Sociale psychologie (Gebaseerd op een quizlet)

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/227

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:56 PM on 8/28/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

228 Terms

1
New cards

Horn-effect

Neiging om een negatief oordeel te vormen over iemand op basis van 1 negatief kenmerk

2
New cards

Sociaal lijntrekken (social loafing)

Fenomeen waarbij mensen in groepsverband minder hun best doen dan individueel, synoniemen zijn free rider-effect en sucker-effect

3
New cards

Deïndividuatie

Toestand waarin mensen zich anoniem voelen in een groep, wat leidt tot impulsiever gedrag

4
New cards

Stereotypen

Vaststaande opvattingen over de kenmerken van een bepaalde groep mensen

5
New cards

Conformiteit

Zich aanpassen aan de groepsnormen om geaccepteerd te worden

6
New cards

Geen liefde

Geen enkel component is aanwezig

7
New cards

Halo-effect

Neiging om positief oordeel te vormen over een persoon op basis van 1 positief kenmerk

8
New cards

Cognitieve dissonantie

Spanning die ontstaat wanneer iemands gedrag in strijd is met diens overtuigingen

9
New cards

Zelfvervullende voorspelling

Wanneer een verwachting over iemand ervoor zorgt dat deze persoon zich ook naar die verwachting gaat gedragen

10
New cards

Sociale facilitatie

Verbetering van prestaties bij eenvoudige taken in aanwezigheid van anderen

11
New cards

Sociale inhibitie

Verslechtering van prestaties bij complexe taken door aanwezigheid van anderen

12
New cards

Attributietheorie

Verklaart hoe mensen oorzaken toeschrijven aan gedrag

13
New cards

Actor-observator-effect

Neiging om eigen gedrag aan externe factoren toe te schrijven terwijl we gedrag van anderen eerder intern verklaren

14
New cards

Primacy-effect

Eerste indruk heeft een grotere invloed op ons oordeel dan latere informatie

15
New cards

Recency-effect

Laatst verkregen informatie heeft de grootste impact op ons oordeel

16
New cards

Sociale normering

Neiging om ons gedrag af te stemmen op dat van anderen in een nieuwe of onduidelijke situatie

17
New cards

Sociale identiteitstheorie

Verklaart hoe groepslidmaatschap invloed heeft op ons zelfbeeld en gedrag tegenover anderen

18
New cards

Fundamentele attributiefout

Neiging om gedrag van anderen intern toe te schrijven

19
New cards

In-group bias

Neiging om leden van eigen groep positiever te beoordelen dan buitenstaanders

20
New cards

Out-group homogeniteitseffect

Perceptie dat leden van andere groep meer op elkaar lijken dan leden van eigen groep

21
New cards

Hoe vormen we een beeld van mensen?

Bewuste en onbewuste processen zorgen ervoor dat mensen zich heel snel een beeld van iemand vormen, beïnvloed ook verdere interacties tussen mensen

22
New cards

Percept

Zintuiglijk waarnemen (bvb. man in een trein)

23
New cards

Concept

Verdere uitwerking van het percept (bvb. man in trein = percept hoge piet is concept)

24
New cards

Waarop baseren we onze eerste indruk?

Vooral op het visuele, 3 grote blokken: Uiterlijk, lichaamstaal en gedrag

25
New cards

Wat is het eerste dat we op letten bij een eerste indruk?

Uiterlijk nemen we eerst waar, spontaan kijken we naar leeftijd, geslacht en huidskleur

26
New cards

Theorie van Mehrabian

Populaire en vaak geciteerde theorie wanneer het gaat over boodschap en manier waarop boodschap van de ene persoon naar de andere wordt overgebracht.

27
New cards

7 - 38 - 55 regel (theorie van Mehrabian)

7% wordt bepaald door woorden, 38% door inhoud, 55% door lichaamstaal. Geldt enkel wanneer boodschap ambigu of incongruent is

28
New cards

Waarneming is ook cultuur gebonden

Mensen met verschillende cultuur of etnische achtergrond bekijkt anders naar gezichten (bvb. Aziaten vinden dat Europeanen heel ronde gezichten hebben)

29
New cards

Wat is spontane beeldvorming?

We vormen vrij snel een beeld van een persoon op basis van weinig gegevens, evaluatie van onze waarneming gebeurt in miliseconden en is automatisch dus zonder bedoeling en dat je er bewust van bent

30
New cards

Aan de hand van wat gebeurt onze spontane beeldvorming?

Cognitieve schema’s

31
New cards

Cognitieve schema’s

Menselijke innerlijke structuren over wijze waarop bepaalde zaken of gebeurtenissen samenhangen, door ervaring op te doen leren we dat bepaalde dingen samen voorkomen of op elkaar volgen en deze vormen dan ons cognitief schema

32
New cards

Wat is een voordeel van cognitieve schema’s?

Sneller kunnen reageren op prikkels

33
New cards

Wat zijn de 3 functies van een cognitief schema volgens Roos Vonk?

Schijnwerper (zorgen dat de aandacht naar juiste zaken gaat)

Gatenvuller (ontbrekende informatie aanvullen)

Gedragswijzer (Door info gelinkt aan wat we zien via schijnwerper en zelfingevulde info, weten we hoe we ons moeten gedragen)

34
New cards

Gevaren en nadelen van een cognitief schema

Wat we winnen aan snelheid verliezen we aan accuraatheid en zorgen dus vaak voor stereotypering

35
New cards

Belangrijkste factoren die richting bepalen van cognitieve schema’s

Negatieve stimuli (Iets negatief vraagt dringender actie dan iets positief)

Cultuur (specifiek gedrag activeert in verschillende culturen verschillende schema’s)

School (gevaar voor eenzijdige verhalen (bvb. kolonisatie))

Particuliere ervaringen (bvb. Vrouw die bedrogen is kijkt anders naar mannen)

Priming (Recente gebeurtenis verhoogt toegankelijkheid van een bepaald schema)

Actuele gemoedstoestand en situatie

36
New cards

Interne attributie

Oorzaak van gedrag aan persoon zelf toeschrijven

37
New cards

Externe attributie

Oorzaak van gedrag toeschrijven aan omgeving/buiten persoon zelf

38
New cards

Corresponderende inferentietheorie van Jones en Davis

3 variabelen bij verklaren van iemand zijn gedrag: Keuze, situatie en gevolgen

39
New cards

Covariatiemodel van Kelly

3 variabelen: Consensus (hoe lager conSensus, hoe sterker er intern geattribueerd wordt vb als ik het alleen ben ben ik het probleem)

Distinctiviteit (hoe lager distincitiviteit, hoe sterker intern geattribueerd wordt vb als ik het in veel verschillende situaties heb, ben ik het probleem))

Consistentie (Hoe hoger consistentie hoe sterker interne attributie)

40
New cards

Persoonsattributie

Situatie met lage consensus, lage distinctiviteit en hoge consistentie

41
New cards

Situationele attributie

Situatie met hoge consensus, hoge distinctiviteit en hoge consistentie

42
New cards

Combinatie van persoons- en situatieattributie

Situatie met lage consensus, hoge distinctiviteit en hoge consistentie

43
New cards

Het toeval

Situatie met lage consensus, hoge distinctiviteit en lage consistentie

44
New cards

De actor-observatie-attributiefout

Wanneer je jezelf zowel in positie van toeschouwer als in die van actor zet, ga je minder makkelijk bepaald gedrag intern attribueren door zelfbescherming

45
New cards

Impliciete persoonlijkheidstheorie

Mentale schema’s waarmee we eigenschappen van een persoon groeperen en verbanden leggen (bvb. als iemand intelligent overkomt, denken we ook dat die persoon verantwoordelijk en ambitieus is)

46
New cards

Gelijk-aan-mij-effect

Mensen beoordelen anderen positiever als ze overeenkomsten zien met zichzelf (bvb. interesses)

47
New cards

Projectie

Toeschrijven van eigen gevoelens of eigenschappen aan anderen, vaak als afweermechanisme. (Bvb. iemand die onzeker is kan anderen als onzeker zien)

48
New cards

Pygmalion-effect

Een specifiek soort zelfvervullende voorspelling waarbij hogere verwachtingen leiden tot betere prestaties

49
New cards

Sociale categorisering

Opdelen van mensen in groepen op basis van gedeelde kenmerken zoals etniciteit, geslacht of beroep. Kan storend zijn door binair denken en gelinkt aan superioriteit en macht. Werkelijkheid wordt veel te simpel. Ontstaan van assimilatie en contrast

50
New cards

Stereotypen

Vaststaande, vereenvoudigde opvattingen over een groep mensen, bvb. alle wetenschappers zijn nerds

51
New cards

Shooter bias

Neiging om sneller een dreiging te zien bij bepaalde groepen mensen, wat kan leiden tot discriminerende reacties, bvb. politieagenten die sneller schieten op ongewapende mensen uit gemarginaliseerde groep

52
New cards

Sociale identiteitstheorie

Theorie die stelt dat ons zelfbeeld deels bepaald wordt door groepen waartoe we behoren (bvb. nationaliteit of sportclubs)

53
New cards

Priming

Fenomeen waarbij eerdere ervaringen bepaalde schema’s activeren, waardoor we nieuwe informatie anders waarnemen (bvb. Iemand die net over criminaliteit las, zal sneller denken dat iemand met hoodie een dief is)

54
New cards

Chronische priming

Wanneer bepaalde mentale concepten voortdurend geactiveerd blijven in iemands geheugen, waardoor ze invloed hebben op verwerking van informatie

55
New cards

Rosenhan-experiment (1973)

Onderzoek waarin gezonde mensen zich voordeden als psychiatrische patiënten om te tonen hoe diagnoses kunnen leiden tot verkeerde percepties van gedrag

56
New cards

Attributiefouten

Systematische fouten bij toeschrijven van oorzaken aan gedrag, zoals fundamentele attributiefout en actor-observator-effect

57
New cards

4 belangrijke kenmerken bij gelijk-aan-mij-effect

Fysieke gelijkenissen: positievere gevoelens bij mensen die op ons lijken qua uiterlijk

Persoonlijkheids- en gedrag kenmerken: meer aangetrokken tot mensen met vergelijkbare persoonlijkheid

Attitudes en waarden: mensen met dezelfde opvattingen, overtuigingen en waarden

Interesses en voorkeuren: delen van gemeenschappelijke hobby’s

58
New cards

Zelfcategorisering

Manier waarop individu zichzelf ziet als lid van bepaalde groep, wat zelfbeeld en gedrag beïnvloedt

59
New cards

In-group

Groep waarmee individu identificeert en toebehoort

60
New cards

Out-group

Groep waartoe individu niet behoort en vaak als anders of minder positief beoordeelt

61
New cards

Multicollectiviteit

Fenomeen waarbij mensen tot meerdere groepen tegelijk horen, elk met eigen cultuur

62
New cards

Doel van zelfcategorisatie

Verkrijgen van goed zelfbeeld, zorgt ook voor sterk vertekend beeld en vertekende waardering van leden van groep waar we al dan niet toe behoren

63
New cards

Gevolgen wanneer iemand van groep verandert

Radicale verandering in onze attitude tegenover die persoon

64
New cards

Stereotypering

Gegeneraliseerd beeld of overtuiging over een groep mensen dat niet perse op feiten is gebaseerd

65
New cards

Assimilatie

Wanneer er zaken in een categorie geplaatst worden, zullen verschillen binnen categorie verkleinen

66
New cards

Contrast

Fenomeen waarbij oordeel over een individu of situatie verschuift in tegenovergestelde richting van geactiveerd concept

67
New cards

Zelfcategoriseringstheorie (Turner, 1985)

Theorie die stelt dat mensen zichzelf categoriseren als lid van groep om een positief zelfbeeld te krijgen

68
New cards

Houding tegenover in-group

Mensen bevoordelen leden van eigen groep, zowel in gedrag als attributies

69
New cards

Houding tegenover out-group

Mensen kunnen negatiever zijn tegenover leden van out-group, vooral als hun sociale identiteit bedreigd wordt

70
New cards

Minimale groepssituatie (Tajfel, 1971)

Betekent dat mensen al een sterke voorkeur kunnen hebben voor eigen groep, zelfs als groep willekeurig ingedeeld is

Voorbeeld: Tajfel verdeelde mensen willekeurig in 2 groepen (bvb op basis van voorkeur van 2 schilderijen), ondanks niet-gebaseerde groepsindeling gaven mensen toch voorkeur aan eigen groep en gaven ze hun sneller beloningen

71
New cards

Tegengif tegen stereotypen

Strategieën om stereotype denken te verminderen, zoals bewustwording, contact met out-group en doorbreken van automatische associaties

72
New cards

De Zajonc-oplossing

Theorie die verklaart waarom sociale facilitatie optreedt: aanwezigheid van anderen verhoogt opwinding, wat prestaties beïnvloedt

73
New cards

Sociaal belemmeringseffect

Ander woord voor sociale inhibitie, aanwezigheid van anderen zorgt voor slechtere prestaties bij moeilijke taken

74
New cards

Ringelmann-effect

Hoe groter een groep, hoe minder inspanning elk individu levert (bvb. trekken aan een touw is minder krachtig per persoon als groep groter wordt)

75
New cards

Sociaal compenseren

Tegenovergestelde van social loafing, sommige groepsleden doen extra moeite om tekort van minder actieve groepsleden te compenseren

76
New cards

De verwachte evaluatietheorie

Theorie die stelt dat angst voor beoordeling door anderen bepaalt of sociale facilitatie of inhibitie optreedt

77
New cards

Deïndividuatie

In groepen verliezen mensen hun individuele identiteit en gedragen ze zich impulsiever of extremer

78
New cards

Deïndividuatiehypothese

Theorie die stelt dat anonieme groepsomgevingen mensen minder verantwoordelijk maken voor hun daden

79
New cards

Deïndividuatiegedrag

Gedrag dat voorkomt uit deïndividuatie, zoals extreme acties, impulsiviteit of agressie

80
New cards

Gevolg van stereotypering

Via illusoire correlaties (denkbeeldige verbanden) gaan we invullen en foutieve verklaringen geven

81
New cards

Voor wat zorgt stereotypering?

Tot discriminatie en priviligering. Een kenmerk van iemand negatief of positief gebruiken tegen die persoon in een situatie waar dit niet van belang is

82
New cards

Allerbelangrijkste bij stereotypering

Bewust zijn van gedrag, wanneer je weet dat je zo denkt kan je je gedrag sturen

83
New cards

Attitude

Evaluatie van mensen, objecten of ideeën in termen van positief/negatief

84
New cards

Richting

Oriëntatie van een attitude (positief, neutraal, negatief)

85
New cards

Intensiteit

Hoe sterk iemand iets goed of slecht vindt

86
New cards

Belang van attitude

Hoe relevant of belangrijk een attitude is voor iemand

87
New cards

Toegankelijkheid van attitude

Hoe snel een attitude opgeroepen wordt in geheugen

88
New cards

Ambivalentie

Aanwezigheid van zowel positieve als negatieve gevoelens over hetzelfde ondererp

89
New cards

Expliciete meting

Directe vraagstelling over attitudes

90
New cards

Impliciete mening

Observatie van gedrag dat attitude verraadt

91
New cards

Grove attitude meting

Algemene, minder gedetailleerde manier van attitudemening

92
New cards

Thurstone-schaal

Methode om attitudes te meten door uitspraken te beoordelen op vooraf vastgestelde waarde

93
New cards

Plafondeffect

Effect waarbij maximale score wordt bereikt, waardoor verdere groei of verandering niet meer zichtbaar is

94
New cards

Nabijheidseffect

Hoe dichterbij iets is, hoe groter de kans dat het invloed heeft op onze attitudes

95
New cards

Sociale wenselijkheid

Neiging om antwoorden te geven die sociaal acceptabel zijn

96
New cards

Yale Attitude Change Approach

Beïnvloeding gebeurt via bron, boodschap en ontvanger

97
New cards

Geloofwaardigheid

Hoe betrouwbaar een bron overkomt

98
New cards

Aantrekkelijkheid

Hoe fysiek of sociaal aantrekkelijk een bron is, wat kan bijdragen aan overtuigingskracht

99
New cards

Stemming

Emoties beïnvloeden de manier waarop we attitudes vormen of veranderen

100
New cards

Intelligentie

Meer intelligente mensen zijn kritischer en minder vatbaar voor oppervlakkige beïnvloeding