1/81
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Wat zijn groepsprocessen?
Processen die zich tussen groepsleden afspelen.
Welke processen behoren tot groepsprocessen?
Communicatie, participatie, leiderschap, macht en invloed, groepsnormen, conformiteit, cohesie en subgroepvorming.
Waarom is communicatie essentieel in een groep?
Omdat groepsleden informatie uitwisselen en elkaar beïnvloeden.
Wat ontstaat door communicatie?
Relaties.
Waarvoor is communicatie nodig in een groep?
Om beslissingen te nemen en normen te ontwikkelen.
Welke twee aspecten omvat communicatie?
Verbale en non-verbale communicatie.
Wat geven non-verbale signalen vaak weer?
Informatie over de onderlinge relaties.
Wat bevordert open communicatie?
Vertrouwen.
Wat bevordert open communicatie nog?
Samenwerking.
Wat bevordert open communicatie op vlak van veiligheid?
Een veilig groepsklimaat.
Wat bevordert open communicatie op vlak van betrokkenheid?
Meer betrokkenheid van groepsleden.
Hoe kan een begeleider open communicatie stimuleren?
Door groepsleden rechtstreeks op elkaar te laten reageren.
Hoe kan een begeleider de communicatie bespreekbaar maken?
Door de onderlinge communicatie te bespreken.
Wat kan een begeleider verduidelijken binnen communicatie?
Rollen en posities in de groep.
Wat betekent participatie?
De mate waarin groepsleden actief deelnemen aan het groepsgebeuren.
Waartoe leidt evenwichtige participatie?
Meer betrokkenheid.
Wat bevordert participatie nog?
Cohesie.
Wat stimuleert participatie op individueel vlak?
Verantwoordelijkheid.
Wat bevordert participatie op taakvlak?
Efficiënte samenwerking.
Hoe kan participatie bevorderd worden?
Door subgroepjes te gebruiken.
Hoe kan de begeleider iedereen betrekken?
Door alle groepsleden actief te laten deelnemen.
Welke vorm van bekrachtiging bevordert participatie?
Positieve bekrachtiging.
Welke sfeer bevordert participatie?
Een veilige sfeer.
Welke communicatiestijl bevordert participatie?
Open communicatie.
Waarop heeft leiderschap betrekking?
Op de invloed die iemand uitoefent op de groep.
Welke twee vormen van leiderschap kunnen aanwezig zijn?
Formeel en informeel leiderschap.
Wat is een formele leider?
Een officieel aangeduide leider.
Wat is een informele leider?
Een leider die spontaan ontstaat vanuit interacties.
Hoe ontstaat een informele leider?
Door de interacties binnen de groep.
Wat is aanwezig in elke groep?
Macht, invloed en status.
Tot welk niveau behoren macht en invloed?
Het interactieniveau.
Wat bepalen macht en invloed?
Wie gehoord wordt.
Wat bepalen macht en invloed nog?
Wie beslissingen beïnvloedt.
Wat bepalen macht en invloed met betrekking tot gezag?
Welke personen meer gezag hebben.
Wat zijn groepsnormen?
Gedragsregels die binnen een groep ontstaan.
Wat bepalen groepsnormen?
Welk gedrag aanvaardbaar is.
Wat bepalen groepsnormen nog?
Welk gedrag niet aanvaardbaar is.
Wat geven groepsnormen aan over groepsleden?
Wat van hen verwacht wordt.
Wat ontstaat doorheen de groepsontwikkeling?
Een groepscultuur.
Welke functie hebben groepsnormen?
Ze geven structuur.
Welke functie hebben groepsnormen nog?
Ze zorgen voor voorspelbaarheid.
Hoe beïnvloeden groepsnormen de groep?
Ze bevorderen samenhang.
Hoe beïnvloeden groepsnormen het individu?
Ze beïnvloeden het gedrag van groepsleden.
Wat is conformiteit?
Het aanpassen van gedrag aan de verwachtingen van de groep.
Waaraan passen groepsleden zich aan bij conformiteit?
Aan gedragingen.
Waaraan passen groepsleden zich nog aan?
Aan waarden.
Waaraan passen groepsleden zich nog aan?
Aan normen van de groep.
Wanneer zullen groepsleden zich sneller conformeren?
Wanneer ze veel belang hechten aan de groep.
Wat is groepscohesie?
Het gevoel van samenhang tussen groepsleden.
Waartoe leidt sterke groepscohesie?
Verbondenheid.
Wat bevordert groepscohesie nog?
Betrokkenheid.
Wat versterkt groepscohesie?
Solidariteit.
Welke positieve gevolgen heeft groepscohesie?
Ondersteuning.
Welke positieve gevolgen heeft groepscohesie nog?
Veiligheid.
Wat bevordert groepscohesie op relationeel vlak?
Erkenning.
Wat bevordert groepscohesie op taakvlak?
Samenwerking.
Wat bevordert groepscohesie op individueel vlak?
Motivatie.
Wat kunnen er binnen groepen ontstaan?
Subgroepen.
Zijn subgroepen altijd negatief?
Nee.
Wat kunnen subgroepen aangeven?
Dat behoeften en belangen onvoldoende vervuld worden.
Wat is een ingroup?
De groep waartoe men zichzelf rekent.
Welke kenmerken heeft een ingroup?
Solidariteit.
Welke kenmerken heeft een ingroup nog?
Verbondenheid.
Welke kenmerken heeft een ingroup nog?
Verdraagzaamheid.
Wat is een outgroup?
De groep die als buitenstaander wordt beschouwd.
Welke kenmerken heeft een outgroup?
Stereotypering.
Wat gebeurt er bij een outgroup?
Verschillen worden benadrukt.
Welke houding kan tegenover de outgroup ontstaan?
Een vijandige houding.
Wat is het effect van een reële of vermeende bedreiging vanuit de outgroup?
Meer cohesie en solidariteit binnen de ingroup.
Hoe reageren we op leden van de ingroup?
Als individuen.
Hoe reageren we op leden van de outgroup?
Alsof ze een categorie vormen.
Wat benadrukken we tussen groepen?
De verschillen.
Wat benadrukken we binnen de eigen groep?
De gelijkenissen.
Behoort weerstand tot normale groepsprocessen?
Ja.
Hoe gaat de begeleider om met weerstand?
Hij accepteert kritiek en weerstand.
Waarmee houdt de begeleider rekening bij weerstand?
Met achterliggende gevoelens.
Wat probeert de begeleider bij weerstand te doen?
Weerstand begrijpen.
Wat kan de begeleider aanpassen bij weerstand?
De leiderschapsstijl.
Waarom is evaluatie belangrijk? Voor een goed groepsfunctioneren.
Wanneer kunnen evaluaties plaatsvinden?
Tussendoor.
Wanneer kunnen evaluaties nog plaatsvinden?
Aan het einde van een bijeenkomst.
Wanneer kunnen uitgebreide evaluaties plaatsvinden?
Na enkele bijeenkomsten.