1/41
Deze flashcards dekken de kernbegrippen uit de lessen Gedragskennis, Verpleegkundige kennis en Medische kennis, inclusief ontwikkelingspsychologie, wetgeving en specifieke zorgdoelgroepen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Ontwikkelingspsychologie
De studie naar hoe mensen zich ontwikkelen vanaf de conceptie tot aan de volwassenheid, waarbij gekeken wordt naar biologische, psychologische en sociale factoren.
Sensomotorische fase
De eerste fase van Piaget (0−2 jaar) waarin kinderen de wereld ontdekken door middel van hun zintuigen en motoriek.
Schema's
Mentale structuren, zoals zuigen, grijpen en kijken, die kinderen gebruiken om de wereld om hen heen te begrijpen.
Assimilatie
Het proces waarbij nieuwe ervaringen worden ingepast in reeds bestaande kennis of schema's.
Accommodatie
Het aanpassen van bestaande kennis of schema's wanneer nieuwe informatie niet in de huidige structuren past.
Objectpermanentie
Het cognitieve besef dat een voorwerp blijft bestaan ook al is het niet meer zichtbaar, meestal ontwikkeld rond 7−8 maanden.
Biopsychosociaal model
Een model dat de ontwikkeling van een kind verklaart vanuit drie invloedsgebieden: biologisch (erfelijkheid, groei), psychisch (emoties, persoonlijkheid) en sociaal (gezin, omgeving).
CAF-model (Common Assessment Framework)
Een beoordelingskader dat kijkt naar de ontwikkelbehoeften van het kind, de opvoedcapaciteiten van de ouders en de invloed van gezin en omgeving.
Hechting
Een duurzame emotionele band tussen een kind en een of meer verzorgers die veiligheid en vertrouwen biedt.
Sensitiviteit
Het vermogen van een verzorger om de signalen van een kind tijdig en correct op te merken.
Responsiviteit
Het adequaat en passend reageren op de signalen die een kind uitzendt.
Still Face Experiment
Onderzoek van Tronick dat aantoont hoe baby's gestrest raken wanneer een verzorger plotseling stopt met reageren, wat het belang van emotionele afstemming bewijst.
Veilige hechting
Hechtingsstijl waarbij het kind de ouder als veilige basis gebruikt, van streek raakt bij vertrek en zich snel laat troosten bij terugkomst.
Onveilig-ambivalente hechting
Hechtingsstijl waarbij het kind extreem veel nabijheid zoekt maar tegelijkertijd boos of angstig reageert op de ouder, vaak door wisselend gedrag van de verzorger.
Verstandelijke Beperking (VB)
Een beperking in zowel het intellectuele als het adaptieve functioneren die ontstaat tijdens de ontwikkelingsperiode.
Stoornis
Een afwijking in de ontwikkeling waarvan de oorzaak vooral ligt in aanleg of de rijping van het centrale zenuwstelsel, zoals ADHD of autisme.
Belemmering
Een vertraging in de ontwikkeling die hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door externe omgevingsfactoren zoals trauma of verwaarlozing.
Internaliserende problemen
Problemen die naar binnen zijn gericht, zoals angst, depressie, teruggetrokken gedrag of psychosomatische klachten.
ODD (Oppositioneel-opstandige stoornis)
Een gedragsstoornis gekenmerkt door boosheid, veel ruzie maken en verzet tegen volwassenen.
Sociale competentie
Het vermogen om succesvol met anderen om te gaan door sociale signalen te begrijpen en conflicten op te lossen.
Puberteit
De periode tussen ongeveer 12−17 jaar die vooral wordt gekenmerkt door lichamelijke veranderingen en het geslachtsrijp worden.
Formeel-operationeel denken
De fase van Piaget vanaf ca. 12 jaar waarin abstract denken, logisch redeneren en hypothetisch denken mogelijk worden.
Preconventioneel niveau (Kohlberg)
Het eerste morele niveau (tot ca. 10 jaar) waarbij gedrag wordt bepaald door angst voor straf of eigenbelang.
Autonomie
Het proces van zelfstandig worden, eigen keuzes maken en de ontwikkeling van een eigen identiteit tijdens de adolescentie.
Identiteitsontwikkeling (Erikson)
De centrale psychosociale taak tijdens de adolescentie waarbij de vraag "wie ben ik?" centraal staat.
Motiverende Gespreksvoering (MGV)
Een methode om cliënten te helpen hun eigen motivatie voor gedragsverandering te ontdekken door technieken als reflectief luisteren en open vragen.
Oplossingsgericht Werken (OGW)
Een gespreksmethodiek die focust op wat al goed gaat, de gewenste situatie en kleine haalbare stapjes in plaats van op problemen.
Wet BIG
Wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg, die tot doel heeft de kwaliteit van de zorg te bewaken en patiënten te beschermen via registratie en tuchtrecht.
Voorbehouden handelingen
Medische handelingen met een verhoogd risico, zoals injecteren of opereren, die alleen door bevoegd en bekwaam personeel mogen worden uitgevoerd.
Wkkgz
Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, die regelt dat zorg veilig en cliëntgericht moet zijn en een goede klachtenprocedure waarborgt.
Hielprik
Een vroege screening bij pasgeborenen om aangeboren aandoeningen zoals AGS, CHT en PKU op te sporen.
Gezondheidsvaardigheden
Het vermogen om informatie over gezondheid te vinden, begrijpen en toe te passen bij het nemen van medische beslissingen.
Trimesters
Drie perioden van de zwangerschap, waarbij in het eerste trimester de orgaansystemen worden aangelegd en in het derde trimester de snelle groei plaatsvindt.
Ductus botalli
Een foetale bloedvatverbinding die ervoor zorgt dat het bloed grotendeels de longen omzeilt en direct naar het hart en de hersenen gaat.
HELLP-syndroom
Een ernstige complicatie tijdens de zwangerschap gekenmerkt door Hemolyse, verhoogde leverenzymen en een tekort aan bloedplaatjes.
FAS (Foetaal Alcohol Syndroom)
Een verzameling van afwijkingen en leerproblemen bij een kind die veroorzaakt worden door alcoholgebruik van de moeder tijdens de zwangerschap.
BRAVO(S)
Een model voor een gezonde leefstijl dat staat voor Bewegen, Roken, Alcohol, Voeding, Ontspanning en Seksuele gezondheid.
Obesogene omgeving
Een omgeving die ongezond gedrag stimuleert door een overvloed aan voedsel en een tekort aan bewegingsmogelijkheden.
Metabool syndroom
Een combinatie van gezondheidsproblemen waaronder buikvet, hoge bloeddruk, verstoorde glucosewaarden en afwijkende cholesterolwaarden.
EMB (Ernstige Meervoudige Beperking)
Een conditie met een zeer ernstige verstandelijke beperking (IQ<25) gecombineerd met ernstige lichamelijke en zintuiglijke beperkingen.
LVB (Licht Verstandelijke Beperking)
Een beperking gekenmerkt door een IQ tussen ongeveer 50 en 85 en problemen in het sociaal aanpassingsvermogen.
Executieve functies
Hogere cognitieve processen zoals plannen, organiseren, impulscontrole en zelfreflectie, die vaak beperkt zijn bij mensen met een LVB.