Kaarten: Mondeling WIT 4 | Quizlet

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/81

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 2:55 PM on 6/11/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

82 Terms

1
New cards

Wat zijn groepsprocessen?

Processen die zich tussen groepsleden afspelen.

2
New cards

Welke processen behoren tot groepsprocessen?

Communicatie, participatie, leiderschap, macht en invloed, groepsnormen, conformiteit, cohesie en subgroepvorming.

3
New cards

Waarom is communicatie essentieel in een groep?

Omdat groepsleden informatie uitwisselen en elkaar beïnvloeden.

4
New cards

Wat ontstaat door communicatie?

Relaties.

5
New cards

Waarvoor is communicatie nodig in een groep?

Om beslissingen te nemen en normen te ontwikkelen.

6
New cards

Welke twee aspecten omvat communicatie?

Verbale en non-verbale communicatie.

7
New cards

Wat geven non-verbale signalen vaak weer?

Informatie over de onderlinge relaties.

8
New cards

Wat bevordert open communicatie?

Vertrouwen.

9
New cards

Wat bevordert open communicatie nog?

Samenwerking.

10
New cards

Wat bevordert open communicatie op vlak van veiligheid?

Een veilig groepsklimaat.

11
New cards

Wat bevordert open communicatie op vlak van betrokkenheid?

Meer betrokkenheid van groepsleden.

12
New cards

Hoe kan een begeleider open communicatie stimuleren?

Door groepsleden rechtstreeks op elkaar te laten reageren.

13
New cards

Hoe kan een begeleider de communicatie bespreekbaar maken?

Door de onderlinge communicatie te bespreken.

14
New cards

Wat kan een begeleider verduidelijken binnen communicatie?

Rollen en posities in de groep.

15
New cards

Wat betekent participatie?

De mate waarin groepsleden actief deelnemen aan het groepsgebeuren.

16
New cards

Waartoe leidt evenwichtige participatie?

Meer betrokkenheid.

17
New cards

Wat bevordert participatie nog?

Cohesie.

18
New cards

Wat stimuleert participatie op individueel vlak?

Verantwoordelijkheid.

19
New cards

Wat bevordert participatie op taakvlak?

Efficiënte samenwerking.

20
New cards

Hoe kan participatie bevorderd worden?

Door subgroepjes te gebruiken.

21
New cards

Hoe kan de begeleider iedereen betrekken?

Door alle groepsleden actief te laten deelnemen.

22
New cards

Welke vorm van bekrachtiging bevordert participatie?

Positieve bekrachtiging.

23
New cards

Welke sfeer bevordert participatie?

Een veilige sfeer.

24
New cards

Welke communicatiestijl bevordert participatie?

Open communicatie.

25
New cards

Waarop heeft leiderschap betrekking?

Op de invloed die iemand uitoefent op de groep.

26
New cards

Welke twee vormen van leiderschap kunnen aanwezig zijn?

Formeel en informeel leiderschap.

27
New cards

Wat is een formele leider?

Een officieel aangeduide leider.

28
New cards

Wat is een informele leider?

Een leider die spontaan ontstaat vanuit interacties.

29
New cards

Hoe ontstaat een informele leider?

Door de interacties binnen de groep.

30
New cards

Wat is aanwezig in elke groep?

Macht, invloed en status.

31
New cards

Tot welk niveau behoren macht en invloed?

Het interactieniveau.

32
New cards

Wat bepalen macht en invloed?

Wie gehoord wordt.

33
New cards

Wat bepalen macht en invloed nog?

Wie beslissingen beïnvloedt.

34
New cards

Wat bepalen macht en invloed met betrekking tot gezag?

Welke personen meer gezag hebben.

35
New cards

Wat zijn groepsnormen?

Gedragsregels die binnen een groep ontstaan.

36
New cards

Wat bepalen groepsnormen?

Welk gedrag aanvaardbaar is.

37
New cards

Wat bepalen groepsnormen nog?

Welk gedrag niet aanvaardbaar is.

38
New cards

Wat geven groepsnormen aan over groepsleden?

Wat van hen verwacht wordt.

39
New cards

Wat ontstaat doorheen de groepsontwikkeling?

Een groepscultuur.

40
New cards

Welke functie hebben groepsnormen?

Ze geven structuur.

41
New cards

Welke functie hebben groepsnormen nog?

Ze zorgen voor voorspelbaarheid.

42
New cards

Hoe beïnvloeden groepsnormen de groep?

Ze bevorderen samenhang.

43
New cards

Hoe beïnvloeden groepsnormen het individu?

Ze beïnvloeden het gedrag van groepsleden.

44
New cards

Wat is conformiteit?

Het aanpassen van gedrag aan de verwachtingen van de groep.

45
New cards

Waaraan passen groepsleden zich aan bij conformiteit?

Aan gedragingen.

46
New cards

Waaraan passen groepsleden zich nog aan?

Aan waarden.

47
New cards

Waaraan passen groepsleden zich nog aan?

Aan normen van de groep.

48
New cards

Wanneer zullen groepsleden zich sneller conformeren?

Wanneer ze veel belang hechten aan de groep.

49
New cards

Wat is groepscohesie?

Het gevoel van samenhang tussen groepsleden.

50
New cards

Waartoe leidt sterke groepscohesie?

Verbondenheid.

51
New cards

Wat bevordert groepscohesie nog?

Betrokkenheid.

52
New cards

Wat versterkt groepscohesie?

Solidariteit.

53
New cards

Welke positieve gevolgen heeft groepscohesie?

Ondersteuning.

54
New cards

Welke positieve gevolgen heeft groepscohesie nog?

Veiligheid.

55
New cards

Wat bevordert groepscohesie op relationeel vlak?

Erkenning.

56
New cards

Wat bevordert groepscohesie op taakvlak?

Samenwerking.

57
New cards

Wat bevordert groepscohesie op individueel vlak?

Motivatie.

58
New cards

Wat kunnen er binnen groepen ontstaan?

Subgroepen.

59
New cards

Zijn subgroepen altijd negatief?

Nee.

60
New cards

Wat kunnen subgroepen aangeven?

Dat behoeften en belangen onvoldoende vervuld worden.

61
New cards

Wat is een ingroup?

De groep waartoe men zichzelf rekent.

62
New cards

Welke kenmerken heeft een ingroup?

Solidariteit.

63
New cards

Welke kenmerken heeft een ingroup nog?

Verbondenheid.

64
New cards

Welke kenmerken heeft een ingroup nog?

Verdraagzaamheid.

65
New cards

Wat is een outgroup?

De groep die als buitenstaander wordt beschouwd.

66
New cards

Welke kenmerken heeft een outgroup?

Stereotypering.

67
New cards

Wat gebeurt er bij een outgroup?

Verschillen worden benadrukt.

68
New cards

Welke houding kan tegenover de outgroup ontstaan?

Een vijandige houding.

69
New cards

Wat is het effect van een reële of vermeende bedreiging vanuit de outgroup?

Meer cohesie en solidariteit binnen de ingroup.

70
New cards

Hoe reageren we op leden van de ingroup?

Als individuen.

71
New cards

Hoe reageren we op leden van de outgroup?

Alsof ze een categorie vormen.

72
New cards

Wat benadrukken we tussen groepen?

De verschillen.

73
New cards

Wat benadrukken we binnen de eigen groep?

De gelijkenissen.

74
New cards

Behoort weerstand tot normale groepsprocessen?

Ja.

75
New cards

Hoe gaat de begeleider om met weerstand?

Hij accepteert kritiek en weerstand.

76
New cards

Waarmee houdt de begeleider rekening bij weerstand?

Met achterliggende gevoelens.

77
New cards

Wat probeert de begeleider bij weerstand te doen?

Weerstand begrijpen.

78
New cards

Wat kan de begeleider aanpassen bij weerstand?

De leiderschapsstijl.

79
New cards

Waarom is evaluatie belangrijk? Voor een goed groepsfunctioneren.

80
New cards

Wanneer kunnen evaluaties plaatsvinden?

Tussendoor.

81
New cards

Wanneer kunnen evaluaties nog plaatsvinden?

Aan het einde van een bijeenkomst.

82
New cards

Wanneer kunnen uitgebreide evaluaties plaatsvinden?

Na enkele bijeenkomsten.