Kennis toets 2.7

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/163

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 4:01 PM on 7/2/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

164 Terms

1
New cards
Waar staat MOHO voor?
Model of Human Occupation.
2
New cards
Waarvoor wordt MOHO gebruikt?
Om te begrijpen hoe mensen deelnemen aan betekenisvolle activiteiten en welke factoren dit beïnvloeden.
3
New cards
Welke vier onderdelen heeft MOHO?
Volitie, habituatie, performance capacity en omgeving.
4
New cards
Wat betekent volitie?
De motivatie van iemand om activiteiten uit te voeren; bestaat uit persoonlijke causaliteit, waarden en interesses.
5
New cards
Waaruit bestaat volitie?
Persoonlijke causaliteit, waarden en interesses.
6
New cards
Wat betekent habituatie?
Gewoonten, routines en rollen die iemand in het dagelijks leven heeft.
7
New cards
Noem voorbeelden van rollen binnen habituatie.
Student, werknemer, ouder, sporter en mantelzorger.
8
New cards
Wat betekent performance capacity?
De lichamelijke en mentale mogelijkheden om activiteiten uit te voeren.
9
New cards
Welke factoren vallen onder de omgeving binnen MOHO?
Fysieke, sociale, culturele en economische omgeving.
10
New cards
Waarom is de omgeving belangrijk binnen MOHO?
De omgeving kan participatie stimuleren of juist belemmeren.
11
New cards
Waar staat ICF voor?
International Classification of Functioning, Disability and Health.
12
New cards
Welke onderdelen heeft het ICF?
Gezondheidsprobleem, lichaamsfuncties, anatomische eigenschappen, activiteiten, participatie, omgevingsfactoren en persoonlijke factoren.
13
New cards
Wat is het verschil tussen activiteit en participatie?
Activiteit is het uitvoeren van een taak; participatie is meedoen in de maatschappij.
14
New cards
Noem een voorbeeld van een activiteit.
Traplopen.
15
New cards
Noem een voorbeeld van participatie.
Werken als verpleegkundige.
16
New cards
Hoe definieert de ergotherapie arbeid?
Iedere betekenisvolle activiteit waarbij iemand een rol vervult, betaald of onbetaald.
17
New cards
Noem voorbeelden van arbeid.
Betaald werk, vrijwilligerswerk, stage, mantelzorg en studie.
18
New cards
Waarom is arbeid belangrijk?
Het draagt bij aan gezondheid, identiteit, sociale contacten, structuur en zingeving.
19
New cards
Wie ontwikkelde Positieve Gezondheid?
Machteld Huber.
20
New cards
Wat is Positieve Gezondheid?
Het vermogen om je aan te passen en eigen regie te voeren ondanks fysieke, mentale of sociale uitdagingen.
21
New cards
Noem de zes dimensies van Positieve Gezondheid.
Lichaamsfuncties, mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, meedoen en dagelijks functioneren.
22
New cards
Waarvoor wordt het Huis van Werkvermogen gebruikt?
Om duurzame inzetbaarheid van werknemers te beoordelen.
23
New cards
Uit hoeveel verdiepingen bestaat het Huis van Werkvermogen?
Vier.
24
New cards
Noem de vier verdiepingen van het Huis van Werkvermogen.
Gezondheid, competenties, waarden/motivatie/attitude en werk.
25
New cards
Waarom is gezondheid de fundering van het Huis van Werkvermogen?
Omdat zonder voldoende gezondheid de andere verdiepingen niet goed kunnen functioneren.
26
New cards
Waar staan de 4 A's voor?
Arbeidsinhoud, arbeidsomstandigheden, arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen.
27
New cards
Wat betekent arbeidsinhoud?
Welke werkzaamheden iemand uitvoert.
28
New cards
Wat betekenen arbeidsomstandigheden?
De omstandigheden waarin gewerkt wordt, zoals verlichting, temperatuur, geluid en werkhouding.
29
New cards
Wat zijn arbeidsvoorwaarden?
Loon, contract, werktijden, vakantiedagen en secundaire arbeidsvoorwaarden.
30
New cards
Wat zijn arbeidsverhoudingen?
De samenwerking tussen werknemer, collega's en leidinggevende.
31
New cards
Wat is professioneel redeneren?
Het onderbouwen van keuzes op basis van kennis, ervaring en de wensen van de cliënt.
32
New cards
Waarom is professioneel redeneren belangrijk?
Omdat interventies hierdoor beter aansluiten bij de cliënt en evidence-based zijn.
33
New cards
Waar staat WIA voor?
Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen.
34
New cards
Wanneer komt iemand in aanmerking voor de WIA?
Na twee jaar ziekte als terugkeer naar werk niet volledig mogelijk is.
35
New cards
Waarvoor is de Participatiewet bedoeld?
Mensen ondersteunen om mee te doen op de arbeidsmarkt.
36
New cards
Waarvoor is de Ziektewet bedoeld?
Inkomensvoorziening voor werknemers zonder werkgever tijdens ziekte.
37
New cards
Wat is de belangrijkste taak van de ergotherapeut binnen arbeid?
Mensen ondersteunen bij het behouden of hervatten van betekenisvol werk.
38
New cards
Noem drie werkzaamheden van een ergotherapeut binnen arbeid.
Werkplekonderzoek, energiemanagement en adviseren over hulpmiddelen.
39
New cards
Waarom analyseert een ergotherapeut eerst belasting en belastbaarheid?
Om overbelasting en uitval te voorkomen.
40
New cards
Welke ergotherapeutische interventie kies je bij iemand die snel vermoeid raakt tijdens werk?
Energiemanagement (pacing).
41
New cards
Welke interventie past bij iemand met een slechte werkhouding?
Ergonomisch werkplekadvies.
42
New cards
Welke interventie past bij iemand met chronische pijn?
Graded Activity.
43
New cards
Een cliënt heeft voldoende spierkracht maar durft zijn arm niet te gebruiken uit angst voor pijn. Welke behandeling past?
Graded Exposure of Graded Activity.
44
New cards
Een werknemer wil graag weer werken maar twijfelt of hij het aankan. Welke gesprekstechniek gebruik je?
Motiverende Gespreksvoering.
45
New cards
Een cliënt heeft moeite met plannen tijdens werkzaamheden na een CVA. Welk instrument gebruik je?
PRPP.
46
New cards
Is de WRI een observatie-instrument?
Nee, het is een interview.
47
New cards
Is MOHOST alleen geschikt voor arbeid?
Nee, het wordt gebruikt om het algemene functioneren in kaart te brengen.
48
New cards
Wie stelt de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op?
De verzekeringsarts.
49
New cards
Is de FML een behandelplan?
Nee, het is een overzicht van de belastbaarheid.
50
New cards
Wat is de belangrijkste boodschap van arbeid en gezondheid binnen de ergotherapie?
Niet de aandoening staat centraal, maar het mogelijk maken van betekenisvolle participatie in werk en andere activiteiten.
51
New cards
Waar staat FML voor?
Functionele Mogelijkhedenlijst.
52
New cards
Wie stelt de FML op?
De verzekeringsarts.
53
New cards
Waarvoor wordt de FML gebruikt?
Om de belastbaarheid van een werknemer vast te leggen en te beoordelen welk werk iemand nog kan uitvoeren.
54
New cards
Welke onderdelen worden beoordeeld in de FML?
Persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, fysieke belasting, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden.
55
New cards
Waar staat PRPP voor?
Perceive, Recall, Plan & Perform.
56
New cards
Waarvoor wordt de PRPP gebruikt?
Voor het analyseren van cognitieve problemen tijdens het uitvoeren van dagelijkse activiteiten.
57
New cards
Bij welke doelgroep wordt PRPP vaak gebruikt?
Mensen met cognitieve problemen, zoals na een CVA, NAH, dementie of Parkinson.
58
New cards
Waar staat Perceive voor binnen PRPP?
Informatie waarnemen en herkennen.
59
New cards
Waar staat Recall voor binnen PRPP?
Informatie onthouden en terughalen uit het geheugen.
60
New cards
Waar staat Plan voor binnen PRPP?
Een plan maken en de juiste volgorde bepalen.
61
New cards
Waar staat Perform voor binnen PRPP?
De activiteit daadwerkelijk uitvoeren en controleren.
62
New cards
Uit hoeveel fasen bestaat de PRPP-methode?
Twee fasen.
63
New cards
Wat gebeurt er in fase 1 van PRPP?
De uitvoering van een activiteit wordt geobserveerd.
64
New cards
Wat gebeurt er in fase 2 van PRPP?
De cognitieve strategieën worden geanalyseerd.
65
New cards
Waar staat WRI voor?
Worker Role Interview.
66
New cards
Waarvoor gebruik je de WRI?
Om psychosociale factoren die werkhervatting beïnvloeden in kaart te brengen.
67
New cards
Waarop is de WRI gebaseerd?
Op het MOHO-model.
68
New cards
Welke onderdelen onderzoekt de WRI?
Motivatie, rollen, gewoonten, omgeving en verwachtingen.
69
New cards
Is de WRI een observatie of een interview?
Een interview.
70
New cards
Waar staat MOHOST voor?
Model of Human Occupation Screening Tool.
71
New cards
Waarvoor wordt de MOHOST gebruikt?
Om het functioneren van een cliënt breed in kaart te brengen.
72
New cards
Welke onderdelen beoordeelt de MOHOST?
Motivatie, patronen van handelen, communicatie, procesvaardigheden, motorische vaardigheden en omgeving.
73
New cards
Wat is het verschil tussen de MOHOST en de WRI?
MOHOST is een observatie van algemeen functioneren, WRI is een interview gericht op werk.
74
New cards
Waarvoor staat WAI?
Work Ability Index.
75
New cards
Wat meet de Work Ability Index?
Het werkvermogen van een werknemer.
76
New cards
Waarom is de WAI belangrijk?
Om het risico op uitval en duurzame inzetbaarheid te beoordelen.
77
New cards
Wat is motiverende gespreksvoering?
Een cliëntgerichte gespreksstijl om motivatie voor gedragsverandering te vergroten.
78
New cards
Waar staat MI voor?
Motiverende Gespreksvoering (Motivational Interviewing).
79
New cards
Wat is het doel van motiverende gespreksvoering?
De intrinsieke motivatie van de cliënt versterken.
80
New cards
Welke vier basisvaardigheden horen bij motiverende gespreksvoering?
Open vragen, bevestigen, reflectief luisteren en samenvatten (ORBS/OARS).
81
New cards
Wat zijn open vragen?
Vragen waarop de cliënt niet met alleen ja of nee kan antwoorden.
82
New cards
Waarom gebruik je reflectief luisteren?
Om te laten merken dat je de cliënt begrijpt en om verdieping te krijgen.
83
New cards
Wat is verandertaal?
Uitspraken van de cliënt die wijzen op motivatie voor verandering.
84
New cards
Wat is behoudtaal?
Uitspraken die aangeven waarom iemand niet wil veranderen.
85
New cards
Waarom is verandertaal belangrijk?
Omdat het de kans op gedragsverandering vergroot.
86
New cards
Wat is weerstand volgens motiverende gespreksvoering?
Een signaal dat de hulpverlener moet aansluiten bij de cliënt in plaats van overtuigen.
87
New cards
Wat betekent job crafting?
Het zelf aanpassen van het werk om het beter aan te laten sluiten bij eigen kwaliteiten en behoeften.
88
New cards
Noem drie vormen van job crafting.
Taken aanpassen, relaties aanpassen en de betekenis van werk aanpassen.
89
New cards
Waarom is job crafting belangrijk?
Het verhoogt werkplezier, motivatie en duurzame inzetbaarheid.
90
New cards
Wat is pacing?
Het verdelen van activiteiten en rust om overbelasting te voorkomen.
91
New cards
Bij welke doelgroep wordt pacing vaak toegepast?
Mensen met chronische pijn of chronische vermoeidheid.
92
New cards
Wat is het doel van pacing?
Een goede balans vinden tussen belasting en belastbaarheid.
93
New cards
Wat is graded activity?
Het geleidelijk opbouwen van activiteiten volgens een tijdschema.
94
New cards
Wat is het doel van graded activity?
Het vergroten van functioneren ondanks pijn.
95
New cards
Wat is graded exposure?
Het stapsgewijs blootstellen aan activiteiten waarvoor iemand bang is.
96
New cards
Wanneer kies je graded exposure in plaats van graded activity?
Als angst voor bewegen of pijn de grootste belemmering is.
97
New cards
Wat is het verschil tussen graded activity en graded exposure?
Graded activity bouwt activiteiten op, graded exposure vermindert angst.
98
New cards
Wat is explain pain?
Een methode waarbij cliënten leren hoe pijn ontstaat en waarom pijn niet altijd weefselschade betekent.
99
New cards
Waarom werkt explain pain?
Het vermindert angst en vergroot het begrip van chronische pijn.
100
New cards
Wat is coping?
De manier waarop iemand omgaat met stress of problemen.