Thema 4

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/136

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 9:18 PM on 6/23/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

137 Terms

1
New cards

Wat is acute nierinsufficiëntie?

Een snelle achteruitgang van de nierfunctie, waardoor afvalstoffen, vocht en elektrolyten minder goed worden uitgescheiden.

2
New cards

Wat doen de glomeruli?

Ze filteren bloed. Per dag wordt ongeveer 180 L voorurine gevormd, waaruit uiteindelijk ongeveer 2 L urine ontstaat.

3
New cards

Wat doet de proximale tubulus?

Reabsorbeert belangrijke stoffen zoals natrium, glucose en aminozuren.

4
New cards

Waar vindt veel vochtregulatie plaats?

Vooral in de lis van Henle, distale tubulus en verzamelbuis.

5
New cards

Welke functies hebben de nieren?

Urineproductie, afvalstoffen uitscheiden, bloeddrukregulatie via RAAS, EPO-productie, vitamine D-activatie en zuur-base-regulatie

6
New cards

Welke klachten/gevolgen kunnen ontstaan bij nierfalen?

Volume-overload, hyperkaliëmie, hypertensie, anemie, slechte botkwaliteit en metabole acidose.

7
New cards

Waarom kan nierfalen hyperkaliëmie geven?

Kalium wordt minder goed uitgescheiden. Hyperkaliëmie kan hartritmestoornissen veroorzaken.

8
New cards

Waarom ontstaat anemie bij nierfalen?
Door verminderde productie van EPO, waardoor minder erytrocyten worden aangemaakt.

Door verminderde productie van EPO, waardoor minder erytrocyten worden aangemaakt.


Minder vitamine D-activatie → minder calciumopname → hypocalciëmie → PTH stijgt → calcium wordt uit bot gehaald.

9
New cards

Wat gebeurt er bij activatie van RAAS?

-macula densa celle in het juxtaglomerulaire apparaat produceren renine
Renine → angiotensine I → angiotensine II. Angiotensine II geeft vasoconstrictie, stimuleert aldosteron, ADH en dorst.

10
New cards

Waarom gebruik je creatinine als marker voor nierfunctie?

Creatinine wordt door de nieren uitgescheiden. Hoe hoger creatinine in bloed, hoe slechter de nierfunctie meestal is.

11
New cards

Wat is prerenale acute nierinsufficiëntie?

Nierfalen door verminderde nierperfusie, bijvoorbeeld door dehydratie, diarree, braken, zweten of diuretica. De nier zelf is in principe intact.

12
New cards

Wat verwacht je bij lichamelijk onderzoek bij prerenale nierinsufficiëntie?
Wat is de behandeling van prerenale nierinsufficiëntie?

Lage bloeddruk en gewichtsverlies/tekenen van dehydratie.

Vocht aanvullen, bijvoorbeeld met infuus, en oorzaak aanpakken.

13
New cards

Wat is postrenale acute nierinsufficiëntie?

Nierfalen door obstructie van urine-afvloed, bijvoorbeeld prostaathypertrofie, tumor, urethrastrictuur, nierstenen of blaasdysfunctie.

14
New cards

Waarom kan postrenale obstructie nierschade geven?

Door drukstuwing richting nieren ontstaat schade aan nierweefsel, soms met littekenvorming. Bij tijdig behandelen deels reversibel.

15
New cards

Welke diagnostiek past bij postrenale nierinsufficiëntie?

Echo, waarbij vaak een opgezet pyelum/hydronefrose door stuwing zichtbaar kan zijn.

16
New cards

Wat is renale acute nierinsufficiëntie?

Nierfalen door schade in de nier zelf: vasculair, glomerulair, tubulair of interstitieel.

17
New cards

Hoe helpt urineonderzoek bij renale nierinsufficiëntie?

Bloed/erytrocytencilinders wijst op nefritisch/glomerulair. Eiwit wijst op nefrotisch/glomerulair. Normale urine past eerder bij tubulo-interstitieel.

18
New cards

Wat past bij glomerulonefritis?

Hematurie, dysmorfe erytrocyten en erytrocytencilinders; soms proteïnurie en nierfunctieverlies.

19
New cards

Wat past bij tubulo-interstitiële nefritis?

vaak door overgevoeligheidsreactie op medicatie. Nierbiopt toont ontstekingscellen rond tubuli. Behandeling kan prednison zijn.

20
New cards

Wat is acute tubulusnecrose?

Tubulaire schade door hypoxie/ischemie of toxische schade. Komt bijvoorbeeld voor na shock of nefrotoxische medicatie.

21
New cards

Welke glomerulaire oorzaken kunnen nefritisch zijn?

igA-nefropathie, Alport-syndroom en vasculitis.

22
New cards

Welke glomerulaire oorzaken kunnen nefrotisch zijn?

HIV-nefropathie, diabetische nefropathie, FSGS en minimal change disease.

23
New cards

Wat is vasculitis in de nier?

Een nefritisch probleem met hematurie. Ontsteking kan crescentisch worden: uitbreiding buiten de bloedvaten naar het kapsel, waardoor sikkelvormige crescents ontstaan.

24
New cards

Wat is podocytopathie?

Schade aan podocyten aan de buitenkant van de capillairen, waardoor proteïnurie ontstaat.

25
New cards

Hoe deel je acute nierinsufficiëntie etiologisch in?

Prerenaal, renaal-vasculair, renaal-glomerulair, renaal-tubulair, renaal-interstitieel en postrenaal.

26
New cards

Welke IF-patronen horen bij glomerulaire nierziekten?

Lineair: anti-GBM/Goodpasture. Granulair: SLE-nefritis. Pauci-immuun: GPA/ANCA-vasculitis.

27
New cards

Wat is chronische nierinsufficiëntie/CNI?

Nierschade die langer dan 3 maanden bestaat, bijvoorbeeld door afwijkend urinesediment, proteïnurie/hematurie, radiologische afwijkingen of verminderde klaring/eGFR.

28
New cards

Wat is een normale nierklaring ongeveer?

ongeveer 120 ml/min. Bij CNI is de klaring vaak <60 ml/min.

29
New cards

Hoe worden CKD-stadia ingedeeld op GFR?

stadium 1: ≥90 met nierschade.
Stadium 2: 60–89.
Stadium 3: 30–59.
Stadium 4: 15–29.
Stadium 5: <15 ml/min/1,73 m².

30
New cards

Wat is het actieplan per CKD-stadium?

Risico: screening.
Stadium 1: diagnose en behandeling.
Stadium 2: progressiefactoren aanpakken.
Stadium 3: complicaties behandelen.
Stadium 4: voorbereiding dialyse/transplantatie.
Stadium 5: nierfunctievervanging.

31
New cards

Welke problemen ontstaan bij CNI?

te veel vocht/zout, ophoping van afvalstoffen, verstoring zuur-base-evenwicht en verminderde hormoonfunctie zoals EPO en vitamine D-activatie.

32
New cards

Wat zijn belangrijke oorzaken van chronische nierinsufficiëntie?

Diabetes, vasculair/nefrosclerose, glomerulair zoals IgA-nefropathie, interstitieel/refluxnefropathie, erfelijk zoals cystenieren en chronische transplantaatdysfunctie.

33
New cards

Welke risicogroepen screen je op CNI?

Patiënten met diabetes, hypertensie en hart- en vaatziekten.

34
New cards

Waarom is creatinine alleen geen perfecte marker?

Creatinine hangt af van spiermassa en stijgt pas duidelijk als de nierfunctie al flink is gedaald. Daarom gebruik je eGFR-formules zoals CKD-EPI/MDRD.

35
New cards

Wat is endogene creatinineklaring?

Schatting van klaring met 24-uurs urine en plasmacreatinine. Kan nuttig zijn, maar is onbetrouwbaar bij slechte urineverzameling en kan nierfunctie overschatten.

endogene creatinineklaring (ml/min)=
Creatinine in 24 uurs urine (mmol/24 uur)x700/plasma creatinine (micromol/L)x 700

36
New cards

Bij CNI wordt de differentiaal diagnose opgesplistst in:

-glomerulaire oorzaak: systemische aandoeningen zoals SLE of RA. Vaak ook abdere klachren + dysmorfe erytrocyen en cilinders in sediment
-Interstitiële oorzaak: medicatie als NSAID en de pil, reflux en obstructie. leukocyturie kan teken zijn van infectie maar ook van interstitiele schade
-Vasculaire oorzaak: nefrosclerose kan ontstaan op basis van hypertensie

37
New cards

Wanneer doe je een nierbiopt bij CNI?

Alleen als het therapeutische consequenties heeft, bijvoorbeeld bij progressieve nierfunctiedaling of significante proteïnurie.

38
New cards

Wat zijn contra-indicaties voor nierbiopt?

Ernstige hypertensie, bijvoorbeeld >160/100 mmHg, of verhoogde bloedingsneiging/antistolling.

39
New cards

Welke progressiefactoren moet je aanpakken bij CNI?

Hypertensie, proteïnurie, roken, progressieve vaatschade, hyperglykemie, overgewicht, hyperlipidemie en hyperuricemie.

40
New cards

Wat is de streefwaarde voor bloeddruk bij CNI volgens dit college?
Wat is de streefwaarde voor proteïnurie bij CNI?

Systolische bloeddruk <130 mmHg. Behandeling o.a. zoutbeperking, RAAS-blokkers, thiazide, calciumblokker of bètablokker.

Totaal eiwit <1,0 g/dag. Behandeling: RAAS-blokkers, zout-/eiwitbeperking en eventueel thiazide.

41
New cards

Welke leefstijlfactoren zijn belangrijk bij CNI?

Zoutbeperking, eiwitbeperking/dierlijk eiwit beperken, stoppen met roken, afvallen bij overgewicht en lichaamsbeweging.

42
New cards

Welke complicaties ontstaan vaak bij CNI?
Vanaf welk CKD-stadium nemen complicaties duidelijk toe?

Hypertensie, hyperparathyreoïdie, anemie, hyperfosfatemie, verminderde eetlust, hypoalbuminemie, metabole acidose en hyperkaliëmie.

Hypertensie vaak stadium 2–3. Hyperparathyreoïdie stadium 3. Anemie stadium 3–4. Hyperfosfatemie, verminderde eetlust en hypoalbuminemie vooral stadium 4.

43
New cards

Waarom ontstaat anemie bij CNI en hoe behandel je dit?

Door EPO-tekort. Behandeling: EPO, ijzer en eventueel vitamine C. Streef Hb volgens college >6,2 mmol/L.

44
New cards

Waarom ontstaat hyperparathyreoïdie bij CNI?

fosfaatretentie en minder actieve vitamine D → lager calcium → PTH stijgt. Dit kan botproblemen en vaatcalcificaties geven.

fosfaat retentie door afname klaring→ resistentie tegen PTH
fosfaat bindt complex met calcium→ neerslaan→ verkalking bv: tunica media!!

in nier: inactief vit D (calcidiol)→ actief vit D (calcitriol): dit lukt niet bij nierfalen

45
New cards

Hoe behandel je hyperparathyreoïdie/fosfaatproblemen bij CNI?

Vitamine D-management zoals colecalciferol/alfacalcidol, fosfaatbeperking, fosfaatbinders en soms parathyreoïdectomie bij tertiaire hyperparathyreoïdie.

46
New cards

Wat is metabole acidose bij CNI?

Bicarbonaat <22 mmol/L door gestoorde zuur-base-regulatie, o.a. minder NH4⁺-excretie. Behandeling: eiwitbeperking en natriumbicarbonaat.

47
New cards

Wat is hyperkaliëmie bij CNI?
Waarom is hyperkaliëmie gevaarlijk?

kalium >6,0 mmol/L. Oorzaken: verminderde renale excretie, acidose, kaliumrijk dieet of medicatie zoals ACE-remmers, NSAID’s en heparine.

het kan hartritmestoornissen, parese en uiteindelijk cardiale problemen veroorzaken.

48
New cards

Wanneer verwijs je naar de internist-nefroloog?

Onduidelijke oorzaak, progressieve nierfunctiedaling ondanks behandeling, metabole complicaties of stadium 4–5/GFR <30 voor voorbereiding op dialyse/transplantatie.

49
New cards

Welke ethische principes spelen bij orgaandonatie?

autonomie: De donor of ontvanger mag zelf beslissen, zonder dwang of druk van familie, artsen of omstandigheden.

rechtvaardigheid: Organen moeten eerlijk verdeeld worden volgens duidelijke criteria, niet op basis van rijkdom, status of sociale druk.

weldoen:Handelen in het belang van de ontvanger en donor, bijvoorbeeld door levenskwaliteit of overleving te verbeteren.

niet-schaden:De donor mag niet onnodig of disproportioneel risico lopen door de donatie.

50
New cards

Wat is het verschil tussen opt-in en opt-out?

Opt-in: je bent alleen donor als je actief toestemming geeft.
Opt-out: je bent donor tenzij je bezwaar maakt.

51
New cards

Welke keuzes kan iemand in het donorregister vastleggen?

Wel donor, geen donor, keuze overlaten aan familie of keuze overlaten aan een specifiek persoon.

52
New cards

Wat zijn kernpunten van de Wet op de orgaandonatie?

Verbod op commerciële orgaandonatie, centrale registratie, rechtvaardige verdeling, bescherming van donor en duidelijke vaststelling van overlijden.

53
New cards

Wat is postmortale donatie?

donatie na overlijden, bijvoorbeeld na hersendood of circulatoire dood.

54
New cards

Wat is hersendood?
Wat is circulatoire dood?

Volledig en onherstelbaar verlies van hersenfunctie, inclusief hersenstamfunctie en ademhaling. Wordt vastgesteld via een protocol.

Onomkeerbare afwezigheid van circulatie en ademhaling.

55
New cards

mogen voorbereidende handelingen voor donatie vóór overlijden plaatsvinden?

soms wel, maar alleen als ze niet strijdig zijn met behandeling van de patiënt en niet mogen doorgaan als uitstel tot na overlijden mogelijk is.

56
New cards

Wat is het ethische probleem bij donatie na euthanasie?

Men wil voorkomen dat mensen euthanasie laten plegen “voor orgaandonatie”. Ook moet de patiënt vrij blijven in de keuze voor euthanasie en donatie.

57
New cards

Welke vormen van levende donatie worden genoemd?

Directe donatie: Een donor doneert rechtstreeks aan een bekende ontvanger, bijvoorbeeld familielid of vriend.
nationale cross-over, ruilen/“paarruil” : twee donor-ontvangerparen die onderling niet compatibel zijn, wisselen donoren zodat beide ontvangers een passende nier krijgen.
altruïstische donatie: Iemand doneert anoniem en belangeloos een orgaan aan een onbekende ontvanger.

58
New cards

Welke eisen gelden voor wilsbekwame meerderjarige levende donoren?

Schriftelijke toestemming, goede informatie, begrip van gevolgen en vrijwilligheid.

59
New cards

Wat is de vergewisplicht?

De arts moet controleren of de donor de informatie goed heeft begrepen en de gevolgen overziet.

60
New cards

Wat is het ultimum remedium-criterium?

Levende donatie mag alleen als laatste redmiddel worden overwogen wanneer er geen goed alternatief is voor de ontvanger.

61
New cards

Wanneer mogen wilsonbekwamen of minderjarigen levend doneren?

Alleen onder strenge voorwaarden: regenererend orgaan, geen blijvende gevolgen, ontvanger is tweedegraads bloedverwant, laatste redmiddel, en toestemming van vertegenwoordiger/donor/kinderrechter.

62
New cards

Waarom is verkoop van organen verboden?

Het bedreigt lichamelijke integriteit, vergroot risico op exploitatie, kan orgaankwaliteit verminderen en maakt organen vooral toegankelijk voor rijke mensen.

63
New cards

Welke spanning kan ontstaan bij levende donatie binnen familie/vriendengroep?

schuld, loyaliteit, sociale druk en angst om iemand af te wijzen kunnen vrijwillige toestemming beïnvloeden.

64
New cards

Wat moet een hulpverlener doen bij spanning rond donatie?

Autonomie bewaken, druk bespreekbaar maken, neutraal blijven, empathisch begeleiden en zorgen dat donor/ontvanger veilig kunnen beslissen.

65
New cards

Welke vragen spelen bij verdeling van organen?

Wie heeft recht op een orgaan, hoe worden wachtlijsten verdeeld en welke criteria zijn rechtvaardig?

66
New cards

Wat zijn belangrijke ethische vragen bij levende donatie?

Is het voordeel voor de ontvanger groot genoeg? Is de schade voor de donor aanvaardbaar? Is de keuze echt vrijwillig? Is de verdeling eerlijk?

67
New cards

Wanneer denk je aan nierfunctievervangende therapie?

Bij ernstig nierfalen, vaak bij nierfunctie <10%, wanneer afvalstoffen/vocht/elektrolyten onvoldoende gereguleerd worden.

68
New cards

Welke vormen van nierfunctievervangende therapie zijn er?

Afwachten/conservatief beleid, dialyse en niertransplantatie.

69
New cards

Welke nierfuncties kan dialyse gedeeltelijk overnemen?

Verwijderen van afvalstoffen, overtollig zout en vocht, en regulatie van volume/metabolisme.

70
New cards

Welke nierfuncties neemt dialyse niet goed over?

Endocriene functies zoals EPO-productie en vitamine D-activatie. Daarom zijn vaak medicatie/supplementen nodig.

71
New cards

Wat is hemodialyse?

Bloed wordt via een kunstnier gezuiverd, meestal 3 keer per week 3–4 uur in een dialysecentrum.

72
New cards

Hoe werkt een kunstnier bij hemodialyse?

Bloed stroomt langs een semipermeabel membraan; afvalstoffen gaan naar dialysaat via diffusie en vocht wordt verwijderd via ultrafiltratie.

73
New cards

Wat is het verschil tussen diffusie, osmose, ultrafiltratie en convectie?

Diffusie = stoffen verplaatsen langs concentratiegradiënt.
Osmose = waterverplaatsing door concentratieverschil.
Ultrafiltratie = vochtverplaatsing door drukverschil.
Convectie = opgeloste stoffen gaan mee met gefilterd vocht.

74
New cards

Wat is het tegenstroomprincipe bij hemodialyse?

Bloed en dialysaat stromen in tegengestelde richting, waardoor uitwisseling van afvalstoffen efficiënter verloopt.

75
New cards

Welke vaattoegang gebruik je bij langdurige hemodialyse?

Bij voorkeur een arterioveneuze fistel/AVF: directe verbinding tussen arterie en vene, meestal pols of onderarm.

76
New cards

Wat is het verschil tussen AVF, AVG en centraal veneuze katheter?

AVF = eigen arterie-vene verbinding. AVG = kunststof graft tussen arterie en vene. CVK = katheter in grote vene, vooral tijdelijk/urgent.

77
New cards

Wat is het nadeel van intermitterende hemodialyse?
Welke complicaties horen bij intermitterende hemodialyse?

Dialyse is pieksgewijs: tussen sessies stapelen vocht/afvalstoffen op en tijdens dialyse worden ze snel verwijderd.

Hemodynamische instabiliteit, hypotensie, chronische overvulling, ritmestoornissen en strikte vocht-/dieetbeperkingen.

78
New cards

Wat is peritoneale dialyse?

Dialyse via het peritoneum: dialysaat wordt via een katheter in de buikholte gebracht; afvalstoffen diffunderen door het peritoneaal membraan.

79
New cards

Hoe wordt vocht verwijderd bij peritoneale dialyse?

Door osmotisch drukverschil: glucose in dialysaat trekt water uit het lichaam naar de buikholte.

80
New cards

Wat is het verschil tussen CAPD en CCPD?

CAPD: patiënt wisselt handmatig meerdere keren per dag dialysaat. CCPD: machine wisselt automatisch ’s nachts meerdere keren.

81
New cards

Wat zijn voordelen van peritoneale dialyse?

Continuere techniek, minder cardiovasculaire belasting, betere controle van vocht, meer zelfstandigheid, minder ziekenhuisbezoek en beter te combineren met werk/sociaal leven.

82
New cards

at zijn nadelen van peritoneale dialyse?

Peritonitis, katheterinfecties, katheterdislocatie, hernia, gewichtstoename/risico op obesitas en technisch falen.

83
New cards

Waarom wordt dialyse vaak als overbrugging gezien?

Dialyse is levensreddend, maar geeft verhoogd cardiovasculair risico, lagere levensverwachting en verminderde kwaliteit van leven vergeleken met transplantatie.

84
New cards

Wat zijn voordelen van niertransplantatie t.o.v. dialyse?

Geen intensieve dialysebehandeling, minder beperkingen in vocht/voeding, betere conditie en meestal langer leven.

85
New cards

Wat gebeurt er bij niertransplantatie met de eigen nieren?

Die blijven meestal zitten. De donornier wordt aangesloten op bloedvaten en ureter.

86
New cards

Welke nadelen heeft niertransplantatie?

Operatierisico’s, urinelekkage, infecties, afstoting en levenslang gebruik van afweeronderdrukkende medicatie.

87
New cards

Welke onderhoudsmedicatie wordt vaak gebruikt na transplantatie?

Prednison, calcineurineremmer zoals ciclosporine/tacrolimus en antimetaboliet zoals azathioprine of mycofenolaatmofetil.

88
New cards

Wat is acute afstoting?

Afstoting in vooral het eerste halfjaar/jaar, vaak door onvoldoende immunosuppressie. Kenmerken: stijgend creatinine, minder urine, hoge bloeddruk, koorts en pijn bij transplantaat.

89
New cards

Wat is chronische afstoting?

langzame achteruitgang van transplantaatfunctie op lange termijn, met stijgende bloeddruk en dalende nierfunctie. Geen klassieke afstotingskuur, soms medicatie aanpassen.

90
New cards

Wat zijn nadelen van immunosuppressiva na transplantatie?

Meer infecties en maligniteiten, cardiovasculair risico, diabetes, botontkalking en medicatiespecifieke bijwerkingen.

91
New cards

Wat zijn voordelen van levende donatie?

Kortere wachttijd, transplantatie vóór start dialyse mogelijk, operatie beter planbaar en vaak betere orgaanoverleving.

92
New cards

Welke factoren bepalen wachttijd bij transplantatie?

Weefselmatch, aanwezigheid van antistoffen tegen weefselcodes en wachttijd.

93
New cards

Wat is de overleving na niertransplantatie volgens dit college?

Na 1 jaar ongeveer 90–95%; na 5 jaar ongeveer 55–70%.

twee manieren nieren beinvloed:
-50% overlijd wnr nieren nog goede functie hebben→ vaker cardiovasculaire ziekten met bijkomende complicaties
-40%: nierfalen→ slecht orgaan kwaliteit, rejectie, medicatie, opnieuw een nierziekte

94
New cards

Waarom passen anemie, hoog fosfaat en laag bicarbonaat bij chronische nierinsufficiëntie?

Minder EPO → anemie. Minder fosfaatexcretie → hyperfosfatemie. Minder zuur-base-regulatie/regeneratie bicarbonaat → metabole acidose.

95
New cards

Wanneer denk je bij nierinsufficiëntie aan postrenale obstructie?

Oudere man met LUTS zoals nycturie, nadruppelen, zwakke straal, urineretentie of verhoogd residu. Echo kan hydronefrose of blaasresidu tonen.

96
New cards

Wat past bij medicamenteuze tubulo-interstitiële nefritis?

acute nierinsufficiëntie na medicatie zoals antibiotica/NSAID’s/PPI’s, vaak zonder actief sediment. Behandeling: stop uitlokkend middel, soms corticosteroïden.

97
New cards

Wat zijn mogelijke oorzaken van tubulo-interstitiële nefritis?

Medicatie, infecties zoals CMV/EBV, en auto-immuunziekten zoals Sjögren.

98
New cards

Welke SLE-vragen moet je stellen bij verdenking lupusnefritis?
Welke diagnostiek hoort bij verdenking lupusnefritis?

Fotosensitieve huidafwijkingen, gewrichtsklachten, koorts, vermoeidheid, pleuritis/pericarditis-klachten, buikpijn/ascites en andere systeemklachten.

Creatinine/eGFR, urinesediment, proteïnurie, C3/C4, ANA, anti-dsDNA, leverfuncties, volledig bloedbeeld en eventueel nierbiopt.

99
New cards

Hoe onderscheid je nefritische en nefrotische lupusnefritis?

Nefritisch: immuuncomplexen slaan neer binnen capillairen → complementactivatie, leukocyten, hematurie/dysmorfe erytrocyten. Nefrotisch: immuuncomplexen meer buiten capillairen/podocytschade → forse proteïnurie.

100
New cards

Wat past bij GPA/ANCA-vasculitis?
Welke klachten in de casus wijzen richting GPA?
Welke aanvullende diagnostiek doe je bij verdenking vasculitis/GPA?

Systeemklachten, KNO/longafwijkingen, glomerulonefritis met actief sediment, snel stijgend creatinine en vaak PR3-ANCA positief.

Oogontsteking/scleritis, kortademigheid, bolvormige longafwijkingen, gewichtsverlies/nachtzweten en acute nierinsufficiëntie met dysmorfe erytrocyten/proteïnurie.

Urinesediment, ANCA, anti-GBM, ANF/ANA, dagelijks creatinine/urineproductie volgen en eventueel nierbiopt.