Nederlands literaire begrippen

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/43

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 7:26 PM on 9/22/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

44 Terms

1
New cards

Wat zijn personages?

De hoofd- en bijfiguren in een roman of verhaal.

2
New cards

Wat is een hoofdpersonage?

Een personage dat een belangrijke rol speelt in het verhaal.

3
New cards

Wat is een bijpersonage?

Een personage dat minder belangrijk is voor het verloop van het verhaal.

4
New cards

Wat is een karakter (round character)?

Een personage waarvan je veel weet over gevoelens en gedachten en dat een ontwikkeling doormaakt.

5
New cards

Wat is een type (flat character)?

Een oppervlakkig beschreven personage waarvan je vooral het uiterlijk en enkele kenmerken kent.

6
New cards

Wat is een antiheld?

Een hoofdpersoon die niet uitnodigt tot identificatie.

7
New cards

Wat is identificatie?

Je kunnen inleven in een personage.

8
New cards

Waarom is identificatie belangrijk?

Identificatie kan zorgen voor meer spanning en betrokkenheid bij het verhaal.

9
New cards

Wat is een speaking name?

Een naam van een personage die een extra betekenis heeft.

10
New cards

Wat moet je bij personages analyseren?

Wie de hoofd- en bijpersonages zijn, hun onderlinge relaties en hun uiterlijk en innerlijk.

11
New cards
12
New cards

Wat is een chronologisch verhaal?

Een verhaal waarin de gebeurtenissen worden verteld in de volgorde waarin ze hebben plaatsgevonden.

13
New cards

Wat is de fabel?

Een korte, zakelijke en chronologische weergave van de belangrijkste gebeurtenissen.

14
New cards

Wat is het sujet?

Een samenvatting van de gebeurtenissen in de volgorde waarin ze in het boek worden verteld.

15
New cards

Wat is een flashback?

Een terugblik naar een gebeurtenis uit het verleden.

16
New cards

Wat is een flashforward?

Een verwijzing naar iets wat nog moet gebeuren.

17
New cards

Wat is tijdverdichting?

Een periode wordt in weinig woorden samengevat.

18
New cards

Wat is een tijdsprong?

Een periode wordt overgeslagen zonder dat de schrijver er woorden aan besteedt.

19
New cards

Wat is tijdvertraging?

Een gebeurtenis wordt uitgebreider verteld en duurt in het verhaal langer dan de gebeurtenis normaal zou duren.

20
New cards

Wat is de vertelde tijd?

De periode waarin de gebeurtenissen van het verhaal plaatsvinden, bijvoorbeeld uren, dagen of jaren.

21
New cards

Wat is de verteltijd?

De tijd die nodig is om het verhaal te vertellen, uitgedrukt in bijvoorbeeld regels of pagina's.

22
New cards

Wat is het verschil tussen vertelde tijd en verteltijd?

De vertelde tijd is hoe lang de gebeurtenissen duren; de verteltijd is hoeveel tekst nodig is om ze te vertellen.

23
New cards
24
New cards

Wat zijn open plekken?

Stukken informatie die nog niet zijn ingevuld en vragen bij de lezer oproepen.

25
New cards

Waarom zorgen open plekken voor spanning?

De lezer wil de ontbrekende informatie ontdekken en weten hoe het verhaal verdergaat.

26
New cards

Hoe kan een schrijver open plekken creëren?

Door informatie achter te houden, tegenstrijdige informatie te geven of vragen over personages onbeantwoord te laten.

27
New cards

Wat zijn manipulatietechnieken?

Technieken waarmee een schrijver de informatie en spanning in een verhaal beïnvloedt.

28
New cards

Waarom zijn open plekken belangrijk?

Ze zorgen ervoor dat de lezer nieuwsgierig blijft en verder wil lezen.

29
New cards
30
New cards

Wat betekent ruimte in een verhaal?

De plaats van handeling én omstandigheden zoals het weer, seizoen en de tijd waarin het verhaal speelt.

31
New cards

Welke elementen kunnen bij ruimte horen?

Plaats, weer, seizoen, verleden en toekomst.

32
New cards

Welke functie kan ruimte hebben?

Ruimte kan zorgen voor sfeer en spanning.

33
New cards

Wat is overeenkomst tussen ruimte en handeling?

De ruimte past bij wat er in het verhaal gebeurt.

34
New cards

Wat is contrast tussen ruimte en handeling?

De ruimte staat tegenover wat er in het verhaal gebeurt.

35
New cards
36
New cards

Wat is perspectief?

De manier waarop de gebeurtenissen in een verhaal aan de lezer worden verteld of waargenomen.

37
New cards

Wat is een ik-perspectief?

Een perspectief waarbij een ik-figuur vertelt wat hij of zij meemaakt of heeft meegemaakt.

38
New cards

Wie is de verteller bij een ik-perspectief?

De ik-figuur is ook de ik-verteller.

39
New cards

Wat is een personaal perspectief?

Een perspectief waarbij je de gebeurtenissen meemaakt door de ogen van een hij- of zij-figuur.

40
New cards

Wie is de verteller bij een personaal perspectief?

Een hij/zij-verteller, ook wel een personale verteller genoemd.

41
New cards

Wat is een alwetend of auctoriaal perspectief?

Een perspectief waarbij een alwetende verteller niet deelneemt aan de handeling en commentaar geeft op de gebeurtenissen.

42
New cards

Wat is een auctoriale verteller?

Een alwetende verteller die niet aan de handeling deelneemt en commentaar kan geven op de gebeurtenissen.

43
New cards

Wat is het verschil tussen ik-perspectief en personaal perspectief?

Bij ik-perspectief vertelt een ik-figuur het verhaal; bij personaal perspectief beleef je het verhaal door de ogen van een hij- of zij-figuur.

44
New cards

Wat is het verschil tussen een personale en auctoriale verteller?

Een personale verteller vertelt vanuit één hij/zij-figuur; een auctoriale verteller is alwetend, neemt niet deel aan de handeling en kan commentaar geven.