1/14
Deze flashcards behandelen de basis rekenvaardigheden van Wiskunde A, inclusief breuken, procenten, lineaire formules en kansberekening.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Procenten berekenen
Een proces waarbij je het percentage eerst omzet naar een kommagetal door te delen door 100 (bijv. 25%=0,25) en dit vervolgens vermenigvuldigt met het totaalbedrag.
Breuken optellen (gelijke noemers)
Wanneer de noemers van breuken hetzelfde zijn, tel je uitsluitend de tellers (bovenste getallen) bij elkaar op, zoals bij 43+41=44=1.
Gelijknamig maken
Het aanpassen van breuken met verschillende noemers zodat ze dezelfde noemer krijgen, waardoor ze bij elkaar opgeteld kunnen worden (bijv. 21 wordt 42).
Vergelijkingen oplossen
Het isoleren van de variabele x door aan beide kanten van de vergelijking exact dezelfde bewerkingen uit te voeren.
Invullen
Het vervangen van een variabele in een formule door een specifiek getal om de waarde van de andere variabele te berekenen.
Terugrekenen met een formule
Het bepalen van de invoerwaarde x wanneer de uitkomst y al bekend is, door de bewerkingen in de formule omgekeerd uit te voeren.
Lineair verband
Een relatie die kan worden weergegeven met de standaardformule y=ax+b, waarbij de grafiek een rechte lijn vormt.
Variabele a (Helling)
In de formule y=ax+b geeft dit getal aan hoeveel de waarde van y verandert wanneer x met 1 toeneemt.
Variabele b (Startgetal)
De waarde van y op het moment dat x=0; dit is het punt waar de grafiek de y-as snijdt.
Gemiddelde berekenen
De som van alle getallen gedeeld door het totaal aantal getallen.
Kans berekenen
Het aantal gewenste uitkomsten gedeeld door het totaal aantal mogelijke uitkomsten, vaak uitgedrukt als breuk (bijv. 103) of percentage (30%).
Verhoudingen (De veilige methode)
Een rekenmethode waarbij je eerst de waarde voor 1 persoon of eenheid berekent en dit getal daarna vermenigvuldigt naar het gevraagde aantal.
Machten
Een notatie waarbij een klein getal (de exponent) aangeeft hoe vaak het grondgetal met zichzelf vermenigvuldigd moet worden, zoals 23=2×2×2=8.
Negatieve getallen optellen
Een berekening waarbij je begint bij een getal onder nul op de getallenlijn en naar rechts (omhoog) beweegt, zoals −4+9=5. Gordelmethode: trek het kleinste getal van het grootste af en behoud het teken van het getal met de grootste absolute waarde.
Haakjes wegwerken
Het vermenigvuldigen van het getal buiten de haakjes met alle termen binnen de haakjes, bijvoorbeeld 3(x+4)=3x+12.