1/187
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
sociologie
studie van gedrag van groepen
sociale psychologie
het gedrag van individuen in sociale relaties duiden
schema
cognitieve structuur waarin eerder verworven kennis over een stimulus of concept is gerepresenteerd
looking-glass self
soort spiegel, de spiegel die iemand anders ons voorhoudt, feedback van iemand vormt mee het beeld dat je hebt over jezelf
sociale vergelijking
vergelijken met anderen, hoe doe ik het tov anderen
prototype
soort gemiddelde van een specifieke groep mensen
script
verloop van opeenvolgende acties, weten hoe het gaat verlopen
need for cognition
mensen die nood hebben om te gaan reflecteren, outside off the box denken
need for certainty
mensen die graag een zekerheid nodig hebben, een houvast nodig hebben
primacy-effect
informatie die wij eerst over iemand krijgen beïnvloedt het globale oordeel meer dan later verworven informatie
recency effect
wat als laatst komt, beïnvloedt meer het globale oordeel
configureren
het opbouwen van een schema uit losse elementen
impliciete persoonlijkheidstheorie
verwijst naar onze neiging om van iemand een compleet persoonlijkheidsprofiel uit te werken op basis van intuïtieve veronderstellingen, waarvan we ons niet altijd bewust zijn & die we vaak niet kunnen expliciteren
configureren (4)
1) opvallende kenmerken
2) primacy-effect
3) configuratiemodel Asch
4) impliciete persoonlijkheidstheorie
halo-effect
één positief kenmerk maakt de hele persoon positief
horn-effect
één negatief kenmerkt maakt de hele persoon negatief
forer-effect
of Barnum-effect, de neiging van mensen om vage & algemeen geldende uitspraken over de eigen persoon te accepteren als rake, typerende omschrijving, zonder zich te realiseren dat diezelfde omschrijving voor bijna iedereen opgaat
priming
als een schema recent gebruikt is, wordt het gemakkelijker geactiveerd, zeker de nieuwe situatie ambigu is & enige vergelijken vertoont met de vorige
repetitiepriming
herhaling van het schema
semantische priming
recent schema heeft te maken met hetzelfde concept, berust op een invloed van de conceptuele eigenschappen van een woord
cognitieve dissonantie
tegengestelde cognities/attitudes/gedragingen wekken psychologische spanning op die men wil reduceren
cognitieve dissonantie (4)
1) dollarexperimenten
2) spanningsreductie
3) verslaving & verdwazing
4) endowment effect
stockholmsyndroom
gegijzelden denken soms positief over hun gijzelnemers & voelen sympathie voor heen, zelfde proces zien we bij huishoudelijk geweld of loverboys
endowment effect
voor een bezitter van een object verhoogt de waarde alleen al omdat hij er de bezitter van is
aversie voor verlies
we verkiezen het vermijden van verlies boven het verwerven van winst
negativiteitseffect
negatieve elementen wegen zwaarder door & worden sneller opgemerkt
attributie
toeschrijven van de oorzaken van gedrag aan interne of externe factoren / verklaringen zoeken voor gedrag
interne attributie
oorzaak bij individu, dispositioneel
externe attributie
oorzaak bij omstandigheden of omgeving, situationeel
locus of control
een plaats, waar men de controle legt
dispositionele attributies
het toeschrijven van het gedrag van de actor aan interne eigenschappen
situationele attributies
het gedrag wordt toegeschreven aan externe factoren
stabiele attributie
betekent dat de oorzaak als blijvend wordt beschouwd, ze varieert niet
instabiele attributie
oorzaak kan wel variëren
controleerbaar
oorzaken kunnen beheersbaar zijn
oncontroleerbaar
oorzaken waar men geen vat op heeft
globaal
algemeen toepasbaar
specifiek
geldig voor een specifieke situatie
criteria van attributies
1) intern/extern
2) stabiel/onstabiel
3) controleerbaar/oncontroleerbaar
4) globaal/specifiek
attributietheorieën (4)
1) zelfwaarnemingstheorie (Ben)
2) corresponderende inferentietheorie (Jones & Davis)
3) covariatiemodel (Kelley)
4) tweestappenmodel (Gilbert)
zelfwaarnemingstheorie (BEM)
vertrekt van het idee dat we onszelf leren kennen door ons eigen gedrag (kritisch) te observeren, als we geen verklaring hebben voor hoe ons lichaam zich voelt dan zijn we vatbaar voor beïnvloeding van anderen
arousal
verhoogde lichamelijke activatie
corresponderende inferentietheorie (Jones & Davis)
we proberen anderen te begrijpen door observatie & analyse van hun gedrag
correspondente gevolgtrekking
een conclusie die we maken dat overeenkomt
covariatiemodel (Kelley)
mate waarin gebeurtenissen samen voorkomen
consensus
overeenstemming
distinctiviteit
onderscheid in situaties
consistentie
vasthoudendheid in situaties
tweestappenmodel (Gilbert)
1) automatisch persoonlijke attributies maken
2) aanpassen obv informatie van situationele factoren
vertekeningen (7)
1) self-serving bias & zelfbeeld
2) beperkte rationaliteit & heuristieken
3) valse consensuseffect
4) basisfrequentievalstrik & tegenfeitelijk denken
5) fundamentele attributiefout
6) actor-observator
7) self-fulfilling prophecy
self-enhancement
de neiging om oorzaken van succes aan onszelf toe te schrijven
self-defence
voor onze mislukkingen verwijzen we naar externe oorzaken
self-serving bias
functie voor onze eigenwaarde te beschermen & op peil te houden
beperkte rationaliteit & heuristieken
veel sociale info te verwerken, weinig tijd om mensen te beoordelen
heuristieken
vuistregels waarmee kans op succes bij oplossen probleem vergroot
valse consensuseffect
overschatting van mate van overeenkomst met eigen opvattingen & gedrag
basisfrequentievalstrik
ongevoeliger voor statistieken dan spectaculaire gebeurtenissen
fundamentele attributiefout
sterke tendens om de persoon zelf als oorzaak te zien van zijn gedrag, gedragskenmerk wordt tot persoonskenmerk gemaakt
actor-observatoreffect
treedt op als je het gedrag van anderen toeschrijft aan interne factoren, maar je eigen gedrag toeschrijft aan externe of situationele factoren
self-fulfilling prophecy
de verwachtingen die je hebt zorgen ervoor dat die verwachtingen uitkomen
conformisme of meerderheidsinvloed
neiging die mensen hebben om eigen gedrag/mening te veranderen obv een groep
conformisme of meerderheidsinvloed (6)
1) Sherif & het autokinetisch effect
2) Jacobs & Campell & het verdwijnen van beïnvloedingsbron
3) Festinger & sociale vergelijkingstheorie
4) Lijnexperiment van Asch
5) informatieve & normatieve beïnvloeding
6) beïnvloedende factoren
sociale vergelijkingstheorie
mensen gaan zichzelf met anderen vergelijken als objectieve informatie ontbreekt
opwaartse sociale vergelijkingen
vergelijken met anderen die beter presteren, opkijken naar iemand, doel: identificeren, je wil hetzelfde bereiken als de ander
neerwaartse sociale vergelijkingen
vergelijken met anderen die het minder goed hebben om zo ons zelfbeeld positief te houden
beïnvloeding
interactie waarbij het gedrag van de ene actor verandert via het proces van overtuigen
normatieve beïnvloeding
bij de groep willen horen, conformeren aan de verwachtingen van de andere
informatieve beïnvloeding
minder vertrouwen in eigen oordeel
privaat conformisme
wanneer we ook voor onszelf gaan conformeren --> je gelooft voor jezelf dat het antwoord van de anderen juist is --> je twijfelt aan jezelf & je past je mening aan
publiek conformisme
wel in publiek gaan meedoen met de groep, maar je bent er niet van overtuigd, doet het om mee te doen met de groep
innovatie of minderheidsinvloed
de hele groep doet altijd hetzelfde & er komt één persoon die iets anders doet
diachronisch consequent
intra-individuele consequentheid of stabiliteit over de tijd
synchronisch consequent
inter-individuele consequentheid binnen de minderheid, de minderheid moet synchroon consequent zijn door tegelijk hetzelfde te beweren
agentic state
een toestand waarin je je bevindt, ik doe wat er gevraagd wordt, bevel is bevel
sociale belemmering
het feit dat de toezichter bij jou passeert zorgt ervoor dat ik mij minder kan concentreren
sociale facilitatie
proces waarbij aanwezigheid van anderen het uitvoeren van eenvoudige taken bevordert
eenvoudige taak
correcte respons / verbetering van de prestaties
complexe taak
incorrecte respons / belemmering van de prestaties
dominante respons
acties die simpel, instinctief en/of goed geleerd zijn zodat ze automatisch kunnen worden uitgevoerd zonder veel bewuste gedachten
niet-dominante actie
actie die veel concentratie & aandacht vraagt
distractie-conflicttheorie
aandacht verdelen, men kan zijn aandacht vaak maar op één doel richten
sociaal meeliften
doorgaans minder inspannen bij groepsprestaties
sucker-effect
denken dat andere free riders zijn, ook niet meer optimaal meedoen
altruïsme
een sociale handeling waarbij men een optimale of maximale opbrengst voor de ander beoogt, zonder daarbij rekening te houden met de kosten of opbrengsten voor zichzelf
the selfish genes, Dwakins
we willen succesvol voortplanten dus we beschermen onze eigen familie meer
verwantschapsselectie
bloedverwanten zijn dragers van dezelfde & als je een bloedverwant helpt, help je indirect jezelf omdat je de genen die je gemeenschappelijk hebt, helpt instandhouden
directe fitness
de voortplanting van genen die hij zelf realiseert
indirecte fitness
de voortplanting van gemeenschappelijke genen door bloedverwanten
inclusive fitness
directe + indirecte fitness
wederkerig altruïsme
mensen die iets doen voor iemand anders maar er zit een wederkerigheid, je doet iets omdat je denkt dat er iets van zal terugkomen
wederkerig altruïsme (5)
1) dieren
2) kosten-batenanalyse
3) ultimatum game
4) prisoner's game
5) emoties
kosten-baten analyse
de kosten om anderen te helpen moeten relatief laag zijn vergeleken met de opbrengsten die daar later tegenover staan
empathie
het vermogen om je in te leven in de gedachten & gevoelens van anderen
empathie (2 componenten)
1) cognitieve component
2) emotionele component
theory of mind
het menselijke vermogen om zich een beeld te vormen van wat de ander ziet, voelt & denkt, vanuit het perspectief van die ander
stappenplan hulp bieden
1) opmerken
2) interpreteren
3) verantwoordelijkheid nemen
4) hoe gaan we helpen
5) hulp bieden
bystandereffect
of omstaanderseffect, hoe meer omstaanders getuige zijn van een noodgeval, hoe kleiner de kans is dat iemand vlug het slachtoffer te hulp schier
situationele factoren
plaats waar de noodsituatie zich voordoet
situationele factoren (3)
1) grotere anonimiteit
2) asluiten tov teveel aan stimuli
3) diversiteit --> minder similariteit
sociale categorisatie
cognitieve proces waarbij individuen geclassificeerd worden als lid van groep of categorieën