Flashcards Beschrijvende Macro-economie (Hoofdstuk 24) - BBP, Kringloop en Maatstaven

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
GameKnowt Play
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/31

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Kleine set flashcards met kernbegrippen uit de lezingen over BBP, de kringloop, meetmethoden en inflatie. gericht op definities en basisverbanden (Voca-opzet).

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced

No study sessions yet.

32 Terms

1
New cards

BBP (Bruto Binnenlands Product)

De totale toegevoegde waarde geproduceerd binnen een geografische entiteit gedurende een periode; som van alle finale goederen/diensten of som van alle gerealiseerde inkomens.

2
New cards

BBP volgens de productiebenadering

BBPproductie = TWbedrijven + TWoverheden + TWgezinnen (toegepaste waarde van productie).

3
New cards

TW (toegevoegde waarde)

Waarde die productie toevoegt: omzet minus de waarde van intermediaire inputs.

4
New cards

BBP volgens de inkomstenbenadering

BBPinkomen = Yarbeid + Ykapitaal + Tindirect (netto-schatting van indirecte belastingen en subsidies).

5
New cards

BBP tegen marktprijzen vs. tegen factorkosten

BBP tegen marktprijzen = Yarbeid + Ykapitaal + Tindirect; BBP tegen factorkosten = Yarbeid + Ykapitaal.

6
New cards

Bestedingenbenadering BBP

BBPbestedingen = C + I + G + (X – M); optelling van finale bestedingen door gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland.

7
New cards

NX (netto-export)

Saldo van export en import; NX = X – M.

8
New cards

Consumptie (C)

Consumptieve bestedingen van gezinnen aan finale goederen en diensten.

9
New cards

Investeringen (I)

Bruto-investeringen: uitgaven aan vast kapitaal door bedrijven, gezinnen en overheid, inclusief uitbreidings- en vervangingsinvesteringen en voorraden.

10
New cards

Overheidsbestedingen (G)

Bestedingen van de overheid aan goederen en diensten; lonen van ambtenaren, infrastructuur, etc.

11
New cards

X – M (netto-export)

Export minus import; onderdeel van bestedingen en van NX.

12
New cards

BNI (Bruto Nationaal Inkomen)

BBP + NFI (netto-factorinkomens).

13
New cards

NNI (Netto Nationaal Inkomen)

BNI min depreciatie D ( NNBI = NNI + NTR, later).

14
New cards

NFI (netto-factorinkomens)

Inkomens verworven uit inzet factorarbeid of kapitaal minus inkomens naar buitenland; netto van factorinkomens.

15
New cards

D (depreciatie)

Depreciatie/afschrijving van kapitaal; verbruik van vaste activa.

16
New cards

NNI tegen factorkosten

NNI = BBP + NFI − D.

17
New cards

NNBI (Netto Nationaal Beschikbaar Inkomen)

NNBI = NNI + NTR; inkomen beschikbaar voor consumptie na transfers.

18
New cards

NTR (Netto Transfers)

Netto transfers: netto ontvangen of betaalde transfers uit buitenland (ITR/UTr).

19
New cards

Indirecte belastingen en subsidies (Tindirect)

Deel van TW die via indirecte belastingen naar de overheid gaat; subsidies verminderen die belastingdruk.

20
New cards

Intermediaire inputs

Goederen/diensten die gebruikt worden om productie te realiseren; kosten van deze inputs verminderen de toegevoegde waarde.

21
New cards

BBP tegen marktprijzen

BBP gemeten tegen marktprijzen inclusief indirecte belastingen en subsidies.

22
New cards

BBP deflator en CPI

BBP-deflator is de impliciete prijsindex van BBP; CPI is de prijsindex voor een mandje goederen/diensten; beide meten inflatie/deflatie.

23
New cards

Nominaal vs. Reëel BBP

Nominaal BBP (lopende prijzen); Reëel BBP (constante prijzen, ge-deflateerd met een basisjaar).

24
New cards

Koopkrachtpariteitswisselkoers (PPP)

Wisselkoers die ervoor zorgt dat een goederenbundel dezelfde kosten heeft in twee landen; gebruikt om BBP per hoofd vergelijkbaar te maken.

25
New cards

Spilindex

Index die loon/pensioenen aanpassen wanneer deze overschreden wordt; meestal gerelateerd aan inflatie en kosten van levensonderhoud.

26
New cards

Inflatie en deflatie

Inflatie: algemene prijsstijging; deflatie: algemene prijsdaling; beide gemeten via prijsindices.

27
New cards

HICP en CPI

HICP = Harmonised Index of Consumer Prices; CPI = prijsindex voor consumptie door huishoudens; gebruikt voor vergelijkingen.

28
New cards

Geldkringloop vs reële kringloop

Kringloop zonder en met rekening van geldstromen; reële kringloop toont productie/inkomens/bestedingen; geldkringloop toont monetaire stromen.

29
New cards

Fisher-identiteit MV = PQ

MV = hoeveelheid geld × snelheid van geld = prijsniveau × hoeveelheid transacties; geld en prijs/income-relaties.

30
New cards

Easterlin-paradox

Groei van BBP laat niet altijd correlatie zien met geluk/welvaart op lange termijn.

31
New cards

HDI (Human Development Index)

Index met levensverwachting, scholing en inkomen per hoofd als alternatief voor BBP om welvaart te meten.

32
New cards

Kringlopen van België (praktisch voorbeeld)

Illustraties uit de notities tonen hoe BBP, inkomen en bestedingen elkaar beïnvloeden in een gesloten/open setting.