1/208
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
disruptie
een radicale, onoverkomelijk plotse verandering, bijvoorbeeld via genetische mutatie.
zone van Broca
voor spraakformatie.
zone van Wernicke
voor taalbegrip.
continuiteitshypothese
bij de biologisch evolutionaire aanpak voor het onderzoek naar het ontstaan van taal
culturele transmissie (Michael Tomasello)
de nieuwe levensvorm van de homo sapiens stamt niet uit louter fysieke evolutie maar uit culturele transmissie
sociale epistemologie
het sociale aspect van cultuur vermijdt dat iedereen altijd zelf alles moet ontdekken en op risico van eigen leven moet experimenteren
intentioneel altruïstisch gedrag (Tomasello)
men bezorgt informatie aan iemand waarvan we denken dat die ze nodig heeft.
process-oriented
mensenbaby's imiteren niet in de eerste plaats met de bedoeling snel naar het doel te gaan, maar wel met de bedoeling zo getrouw mogelijk de informatie of procedure te kopiëren.
cumulatief (cultureel) leren
informatie of cultuur systematisch verder opbouwen zodat niet iedereen afzonderlijk van nul moet beginnen, maar kennis kan doorgeven en specialiseren.
cultural intelligence (Tomasello)
natuurlijke menselijke predispositie om informatie te willen opvangen van andere mensen
het ratchet-effect/het pal-effect
taal voorkomt dat informatie verloren gaat
interaction engine (Stephen Levinson)
de natuurlijke aanleg om met mensen te interageren, bestaande uit gedeelde intentionaliteit, coöperatief gedrag en duidelijke interactie.
dyadische interactie
interactie met een ander mens of object.
monadische interactie
iets of iemand stuurt een signaal uit ongeacht of er iemand aanwezig is die het signaal kan oppikken en decoderen.
triadische interactie
interactie tussen twee mensen en een object waarbij informatie kan worden uitgewisseld over dat object.
reciprocity of perspectives (Edmond Husserl)
zich in iemands situatie kunnen verplaatsen
stance sharing
je eigen perspectief op bepaalde feiten weergeven of verkondigen.
socialisatie
coöperatief gedrag vertonen en participeren in normen en gedragingen van een groep omdat men als volwaardig groepslid aanvaard wil worden.
speech act
bij een conversatie voorbereidend werk doen om te antwoorden door te voorspellen of iets een mededeling, vraag, verzoek enzovoort is.
sociolinguïstiek
taal wordt gezien als een middel waarmee een individu zich uitdrukt in een specifieke context.
taalgemeenschap
een groep waarvan de leden dezelfde taal spreken.
peer-group
de groep van je gelijken of lotgenoten.
primaire socialisatie
via taal associëren we ons met anderen in een eerste sociaal netwerk, namelijk dat van familie of gezin.
secundaire socialisatie
socialisatie met groepen buiten het thuisdomein.
sociale constructie
we leren van elkaar hoe we talen of variëteiten moeten evalueren.
culturele adaptatie
snelle aanpassing via cultuur waarbij taal cumulatief cultureel leren mogelijk maakt en informatie helpt delen, aanpassen en doorgeven.
in-group
de wij-groep, de groep waartoe je jezelf rekent.
out-group
de zij-groep, de groep waartoe anderen behoren en jij niet.
common bond
verbanden die de leden van een sociale groep met elkaar hebben.
common identity
de leden van een sociale groep zijn verbonden rond een bepaalde identiteit die tevens hun doelstelling vormt.
entitativiteit
de mate waarin een sociale groep homogeen, coherent, gestructureerd en duidelijk afgebakend is.
sociale identiteit
de collectieve identiteit die mee bepaald wordt door groepen waarvan iemand deel uitmaakt.
in-group favouritism
voorkeur voor de eigen groep binnen group saliency.
intersectionaliteit
of kruispuntdenken.
sprekersgemeenschap
een groep die zichzelf identificeert aan de hand van gedeelde taalkundige normen.
jointly negotiated enterprise
een doel dat in gezamenlijk overleg werd afgesproken.
mutual engagement
leden van een praktijkgemeenschap nemen bewust en wederzijds deel aan een gezamenlijke activiteit.
shared repertoire
gedeelde middelen, gewoonten, jargon of andere kenmerken binnen een praktijkgemeenschap.
legitimate peripheral participation
sociale leertheorie waarbij novices zich meer fouten mogen veroorloven binnen een community of practice dan experts.
sociale netwerken
brengen de dynamiek van sociale contacten in kaart vanuit het individu.
core network members
leden met een belangrijke status binnen iemands sociaal netwerk, zoals familie en hechte vrienden.
secondary network members
leden met een lagere status binnen het sociaal netwerk.
peripheral network members
leden die amper belang hebben voor het individu.
multiplex ties
complexe relaties waarbij mensen op meerdere manieren met elkaar verbonden zijn.
dense netwerk
een netwerk waarin ieder lid alle andere leden kent.
loose netwerk
een netwerk waarin contacten deels via tussenpersonen verlopen.
sociologische groep
een groep gebaseerd op gedeelde identitaire eigenschappen of criteria, zonder dat de leden noodzakelijk met elkaar in contact staan.
sociolect
een taalvariant die typisch is voor een bepaalde sociologische groepering.
we-code
taalcode die geassocieerd wordt met de eigen groep.
they-code
taalcode die geassocieerd wordt met een andere groep.
domein
een combinatie van locatie, participanten, topic en functie van talige en andere handelingen.
talige socialisatie
het proces waarbij men niet alleen taalvormen leert, maar ook wanneer en hoe men ze gebruikt en interpreteert.
taal
een historisch ontwikkeld systeem van tekens dat geluiden en betekenissen op arbitraire conventionele wijze koppelt en waarmee mensen doelbewust communiceren.
diachrone taalvariatie
taalgebruik dat verschilt en verandert onder invloed van tijd.
diatope taalvariatie
geografische taalvariatie.
situationele taalvariatie
registervariatie die sterk contextgebonden is.
sociale taalvariatie
taalvariatie die verbonden kan worden aan een sociale groep.
stereotypes
typische variatiefenomenen waarvan sprekers zich goed bewust zijn en die gemakkelijk geïmiteerd worden.
markers
taalvormen die sprekers meer gebruiken in bepaalde situationele contexten dan in andere.
indicatoren
taalvormen waarvan sprekers zich meestal niet bewust zijn dat ze die gebruiken.
variëteiten
stabiele verzamelingen van taalvarianten die door specifieke factoren worden getriggerd.
varianten
elementen die kunnen variëren.
language management (Spolsky)
talen worden volgens Spolsky gemanaged door externe factoren of managers die de keuzes van sprekers regelen of beperken.
taalbeleid/language policy
het geheel van taalpraktijken, taalovertuigingen en expliciete sturing door managers.
manager
een actor of factor die taalregels uitvaardigt, variëteiten verbiedt of taalgebruik beïnvloedt.
taalpraktijken
de effectief observeerbare talige praktijken, zoals welke talen met wie gesproken worden.
taalovertuigingen
attitudes en ideologieën die sprekers hebben tegenover talen en variëteiten.
gemeenschapsmeertaligheid
meertaligheid berekend voor een gehele gemeenschap of land.
individuele meertaligheid
meertaligheid op het niveau van het individu.
taalgrens
een vastgelegde grens tussen taalgebieden waar een andere taalpolitiek geldt.
faciliteiten
uitzonderingen op de algemene taalwetgeving voor bepaalde gemeenten.
faciliteitsgemeenten
gemeenten waar inwoners officiële documenten in een andere taal kunnen ontvangen.
standaardisering
het proces waarbij een taal expliciete normen ontwikkelt via grammatica's, woordenboeken en instituten.
codificatie
het vastleggen van taalnormen en taalvormen.
elaboration/normontwikkeling
de ontwikkeling en uitbreiding van een standaardtaal.
vitaliteit
de mate waarin een taal status, aanzien en institutionele ondersteuning heeft.
autonomie
het hebben van een eigen afgesloten regelsysteem als taal.
heteronomie
het volgen van de regels van een andere taal of standaardtaal.
a language is a dialect with an army and a navy (Max Weinreich)
uitspraak die wijst op de machtsverhouding tussen standaardtalen en dialecten.
stabiliteit van een taalvorm
de mate waarin een taalvorm behouden blijft door normering en sanctionering van afwijkende vormen.
formeel prestige
prestige dat verbonden is aan gestandaardiseerde en genormeerde taalvormen.
dialect, language, nation (Einar Haugen)
model dat de ontwikkeling van een standaardtaal beschrijft via selectie, codificatie, implementatie en elaboratie.
selectie
fase waarin de status van een taal wordt bepaald.
implementatie
fase waarin een taalvorm maatschappelijk wordt ingevoerd.
statutory national language
officieel erkende nationale standaardtaal die gebruikt wordt in de administratie maar niet noodzakelijk identitair is.
de facto language of national identity
taal die door burgers als identiteitstaal wordt erkend maar geen officiële status heeft.
supranationale talen
wereldtalen die op verschillende continenten gebruikt worden.
statutory national working language
officieel erkende handelstaal die niet noodzakelijk de identiteitstaal van het volk is.
daktaal/roofing language (Heinz Kloss)
standaardtaal die verschillende dialecten overspant.
ausbausprache (Heinz Kloss)
dialect dat via normering wordt uitgebouwd tot standaardtaal.
afstandstaal
prestigieuze taal die uit een ander taalgebied werd geïmporteerd.
diglossie (Ferguson)
maatschappelijke tweetaligheid waarbij twee variëteiten in duidelijk afgebakende situaties worden gebruikt.
high language
de standaardtaal binnen een diglossische situatie.
low language
de dialectvorm binnen een diglossische situatie.
microdiglossie
diglossie met enkel high language en low language.
macrodiglossie
diglossie met high language, middle language en low language.
middle language
tussentaal tussen dialect en standaardtaal.
diaglossie (Auer)
continuüm van variëteiten waarbij standaardtaal en dialect gradueel in elkaar overlopen.
destandaardisering
proces waarbij standaardtaal regionale kenmerken opneemt.