planować/projektować

71
New cards

opschieten, schoot op, opgeschoten (zijn/hebben)

pośpieszyć się

72
New cards

opwinden (zich), wond op, opgewonden (hebben)

podniecać, napinać

73
New cards

overlijden, overleed, overleden (zijn)

umierać