H4.2 Mitochondriaal DNA & nuclear transfer

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/35

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 2:01 PM on 8/15/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

36 Terms

1
New cards
Waarvoor staat mtDNA?
Mitochondriaal DNA.
2
New cards
Waar bevindt mtDNA zich?
In de mitochondriën.
3
New cards
Welke cellen bevatten volgens de cursus geen mtDNA?
Rode bloedcellen.
4
New cards
Wat is homoplasmie?
Alle mtDNA-kopieën hebben hetzelfde genotype.
5
New cards
Wat is heteroplasmie?
Er zijn verschillende mtDNA-genotypes in dezelfde cel.
6
New cards
Wat is mutation load?
Het percentage mutant mtDNA tegenover normaal mtDNA.
7
New cards
Wat betekent de mitochondriale threshold?
De mutatieload waarboven mitochondriale problemen kunnen ontstaan.
8
New cards
Is de mitochondriale threshold voor elke situatie hetzelfde?
Nee, hij hangt af van weefsel, mutatie en leeftijd.
9
New cards
Welke mtDNA-mutatieload wordt in de cursus als aanvaardbare grens vermeld?
18%.
10
New cards
Wat betekent maternale overerving van mtDNA?
mtDNA wordt via de moeder doorgegeven.
11
New cards
Van welke ouder krijgt een kind zijn mitochondriën?
Van de moeder.
12
New cards
Waarom kunnen kinderen van een heteroplasmische moeder verschillende risico's hebben?
Hun mtDNA-mutatieload kan verschillen.
13
New cards
Wat is het mitochondrial genetic bottleneck-principe?
Een moeder kan eicellen met sterk verschillende mtDNA-mutatieloads vormen.
14
New cards
Welke 4 reproductieve opties bij mtDNA-aandoeningen worden besproken? (4)
Donatie, prenatale diagnose, PGT-M en germline nuclear transfer.
15
New cards
Wat doet PGT-M bij een mtDNA-aandoening?
Embryo's selecteren met geen of een lage mutatieload.
16
New cards
Wanneer is PGT-M moeilijk of ongeschikt bij mtDNA-aandoeningen?
Bij homoplasmie of een hoge heteroplasmische mutatieload.
17
New cards
Welke techniek kan dan een alternatief zijn?
Nuclear transfer.
18
New cards
Wat is het doel van germline nuclear transfer bij mtDNA-aandoeningen?
Nucleair DNA behouden maar gezond donor-mtDNA gebruiken.
19
New cards
Wat is een three-parent embryo?
Nucleair DNA van de ouders met mtDNA van een donor.
20
New cards
Is germline nuclear transfer hetzelfde als kloneren/SCNT?
Nee.
21
New cards
Waarvoor staat SCNT?
Somatic Cell Nuclear Transfer.
22
New cards
Welke 4 vormen van germline nuclear transfer worden genoemd? (4)
GVT, MST, PNT en PBT.
23
New cards
Waarvoor staat MST?
MII Spindle Transfer.
24
New cards
Wat gebeurt bij MST?
Het spoelfiguur van de moeder wordt naar een ontkernde donoreicel met gezond mtDNA gebracht.
25
New cards
Wat gebeurt na MST met de gereconstrueerde eicel?
Ze wordt bevrucht, bijvoorbeeld via ICSI.
26
New cards
Waarvoor staat PNT?
Pronuclear Transfer.
27
New cards
Wat gebeurt bij PNT?
De pronuclei worden naar een donorzygote met gezond mtDNA overgebracht.
28
New cards
Op welk stadium gebeurt PNT?
Op zygotestadium na bevruchting.
29
New cards
Wat betekent enucleatie?
De kern of nucleaire structuur uit een cel verwijderen.
30
New cards
Wat is mtDNA carry-over?
Een kleine hoeveelheid mutant mtDNA die mee wordt overgebracht bij nuclear transfer.
31
New cards
Welke 3 belangrijke bezorgdheden bij nuclear transfer worden genoemd? (3)
Veiligheid, mtDNA carry-over en mito-nucleaire incompatibiliteit.
32
New cards
Wat betekent micromanipulatie?
Manipulatie van eicellen of embryo's met zeer fijne instrumenten.
33
New cards
Waarvoor is nuclear transfer in de eerste plaats bedoeld?
Overdracht van mitochondriale ziekten voorkomen.
34
New cards
Voor welke infertiliteitsproblemen wordt nuclear transfer ook onderzocht? (3)
Oöcytmaturatie-arrest, fertilisatiefalen en embryo-ontwikkelingsarrest.
35
New cards
Wat zijn ooplasmatische factoren?
Belangrijke factoren en eiwitten in het cytoplasma van de eicel.
36
New cards
Waarvoor zijn ooplasmatische factoren belangrijk? (3)
Eicelmaturatie, fertilisatie en vroege embryo-ontwikkeling.