1/227
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Horn-effect
Neiging om een negatief oordeel te vormen over iemand op basis van 1 negatief kenmerk
Sociaal lijntrekken (social loafing)
Fenomeen waarbij mensen in groepsverband minder hun best doen dan individueel, synoniemen zijn free rider-effect en sucker-effect
Deïndividuatie
Toestand waarin mensen zich anoniem voelen in een groep, wat leidt tot impulsiever gedrag
Stereotypen
Vaststaande opvattingen over de kenmerken van een bepaalde groep mensen
Conformiteit
Zich aanpassen aan de groepsnormen om geaccepteerd te worden
Geen liefde
Geen enkel component is aanwezig
Halo-effect
Neiging om positief oordeel te vormen over een persoon op basis van 1 positief kenmerk
Cognitieve dissonantie
Spanning die ontstaat wanneer iemands gedrag in strijd is met diens overtuigingen
Zelfvervullende voorspelling
Wanneer een verwachting over iemand ervoor zorgt dat deze persoon zich ook naar die verwachting gaat gedragen
Sociale facilitatie
Verbetering van prestaties bij eenvoudige taken in aanwezigheid van anderen
Sociale inhibitie
Verslechtering van prestaties bij complexe taken door aanwezigheid van anderen
Attributietheorie
Verklaart hoe mensen oorzaken toeschrijven aan gedrag
Actor-observator-effect
Neiging om eigen gedrag aan externe factoren toe te schrijven terwijl we gedrag van anderen eerder intern verklaren
Primacy-effect
Eerste indruk heeft een grotere invloed op ons oordeel dan latere informatie
Recency-effect
Laatst verkregen informatie heeft de grootste impact op ons oordeel
Sociale normering
Neiging om ons gedrag af te stemmen op dat van anderen in een nieuwe of onduidelijke situatie
Sociale identiteitstheorie
Verklaart hoe groepslidmaatschap invloed heeft op ons zelfbeeld en gedrag tegenover anderen
Fundamentele attributiefout
Neiging om gedrag van anderen intern toe te schrijven
In-group bias
Neiging om leden van eigen groep positiever te beoordelen dan buitenstaanders
Out-group homogeniteitseffect
Perceptie dat leden van andere groep meer op elkaar lijken dan leden van eigen groep
Hoe vormen we een beeld van mensen?
Bewuste en onbewuste processen zorgen ervoor dat mensen zich heel snel een beeld van iemand vormen, beïnvloed ook verdere interacties tussen mensen
Percept
Zintuiglijk waarnemen (bvb. man in een trein)
Concept
Verdere uitwerking van het percept (bvb. man in trein = percept hoge piet is concept)
Waarop baseren we onze eerste indruk?
Vooral op het visuele, 3 grote blokken: Uiterlijk, lichaamstaal en gedrag
Wat is het eerste dat we op letten bij een eerste indruk?
Uiterlijk nemen we eerst waar, spontaan kijken we naar leeftijd, geslacht en huidskleur
Theorie van Mehrabian
Populaire en vaak geciteerde theorie wanneer het gaat over boodschap en manier waarop boodschap van de ene persoon naar de andere wordt overgebracht.
7 - 38 - 55 regel (theorie van Mehrabian)
7% wordt bepaald door woorden, 38% door inhoud, 55% door lichaamstaal. Geldt enkel wanneer boodschap ambigu of incongruent is
Waarneming is ook cultuur gebonden
Mensen met verschillende cultuur of etnische achtergrond bekijkt anders naar gezichten (bvb. Aziaten vinden dat Europeanen heel ronde gezichten hebben)
Wat is spontane beeldvorming?
We vormen vrij snel een beeld van een persoon op basis van weinig gegevens, evaluatie van onze waarneming gebeurt in miliseconden en is automatisch dus zonder bedoeling en dat je er bewust van bent
Aan de hand van wat gebeurt onze spontane beeldvorming?
Cognitieve schema’s
Cognitieve schema’s
Menselijke innerlijke structuren over wijze waarop bepaalde zaken of gebeurtenissen samenhangen, door ervaring op te doen leren we dat bepaalde dingen samen voorkomen of op elkaar volgen en deze vormen dan ons cognitief schema
Wat is een voordeel van cognitieve schema’s?
Sneller kunnen reageren op prikkels
Wat zijn de 3 functies van een cognitief schema volgens Roos Vonk?
Schijnwerper (zorgen dat de aandacht naar juiste zaken gaat)
Gatenvuller (ontbrekende informatie aanvullen)
Gedragswijzer (Door info gelinkt aan wat we zien via schijnwerper en zelfingevulde info, weten we hoe we ons moeten gedragen)
Gevaren en nadelen van een cognitief schema
Wat we winnen aan snelheid verliezen we aan accuraatheid en zorgen dus vaak voor stereotypering
Belangrijkste factoren die richting bepalen van cognitieve schema’s
Negatieve stimuli (Iets negatief vraagt dringender actie dan iets positief)
Cultuur (specifiek gedrag activeert in verschillende culturen verschillende schema’s)
School (gevaar voor eenzijdige verhalen (bvb. kolonisatie))
Particuliere ervaringen (bvb. Vrouw die bedrogen is kijkt anders naar mannen)
Priming (Recente gebeurtenis verhoogt toegankelijkheid van een bepaald schema)
Actuele gemoedstoestand en situatie
Interne attributie
Oorzaak van gedrag aan persoon zelf toeschrijven
Externe attributie
Oorzaak van gedrag toeschrijven aan omgeving/buiten persoon zelf
Corresponderende inferentietheorie van Jones en Davis
3 variabelen bij verklaren van iemand zijn gedrag: Keuze, situatie en gevolgen
Covariatiemodel van Kelly
3 variabelen: Consensus (hoe lager conSensus, hoe sterker er intern geattribueerd wordt vb als ik het alleen ben ben ik het probleem)
Distinctiviteit (hoe lager distincitiviteit, hoe sterker intern geattribueerd wordt vb als ik het in veel verschillende situaties heb, ben ik het probleem))
Consistentie (Hoe hoger consistentie hoe sterker interne attributie)
Persoonsattributie
Situatie met lage consensus, lage distinctiviteit en hoge consistentie
Situationele attributie
Situatie met hoge consensus, hoge distinctiviteit en hoge consistentie
Combinatie van persoons- en situatieattributie
Situatie met lage consensus, hoge distinctiviteit en hoge consistentie
Het toeval
Situatie met lage consensus, hoge distinctiviteit en lage consistentie
De actor-observatie-attributiefout
Wanneer je jezelf zowel in positie van toeschouwer als in die van actor zet, ga je minder makkelijk bepaald gedrag intern attribueren door zelfbescherming
Impliciete persoonlijkheidstheorie
Mentale schema’s waarmee we eigenschappen van een persoon groeperen en verbanden leggen (bvb. als iemand intelligent overkomt, denken we ook dat die persoon verantwoordelijk en ambitieus is)
Gelijk-aan-mij-effect
Mensen beoordelen anderen positiever als ze overeenkomsten zien met zichzelf (bvb. interesses)
Projectie
Toeschrijven van eigen gevoelens of eigenschappen aan anderen, vaak als afweermechanisme. (Bvb. iemand die onzeker is kan anderen als onzeker zien)
Pygmalion-effect
Een specifiek soort zelfvervullende voorspelling waarbij hogere verwachtingen leiden tot betere prestaties
Sociale categorisering
Opdelen van mensen in groepen op basis van gedeelde kenmerken zoals etniciteit, geslacht of beroep. Kan storend zijn door binair denken en gelinkt aan superioriteit en macht. Werkelijkheid wordt veel te simpel. Ontstaan van assimilatie en contrast
Stereotypen
Vaststaande, vereenvoudigde opvattingen over een groep mensen, bvb. alle wetenschappers zijn nerds
Shooter bias
Neiging om sneller een dreiging te zien bij bepaalde groepen mensen, wat kan leiden tot discriminerende reacties, bvb. politieagenten die sneller schieten op ongewapende mensen uit gemarginaliseerde groep
Sociale identiteitstheorie
Theorie die stelt dat ons zelfbeeld deels bepaald wordt door groepen waartoe we behoren (bvb. nationaliteit of sportclubs)
Priming
Fenomeen waarbij eerdere ervaringen bepaalde schema’s activeren, waardoor we nieuwe informatie anders waarnemen (bvb. Iemand die net over criminaliteit las, zal sneller denken dat iemand met hoodie een dief is)
Chronische priming
Wanneer bepaalde mentale concepten voortdurend geactiveerd blijven in iemands geheugen, waardoor ze invloed hebben op verwerking van informatie
Rosenhan-experiment (1973)
Onderzoek waarin gezonde mensen zich voordeden als psychiatrische patiënten om te tonen hoe diagnoses kunnen leiden tot verkeerde percepties van gedrag
Attributiefouten
Systematische fouten bij toeschrijven van oorzaken aan gedrag, zoals fundamentele attributiefout en actor-observator-effect
4 belangrijke kenmerken bij gelijk-aan-mij-effect
Fysieke gelijkenissen: positievere gevoelens bij mensen die op ons lijken qua uiterlijk
Persoonlijkheids- en gedrag kenmerken: meer aangetrokken tot mensen met vergelijkbare persoonlijkheid
Attitudes en waarden: mensen met dezelfde opvattingen, overtuigingen en waarden
Interesses en voorkeuren: delen van gemeenschappelijke hobby’s
Zelfcategorisering
Manier waarop individu zichzelf ziet als lid van bepaalde groep, wat zelfbeeld en gedrag beïnvloedt
In-group
Groep waarmee individu identificeert en toebehoort
Out-group
Groep waartoe individu niet behoort en vaak als anders of minder positief beoordeelt
Multicollectiviteit
Fenomeen waarbij mensen tot meerdere groepen tegelijk horen, elk met eigen cultuur
Doel van zelfcategorisatie
Verkrijgen van goed zelfbeeld, zorgt ook voor sterk vertekend beeld en vertekende waardering van leden van groep waar we al dan niet toe behoren
Gevolgen wanneer iemand van groep verandert
Radicale verandering in onze attitude tegenover die persoon
Stereotypering
Gegeneraliseerd beeld of overtuiging over een groep mensen dat niet perse op feiten is gebaseerd
Assimilatie
Wanneer er zaken in een categorie geplaatst worden, zullen verschillen binnen categorie verkleinen
Contrast
Fenomeen waarbij oordeel over een individu of situatie verschuift in tegenovergestelde richting van geactiveerd concept
Zelfcategoriseringstheorie (Turner, 1985)
Theorie die stelt dat mensen zichzelf categoriseren als lid van groep om een positief zelfbeeld te krijgen
Houding tegenover in-group
Mensen bevoordelen leden van eigen groep, zowel in gedrag als attributies
Houding tegenover out-group
Mensen kunnen negatiever zijn tegenover leden van out-group, vooral als hun sociale identiteit bedreigd wordt
Minimale groepssituatie (Tajfel, 1971)
Betekent dat mensen al een sterke voorkeur kunnen hebben voor eigen groep, zelfs als groep willekeurig ingedeeld is
Voorbeeld: Tajfel verdeelde mensen willekeurig in 2 groepen (bvb op basis van voorkeur van 2 schilderijen), ondanks niet-gebaseerde groepsindeling gaven mensen toch voorkeur aan eigen groep en gaven ze hun sneller beloningen
Tegengif tegen stereotypen
Strategieën om stereotype denken te verminderen, zoals bewustwording, contact met out-group en doorbreken van automatische associaties
De Zajonc-oplossing
Theorie die verklaart waarom sociale facilitatie optreedt: aanwezigheid van anderen verhoogt opwinding, wat prestaties beïnvloedt
Sociaal belemmeringseffect
Ander woord voor sociale inhibitie, aanwezigheid van anderen zorgt voor slechtere prestaties bij moeilijke taken
Ringelmann-effect
Hoe groter een groep, hoe minder inspanning elk individu levert (bvb. trekken aan een touw is minder krachtig per persoon als groep groter wordt)
Sociaal compenseren
Tegenovergestelde van social loafing, sommige groepsleden doen extra moeite om tekort van minder actieve groepsleden te compenseren
De verwachte evaluatietheorie
Theorie die stelt dat angst voor beoordeling door anderen bepaalt of sociale facilitatie of inhibitie optreedt
Deïndividuatie
In groepen verliezen mensen hun individuele identiteit en gedragen ze zich impulsiever of extremer
Deïndividuatiehypothese
Theorie die stelt dat anonieme groepsomgevingen mensen minder verantwoordelijk maken voor hun daden
Deïndividuatiegedrag
Gedrag dat voorkomt uit deïndividuatie, zoals extreme acties, impulsiviteit of agressie
Gevolg van stereotypering
Via illusoire correlaties (denkbeeldige verbanden) gaan we invullen en foutieve verklaringen geven
Voor wat zorgt stereotypering?
Tot discriminatie en priviligering. Een kenmerk van iemand negatief of positief gebruiken tegen die persoon in een situatie waar dit niet van belang is
Allerbelangrijkste bij stereotypering
Bewust zijn van gedrag, wanneer je weet dat je zo denkt kan je je gedrag sturen
Attitude
Evaluatie van mensen, objecten of ideeën in termen van positief/negatief
Richting
Oriëntatie van een attitude (positief, neutraal, negatief)
Intensiteit
Hoe sterk iemand iets goed of slecht vindt
Belang van attitude
Hoe relevant of belangrijk een attitude is voor iemand
Toegankelijkheid van attitude
Hoe snel een attitude opgeroepen wordt in geheugen
Ambivalentie
Aanwezigheid van zowel positieve als negatieve gevoelens over hetzelfde ondererp
Expliciete meting
Directe vraagstelling over attitudes
Impliciete mening
Observatie van gedrag dat attitude verraadt
Grove attitude meting
Algemene, minder gedetailleerde manier van attitudemening
Thurstone-schaal
Methode om attitudes te meten door uitspraken te beoordelen op vooraf vastgestelde waarde
Plafondeffect
Effect waarbij maximale score wordt bereikt, waardoor verdere groei of verandering niet meer zichtbaar is
Nabijheidseffect
Hoe dichterbij iets is, hoe groter de kans dat het invloed heeft op onze attitudes
Sociale wenselijkheid
Neiging om antwoorden te geven die sociaal acceptabel zijn
Yale Attitude Change Approach
Beïnvloeding gebeurt via bron, boodschap en ontvanger
Geloofwaardigheid
Hoe betrouwbaar een bron overkomt
Aantrekkelijkheid
Hoe fysiek of sociaal aantrekkelijk een bron is, wat kan bijdragen aan overtuigingskracht
Stemming
Emoties beïnvloeden de manier waarop we attitudes vormen of veranderen
Intelligentie
Meer intelligente mensen zijn kritischer en minder vatbaar voor oppervlakkige beïnvloeding