1/22
Een set vocabulaire-flashcards gericht op de geschiedenis, theoretische modellen, fysiologische en genetische correlaten en klinische toepassingen van temperament en persoonlijkheid.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Temperament
Constitutioneel gebaseerde individuele verschillen in emotionele, motorische en aandachtsreactiviteit en zelfregulatie, die consistentie vertonen over situaties en relatieve stabiliteit over de tijd.
Persoonlijkheid
Een breder en meer inclusief construct dan temperament, dat onder meer houdingen, zelfconcept en biologisch gebaseerde dimensies omvat die zich gedurende het leven ontwikkelen.
Typologie van Vindician
Een klassieke Grieks-Romeinse typologie die vier temperamenttypen koppelde aan lichaamsvloeistoffen: Melancholisch (zwarte gal), Cholerisch (gele gal), Sanguinisch (bloed) en Flegmatisch (flegma).
Big Five (Vijffactorenmodel)
Een veelgebruikt model van de volwassen persoonlijkheidsstructuur bestaande uit vijf brede factoren: Openness, Conscientiousness, Extraversion, Agreeableness en Neuroticism.
New York Longitudinal Study (NYLS)
Een pioniersstudie door Thomas en Chess waarin negen temperamentdimensies werden geïdentificeerd en kinderen werden gecategoriseerd in 'difficult', 'easy' en 'slow-to-warm-up'.
Goodness-of-fit
De mate waarin de temperamentele eigenschappen van een kind aansluiten bij de eisen, verwachtingen en opvoedingsstijl van de ouders en omgeving.
Reactiviteit (Rothbart)
De latentie, stijgtijd, intensiteit en duur van een fysiologische, motorische of emotionele respons op stimulatie.
Zelfregulatie (Rothbart)
Processen die dienen om temperamentele reactiviteit te moduleren, waaronder gedragsmatige benadering, inhibitie, terugtrekking en executieve aandacht.
Negatieve Emotionaliteit (Negative Affectivity)
Een overkoepelende temperamentfactor die de neiging om angst, woede, frustratie, verdriet en fysiek ongemak te ervaren en te uiten omvat.
Surgency (Positieve Emotionaliteit)
Een temperamentfactor die zich voornamelijk uit in hoge activiteit, enthousiasme, sociabiliteit, het zoeken van intense stimulatie en het benaderen van nieuwe situaties.
Effortful Control (Doelgerichte controle)
De regulatieve temperamentfactor die de capaciteit omvat om een dominante respons te onderdrukken ter uitvoering van een subdominante respons, gekoppeld aan executieve aandachtsfuncties.
Orienting Sensitivity
Een temperamentdimensie bij volwassenen die de neiging meet om subtiele omgevings- en lichamelijke prikkels op te merken en spontane cognitieve inhoud te ervaren; sterk gerelateerd aan Openness.
Gedragsinhibitie (Behavioral Inhibition)
Een door Jerome Kagan beschreven temperamentconstruct dat gedefinieerd wordt als de neiging tot aarzeling, voorzichtigheid of angst bij het benaderen van onbekende objecten, mensen of situaties.
Sensory Processing Sensitivity (SPS)
Een genetisch gebaseerde dispositie, beschreven door Aron en Aron, die gekenmerkt wordt door een diepere en meer verfijnde cognitieve verwerking van stimuli en verhoogde emotionele reactiviteit.
Highly Sensitive Person (HSP) Scale
Een vragenlijst bestaande uit 27 items, ontwikkeld door Aron en Aron ter meting van Sensory Processing Sensitivity.
Respiratory Sinus Arrhythmia (RSA)
Een fysiologische indicator van hartslagvariabiliteit tijdens de ademhaling die de parasympathische vagale invloed weergeeft en dient als maat voor emotionele reactiviteit en regulatie.
Vagale rem (Vagal Brake)
Het fysiologische mechanisme waarbij snelle inhibitie en disinhibitie van de vagale toon aan het hart het individu snel kan mobiliseren of kalmeren.
Frontale EEG-asymmetrie
Een patroon van hersenactiviteit in rust waarbij relatief grotere rechter frontale activatie gekoppeld is aan terugtrekgedrag en angst, en linker frontale activatie aan benaderingsgedrag en positieve emoties.
Developmental Niche
Het door Super en Harkness ontwikkelde concept voor de interface tussen kind en cultuur, bestaande uit opvoedingsgebruiken, fysieke/sociale instellingen en ouderlijke ethnotheorieën.
Differential Susceptibility (Differentiële gevoeligheid)
Het concept van Belsky en Pluess dat individuen met specifieke temperamentele kenmerken gevoeliger zijn voor zowel de negatieve effecten van een slechte omgeving als de positieve effecten van een ondersteunende omgeving.
Homotypische continuïteit
De continuïteit en stabiliteit van hetzelfde of vergelijkbaar waarneembaar gedrag over de tijd.
Heterotypische continuïteit
De continuïteit van een onderliggend temperamenteel proces over de tijd, waarvan de uiterlijke gedragsuitingen veranderen naargelang de ontwikkelingsfase.
Therapygenetics
Het onderzoeksgebied dat bestudeert hoe genetische variaties (zoals het korte allel van het 5-HTTLPR-gen) de reactie op en effectiviteit van psychotherapeutische behandelingen beïnvloeden.