1/25
Deze flashcards behandelen de belangrijkste begrippen en definities voor het Klein Vaarbewijs I examen op basis van de Broach cursus, inclusief BPR-definities, manoeuvreren en betonning.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Klein schip
Een schip met een lengte van minder dan 20m (met enkele uitzonderingen).
Groot schip
Een schip dat niet wordt aangemerkt als een klein schip.
Snelle motorboot
Een klein motorschip dat sneller kan varen dan 20km/h.
Snel schip
Een groot motorschip dat sneller kan varen dan 40km/h.
Passagiersschip
Een schip dat is bestemd voor het vervoer van meer dan 12 personen.
Zeilschip
Een schip dat uitsluitend door middel van zeilen wordt voortgestuwd.
Goed zeemanschap
De plicht om van de geldende regels af te wijken wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid te waarborgen en een aanvaring te voorkomen.
Wieleffect
De zijdelingse kracht van de schroef die het achterschip naar één kant duwt; bij een rechtse schroef in vooruit-stand wijkt het achterschip naar stuurboord.
Voorspring
Een landvast die van de kikker op het voorschip naar achteren op de kade loopt om voorwaartse beweging te voorkomen.
Achtersprong
Een landvast die van de kikker op het achterschip naar voren op de kade loopt om achterwaartse beweging te voorkomen.
Voortros
Een landvast die van de kikker op het voorschip naar voren op de kade loopt om het wegdrijven van het voorschip te voorkomen.
Achtertros
Een landvast die van de kikker op het achterschip naar achteren op de kade loopt om het wegdrijven van het achterschip te voorkomen.
SIGNI
Signalisatie de Voies de Navigation Intérieure; het betonningssysteem voor de meeste Nederlandse binnenwateren.
IALA
International Association of Lighthouse Authorities; het betonningssysteem voor open zee en getijdenwateren zoals de Waddenzee.
Rechteroever (SIGNI)
De zijde van het vaarwater die in de betonningsrichting (met de stroom mee) rood is, stomp van vorm is en een even nummering heeft.
Linkeroever (SIGNI)
De zijde van het vaarwater die in de betonningsrichting (met de stroom mee) groen is, spits van vorm is en een oneven nummering heeft.
Kardinale markering
Betonning die aangeeft aan welke zijde (Noord, Oost, Zuid of West) men een gevaarlijk punt moet passeren, herkenbaar aan geel-zwarte kleuren en toptekens.
NAP (Normaal Amsterdams Peil)
Het referentieniveau waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd.
KP (Kanaalpeil)
De gemiddelde waterstand in een bepaald kanaalvak, vaak uitgedrukt ten opzichte van NAP.
Kruiphoogte
De hoogte van de waterspiegel tot aan het hoogste vaste punt van het schip.
Dodemansknop
Een verplichte veiligheidsvoorziening bij een open stuurstand van snelle motorboten die de motor uitschakelt als de stuurman overboord valt.
Gele ruit
Het dagteken voor een zeilschip dat tevens de motor gebruikt voor voortstuwing; het schip wordt dan als motorschip beschouwd.
Ankerbol
Een zwart rond overdag-teken dat een stilliggend schip moet voeren wanneer het geankerd is.
Lage wal
De oever waar de wind naartoe waait.
Loefzijde
De kant van het schip waar de wind vandaan komt (de hoge kant).
Lijzijde
De kant van het schip die van de wind afgewend is (de lage kant).