1/20
Deze flashcards dekken de kernconcepten van hoofdstuk 7 over de boekhoudkundige verwerking van vaste activa, inclusief waardering, afschrijvingsmethoden, herwaarderingen en leasing.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Niet-financiële vaste activa
Activa in bezit voor een lange periode ter ondersteuning van productie en verkoop van goederen en diensten, niet bestemd voor verkoop in het kader van de normale bedrijfsactiviteit.
Aanschaffingswaarde
De aankoopprijs van een actief plus de bijkomende kosten.
Vervaardigingsprijs
De waarde van een zelf geproduceerd actief, waarbij gekozen kan worden tussen de integrale of variabele kostprijsmethode.
Inbrengwaarde
De waarde van een inbreng in natura door een aandeelhouder.
Matching-principe (overeenstemming)
Het principe waarbij kosten worden gespreid over de gebruiksduur, zijnde de periode waarin de opbrengsten van het actief worden gerealiseerd.
Lineaire afschrijvingen
Een methode waarbij de afschrijvingen gelijk zijn in elke periode, gebaseerd op de filosofie dat vaste activa in elke periode dezelfde opbrengsten genereren.
Degressieve afschrijvingen
Een methode waarbij de afschrijvingen afnemen over de tijd, gebaseerd op de filosofie dat activa in de eerste periodes meer opbrengsten genereren of ter compensatie van hogere onderhoudskosten later.
Jaarlijkse lineaire afschrijving (formule)
AFS=1/n×(AW−RW), waarbij n de gebruiksduur is, AW de aanschaffingswaarde en RW de restwaarde.
Double Declining Balance (DDB)
Een degressieve methode waarbij de afschrijving 2/n×BW bedraagt zolang dit groter is dan de lineaire afschrijving op de aanschaffingswaarde minus restwaarde.
Sum-of-the-years’-digits (SYD)
Een methode waarbij de jaarlijkse afschrijving wordt berekend met de formule AFS=(n−t+1)/(2n)×(AW−RW) of vergelijkbare sommatie van jaren.
Afschrijvingsexcedent
Het verschil dat ontstaat wanneer de bedrijfseconomische afschrijvingen groter zijn dan de fiscaal toegestane afschrijvingen.
Niet-recurrente afschrijvingen
Verplichte afschrijvingen wanneer de gebruikswaarde of realisatiewaarde van een actief lager is dan de boekwaarde door gewijzigde economische of technologische omstandigheden.
Waardeverminderingen
Correcties op de boekwaarde van activa met een beperkte of onbeperkte gebruiksduur die nooit stelselmatig gebeuren.
Herwaarderingen
Een facultatieve boeking van een vaststaande en duurzame waardestijging die rechtstreeks via het eigen vermogen (herwaarderingsmeerwaarden) wordt verwerkt.
Minderwaarde op realisatie
Het verlies dat geboekt wordt wanneer een actief wordt verkocht voor een prijs die lager is dan de boekwaarde.
Belastingvrije reserve (1320)
Een rekening die wordt gebruikt om een gerealiseerde meerwaarde tijdelijk te neutraliseren wanneer er een herbelegging plaatsvindt binnen 3 jaar.
Oprichtingskosten
Kosten verbonden aan de oprichting, kapitaalverhoging of herstructurering die over maximaal 5 jaar moeten worden afgeschreven.
Immateriële vaste activa (IVA)
Niet-fysieke activa zoals kosten van ontwikkeling, concessies, octrooien, licenties en goodwill.
Financiële overheersing bij leasing
Situatie waarbij de leasingnemer als bedrijfseconomische eigenaar het goed op de balans activeert omdat hij het meeste risico draagt.
Koopoptie bij leasing
Een contractuele bepaling waarbij de leasingnemer het goed kan verwerven, meestal tegen een prijs die ≤15% van de waarde van het goed bedraagt.
Sale & leaseback
Een constructie waarbij een onderneming een goed verkoopt aan een leasinggever om het vervolgens onmiddellijk terug te leasen als alternatieve vorm van financiering.