1/97
MODULE 2; DEEL 1: specifieke anatomie van de schouder in het bovenste lidmaat (osteologie, arthrologie, myologie en bewegingen per gewricht, plexus brachialis) MODULE 2, DEEL 2: specifieke anatomie van de elleboog en pols in het bovenste lidmaat (osteologie, arthrologie, myologie en bewegingen per gewricht, plexus brachialis)
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Wat zijn de twee hoofddelen van het skelet van het bovenste lidmaat en welke botten horen daarbij? Noem één belangrijk functioneel verschil met de bekkengordel
Schoudergordel (Cingulum): Clavicula en Scapula.
Vrij bewegend deel: Humerus, radius, ulna, handwortelbeentjes, etc.
Belangrijk verschil: De schoudergordel heeft geen dorsale verbinding met de wervelzuil (alleen via spieren), wat de bewegingsvrijheid enorm vergroot. Het bekken heeft een stevige, weinig beweeglijke verbinding (art. sacroiliaca) voor stabiliteit.
Hoe ligt de scapula in de anatomische houding en wat is de richting van de cavitas glenoidalis? Leg uit waarom deze oriëntatie functioneel belangrijk is.
De scapula maakt een hoek van 30° ten opzichte van het frontale vlak. Hierdoor kijkt de cavitas glenoidalis naar voren. Dit is essentieel voor de alignering met het caput humeri (dat 30° naar achteren wijst), zodat het gewrichtsvlak optimaal ligt voor bewegingen in het frontale vlak (zoals heffen van de arm).
Noem drie specifieke structuren van de scapula die onderhuids voelbaar zijn en beschrijf hoe je ze zou vinden.
Spina scapulae: Tekent zich duidelijk af onder de huid op de rug.
Acromion: Het meest laterale benige punt van de schouder. Vindbaar door vanaf de bovenarm craniaal (omhoog) te voelen.
Angulus inferior: Kan bij ontspannen spieren van de thoraxwand worden gelicht.
(Bonus: Processus coracoideus is alleen bij diepe palpatie voelbaar.)
Beschrijf de karakteristieke S-vorm van de clavicula. Wat is de functionele reden voor deze vorm en waarom breekt het bot vaak op een specifieke plek?
Het mediale 2/3 is convex naar ventraal (volgt de thorax), het laterale 1/3 is concaaf naar ventraal (volgt het vlak van de scapula). Deze S-vorm werkt als een schokdemper om compressiekrachten op te vangen. Breuken ontstaan vaak in de overgangszone tussen deze twee krommingen, waar de mechanische stress het grootst is (bijv. bij een val op de schouder)
Noem de drie belangrijkste structuren van de proximale epifyse van de humerus. Wat is het klinische belang van het "collum chirurgicum"?
Caput humeri: Glad, halfbolvormig gewrichtsvlak voor de schouder.
Tuberculum majus: Laterale knobbel voor spieraanhechtingen.
Tuberculum minus: Voorste knobbel voor spieraanhechtingen.
Collum chirurgicum: De insnoering onder de tuberkels. Dit is een typische breuklokalisatie, vooral bij ouderen (vaak na een val).
Welke drie belangrijke oppervlakkige structuren vind je op het corpus van de humerus en welke spier/zenuw hoort daarbij?
Tuberositas deltoidea: Ruwe verheffing voor aanhechting van de m. deltoideus.
Sulcus nervi radialis: Spiraalvormige groeve op de facies posterior voor de n. radialis.
Sulcus intertubercularis: Groeve tussen de tuberkelkammen voor de pees van de m. biceps (caput longum).
De distale epifyse van de humerus heeft twee gewrichtsvlakken. Wat is de naam en functie van elk? Welke hoek verklaart waarom de elleboog bij gestrekte arm niet perfect recht is?
Capitulum: Lateraal, rond gewrichtsvlak voor de radius.
Trochlea humeri: Mediaal, diabolo-vormig gewrichtsvlak voor de ulna.
De "carrying angle": De as van de distale epifyse helt 10° naar lateraal t.o.v. de schacht. Hierdoor wijst de onderarm bij gestrekte elleboog (en in anatomische houding) licht naar lateraal.
Match de fossa (uitholling) van de distale humerus met het benige uitsteeksel dat erin past en de positie van de elleboog waarbij dit gebeurt.
Fossa olecrani: Ontvangt het olecranon van de ulna bij een gestrekte elleboog.
Fossa coronoidea: Ontvangt het processus coronoideus van de ulna bij een gebogen elleboog.
Fossa radialis: Ontvangt het caput radii bij een gebogen elleboog.
Welke twee specifieke, gemakkelijk te voelen botpunten aan de elleboog hebben een klinisch/neurologisch belang? Waarom?
Epicondylus medialis: Hier loopt de sulcus nervi ulnaris. Bij stoten ("telefoonbotje") kan de n. ulnaris geprikkeld worden, wat tintelingen in de pink geeft.
Olecranon: Het punt van de elleboog. De fossa olecrani aan de achterzijde van de humerus is voelbaar als de m. triceps ontspannen is.
Zet de belangrijkste verschillen tussen de schoudergordel en de bekkengordel.
De schoudergordel is licht, mobiel en heeft losse verbindingen ten dienste van bewegingsvrijheid, terwijl de bekkengordel zwaar, stabiel en stevig verbonden is ten dienste van gewichtsdragende stabiliteit.
Welke grote spier vindt zijn oorsprong op de fossa subscapularis? Wat is de functie van de processus coracoideus, behalve als spieraanhechting?
M. subscapularis. De hele concave voorzijde (facies costalis) van de scapula is zijn oorsprongs.
De processus coracoideus dient als belangrijk aanhechtingspunt voor lig. coracoclaviculare, bestaande uit lig. conoideum en trapezoideum die de clavicula aan de scapula verankeren, en voor spieren zoals m. biceps (caput breve) en m. coracobrachialis.
De spina scapulae verdeelt het dorsale vlak in twee fossae. Noem deze fossae en de spieren die er hun oorsprong hebben. Waar eindigt de spina scapulae?
Fossa supraspinata: Boven de spina. Oorsprong van m. supraspinatus.
Fossa infraspinata: Onder de spina. Oorsprong van m. infraspinatus.
De spina scapulae eindigt lateraal in het brede, platte acromion, dat deelneemt aan het AC-gewricht (art. acromioclavicularis).
Welke twee belangrijke structuren voor ligamenten vind je op het caudale (onderste) vlak van de clavicula, en waar precies liggen ze?
Tuberculum conoideum: Een knobbel aan de caudale zijde van de laterale extremitas. Aanhechtingspunt voor het lig. conoideum (deel van het lig. coracoclaviculare).
Linea trapezoidea: Een lijn net lateraal en anterior van het tuberculum conoideum. Aanhechtingspunt voor het lig. trapezoideum (ander deel van hetzelfde ligamentcomplex).
De tubercula (majus en minus) van de humerus hebben elk een kam (crista). Welke belangrijke spieren hechten aan op deze kammen?
Crista tuberculi majoris: (Loopt van tuberculum majus distaal) - Aanhechting voor m. pectoralis major.
Crista tuberculi minoris: (Loopt van tuberculum minus distaal) - Aanhechting voor m. teres major en m. latissimus dorsi.
De pees van de m. biceps (caput longum) glijdt in de sulcus tussen deze kammen.
Er zijn twee duidelijke groeven op de humerus genoemd naar zenuwen. Waar liggen ze precies en waarom is hun locatie klinisch relevant?
Sulcus nervi radialis: Op de facies posterior van de schacht, verloopt spiraalsgewijs. Hier loopt de n. radialis direct tegen het bot aan. Bij een humerusschachtfractuur of te strak aangelegde spalk kan deze zenuw makkelijk beschadigd raken ("radialis paralyse" -> handdrop).
Sulcus nervi ulnaris: Op de achterzijde van de epicondylus medialis. De n. ulnaris ligt hier oppervlakkig en is gevoelig voor stoten ("telefoonbotje").
De epicondylen van de humerus zijn belangrijke oorsprongspunten voor spiergroepen. Welke spiergroepen vinden hier hun oorsprong?
Epicondylus medialis: Oorsprong van de flexoren van de pols en vingers en pronator teres.
Epicondylus lateralis: Oorsprong van de extensoren van de pols en vingers.
Vergelijk de stabiliteit van het schoudergewricht (glenohumeraal) met die van het ellebooggewricht (humeroulnair/humeroradial). Welke botstructuren zijn hiervoor verantwoordelijk?
Schoudergewricht: Zeer mobiel maar instabiel. Het caput humeri is veel groter dan de ondiepe cavitas glenoidalis. Stabiliteit wordt vooral geleverd door spieren (rotator cuff) en het gewrichtskapsel.
Ellebooggewricht: Zeer stabiel maar minder mobiel. De trochlea humeri past precies in de incisura trochlearis van de ulna, als een scharnier. De processus coronoideus en olecranon grijpen in de fossae van de humerus, wat dislocatie voorkomt.
Er zijn drie belangrijke hoeken van de humerus beschreven die zorgen voor een goede alignering met de scapula en elleboog. Wat is de functionele betekenis van de "retroversiehoek" van het caput humeri?
De retroversiehoek (ca. 30°) betekent dat het caput humeri naar achteren gericht is (t.o.v. het frontale vlak van de kop). Hierdoor staat het perfect uitgelijnd met de cavitas glenoidalis, die 30° naar voren gericht is. Deze hoek is cruciaal voor een stabiele rotatiecentrum tijdens armheffing.
Waar komen fracturen van de clavicula en de proximale humerus het vaakst voor? Noem een typisch mechanisme voor elk
Clavicula: Meestal in het middendeel, op de overgang van de twee krommingen. Typisch mechanisme: Val op de uitgestrekte hand of directe val op de schouder.
Proximale Humerus: Vaak ter hoogte van het collum chirurgicum. Typisch mechanisme: Val op de elleboog of uitgestrekte hand bij ouderen (osteoporose).
Hoe dragen de afzonderlijke botten van de schoudergordel (clavicula, scapula) bij aan de totale bewegingsvrijheid van de arm (abductie boven 90°)?
Voor volledige abductie van de arm is scapulothoracale beweging nodig. De clavicula fungeert als stut die de scapula op afstand van de romp houdt en door rotatie in het SC-gewricht de scapula naar boven en lateraal draaien. De scapula glijdt en roteert over de thoraxwand, waardoor de cavitas glenoidalis naar boven blijft wijzen en het bewegingsbereik van de humerus vergroot . Zonder deze gordelbewegingen is abductie boven ~90° onmogelijk.

Benoem de volgende genummerde onderdelen van de humerus
Caput humeri
Collum chirurgicum
Sulcus nervi radialis
Corpus humeri
Fossa olecrani
Sulcus nervi ulnaris
Trochlea humeri
Collum anatomicum
Je ziet de posterieure kant van de humerus

Benoem de volgende genummerde delen van de humerus
Tuberculum minus
Tuberculum majus
Sulcus intertubercularis
collum chirurgicum
tuberositas deltoidea
corpus humeri
fossa coronoidea
fossa radialis
epicondylus lateralis
capitulum humeri
trochlea humeri
epicondylus medialis
collum anatomicum
caput humeri
Je ziet de anterieure kant van de humerus

Welke kant zie je de scapula?
De dorsale zijde.

Aan welke kant zie je de scapula?
De ventrale zijde.

Benoem de volgende genummerde onderdelen van de clavicula
Extremitas sternalis
Facies articularis sternalis
Corpus claviculae
Tuberculum conoideum
Extremitas acromialis
Facies articularis acromialis
Wat is de functie van de clavicula?
Houdt de schouder lateraal, beschermt onderliggende structuren en geleidt krachten van arm naar romp.
Met welk bot articuleert het sternale uiteinde van de clavicula?
Met het manubrium sterni.
Met welk bot articuleert het acromiale uiteinde van de clavicula?
Met het acromion van de scapula.
Welke belangrijke structuren liggen aan de onderzijde van de clavicula?
Tuberculum conoideum en linea trapezoidea.
Wat is de functie van de scapula?
Spieraanhechting en mogelijk maken van schouderbewegingen.

Welke randen heeft de scapula?
Margo superior
Margo medialis
Margo lateralis

Welke hoeken heeft de scapula?
Angulus superior, Angulus inferior, Angulus lateralis

Welke gewrichten vormen samen het schoudercomplex?
Art. glenohumeralis, art. acromioclavicularis, art. sternoclavicularis en het scapulothoracale glijvlak.
Welk gewricht is het meest beweeglijk van het menselijk lichaam?
Articulatio glenohumeralis
Wat is het functionele nadeel van hoge beweeglijkheid in de schouder?
Minder passieve stabiliteit.
Wat voor type gewricht is de art. glenohumeralis?
Kogelgewricht
Welke structuren vormen de gewrichtsvlakken?
Caput humeri en cavitas glenoidalis.
Waarom is de cavitas glenoidalis relatief ondiep?
Om grote bewegingsvrijheid mogelijk te maken
Welke structuur verdiept de cavitas glenoidalis?
Labrum glenoidale
Wat is de functie van het labrum glenoidale?
Vergroot contactoppervlak en stabiliteit.
Hoe verhoudt de grootte van het caput humeri zich tot de cavitas glenoidalis?
Caput humeri is veel groter
Wat is kenmerkend aan het kapsel van de art. glenohumeralis?
Ruim en slap.
Waarom is een ruim kapsel functioneel belangrijk?
Maakt grote bewegingsuitslagen mogelijk.
Welke ligamenten versterken het kapsel anterieur?
Ligg. glenohumeralia (superius, medium, inferius).
Welk ligament voorkomt craniale dislocatie van de humerus?
Lig. coracohumerale.
Welke spiergroep is het belangrijkst voor actieve stabilisatie?
Rotator cuff.
Welke spieren behoren tot de rotator cuff?
Supraspinatus, infraspinatus, teres minor, subscapularis.
Waarom is spiercontrole belangrijker dan ligamentaire stabiliteit in de schouder?
Omdat de passieve stabiliteit beperkt is.
Wat voor type gewricht is de art. acromioclavicularis?
Vlak gewricht
Welke twee botdelen articuleren de art. acromioclavicularis?
Acromion en clavicula.
Welke bewegingen laat de AC-gewricht toe?
Kleine glij- en rotatiebewegingen.
Welk ligament is het belangrijkst voor stabiliteit van dit art. humeri?
Lig. coracoclaviculare.
Wat voor type gewricht is de art. sternoclavicularis?
Zadelgewricht.
Waarom is de SC-gewricht functioneel cruciaal voor schouderbeweging?
Enige benige verbinding tussen arm en romp.
Welke structuur verhoogt de congruentie van de SC-gewricht?
Disci articularis.
Is het scapulothoracale contact een echt gewricht?
Nee, een functioneel glijvlak.
Waarom is scapulothoracale beweging essentieel?
Voor volledige elevatie van de arm.
Wat beschrijft het scapulohumerale ritme?
Gecoördineerde beweging tussen humerus en scapula.
Wat is de globale verhouding bij armabductie?
2:1 (glenohumeraal : scapulothoracaal).
Welke drie belangrijke bewegingen van de bovenarm worden allemaal uitgevoerd door de M. pectoralis major?
Adductie, Endorotatie en (met de pars clavicularis) Flexie.
Wat is het belangrijkste functionele verschil tussen de M. pectoralis major en de M. pectoralis minor?
De pectoralis major beweegt primair de bovenarm (humerus). De pectoralis minor beweegt en stabiliseert de scapula
Twee belangrijke ventrale spieren hechten aan op het processus coracoideus van de scapula. De ene is de M. pectoralis minor. Wat is de andere?
M. biceps brachii (caput breve)
Welk deel van de M. trapezius is primair verantwoordelijk voor het opheffen (elevatie) van de schoudergordel?
De pars descendens (bovenste vezels)
Welke beweging van de scapula wordt uitgevoerd door de M. serratus anterior, maar niet door de M. rhomboid major/minor?
Protractie (en laterorotatie). De rhomboiden doen het tegenovergestelde: retractie en endorotatie.
Twee grote dorsale spieren die de bovenarm adduceren, hechten beide aan op de crista tuberculi minoris van de humerus. Wie zijn ze?
M. latissimus dorsi en M. teres major
Wat is de primaire gezamenlijke functie van de vier spieren van de rotator cuff (supraspinatus, infraspinatus, teres minor, subscapularis)?
Stabilisatie van het caput humeri in de cavitas glenoidalis (centreren van de humeruskop)
Welke spier is cruciaal voor de initiatie van abductie van de schouder (eerste 15-20 graden), voordat de M. deltoideus dominant wordt?
M. supraspinatus.
Welke twee rotator cuff-spieren zijn de belangrijkste exorotatoren van de bovenarm?
M. infraspinatus en M. teres minor
Van de spieren rond het schoudergewricht, is er één die zowel een sterke endorotator is als tot de ventrale rotator cuff behoort. Welke spier is dit?
M. subscapularis
Welk deel van de M. deltoideus is antagonistisch aan de pars clavicularis wat betreft flexie/extensie van de schouder?
Pars spinalis (posterior). De pars clavicularis (anterior) flexeert, de pars spinalis (posterior) extendert
Welke spier wordt geïnnerveerd door de N. thoracicus longus en wat is een klinisch gevolg als deze zenuw beschadigd is (bv. bij borstoperaties)?
M. serratus anterior. Schade leidt tot scapula alata ('winged scapula'), waarbij de mediale rand van het schouderblad loskomt van de thoraxwand.
Welke drie spieren (één van de gordel en twee van de schouder) worden allemaal geïnnerveerd door de N. dorsalis scapulae (C5)?
M. levator scapulae, M. rhomboideus major en M. rhomboideus minor.
Bij het subacromiaal impingement syndroom wordt vaak welke rotator cuff-spier, die onder het acromion doorloopt, samengedrukt of geïrriteerd?
M. supraspinatus (samen met de bursa subacromialis).
Welke twee spieren werken als directe antagonisten voor de beweging protractie/retractie van de scapula? (Noem een protractor en een retractor).
Protractor: M. serratus anterior. Retractor: M. trapezius (pars transversa) / M. rhomboideus major & minor.
Welke kleine, diep gelegen spier loopt van de eerste rib naar de onderzijde van het sleutelbeen en heeft als primaire functie de stabilisatie en depressie van de clavicula?
M. subclavius
Voor laterorotatie van de scapula (bij abductie boven 90°) werken twee spieren sterk samen: de M. serratus anterior en welk deel van een andere grote gordelspier?
M. trapezius (pars descendens) (bovenste vezels)
Welke twee spieren werken samen als de belangrijkste elevatoren (ophellers) van de scapula?
M. levator scapulae en M. trapezius (pars descendens)
Welke grote, krachtige spier die van de romp naar de bovenarm loopt, draagt bij aan de depressie van de schoudergordel, bijvoorbeeld bij het gebruik van krukken of optrekken?
M. latissimus dorsi
Naast de grote M. pectoralis major en M. latissimus dorsi, is er een kleinere rotator cuff-spier die ook adductie van de bovenarm ondersteunt, vooral tegen weerstand. Welke?
M. teres minor
Welke twee dorsale spieren (één van de gordel, één van de schouder) werken samen als krachtige extensoren van de bovenarm vanuit een geflecteerde positie?
M. latissimus dorsi en M. teres major.
Welke grote rugspier functioneert als hulpademhalingsspier bij geforceerde uitademing (zoals hoesten of niezen)?
M. latissimus dorsi
Welke twee ventrale spieren kunnen helpen bij diepe inademing door de thorax te heffen of te verbreden?
M. pectoralis minor (en M. serratus anterior)
Welke drie spieren van de rotator cuff hechten allemaal aan op het tuberculum majus van de humerus?
M. supraspinatus (boven), M. infraspinatus (midden), M. teres minor (onder)
Bij het subacromiaal impingement syndroom wordt vaak welke rotator cuff-spier, die onder het acromion doorloopt, samengedrukt of geïrriteerd?
M. supraspinatus (samen met de bursa subacromialis)
Welke twee spieren werken als directe antagonisten voor de beweging protractie/retractie van de scapula? (Noem een protractor en een retractor)
Protractor: M. serratus anterior. Retractor: M. trapezius (pars transversa) / M. rhomboideus major & minor
Welke kleine, diep gelegen spier loopt van de eerste rib naar de onderzijde van het sleutelbeen en heeft als primaire functie de stabilisatie en depressie van de clavicula?
M. subclavius.
Voor laterorotatie van de scapula (bij abductie boven 90°) werken twee spieren sterk samen: de M. serratus anterior en welk deel van een andere grote gordelspier?
M. trapezius (pars descendens)
Welke twee spieren werken samen als de belangrijkste elevatoren (ophellers) van de scapula?
M. levator scapulae en M. trapezius (pars descendens).
Welke grote, krachtige spier die van de romp naar de bovenarm loopt, draagt bij aan de depressie van de schoudergordel, bijvoorbeeld bij het gebruik van krukken of optrekken?
M. latissimus dorsi.
Naast de grote M. pectoralis major en M. latissimus dorsi, is er een kleinere rotator cuff-spier die ook adductie van de bovenarm ondersteunt, vooral tegen weerstand. Welke?
M. teres minor.
Welke twee dorsale spieren (één van de gordel, één van de schouder) werken samen als krachtige extensoren van de bovenarm vanuit een geflecteerde positie?
M. latissimus dorsi en M. teres major.
Welke grote rugspier functioneert als hulpademhalingsspier bij geforceerde uitademing (zoals hoesten of niezen)?
M. latissimus dorsi.
Welke twee ventrale spieren kunnen helpen bij diepe inademing door de thorax te heffen of te verbreden?
M. pectoralis minor (en M. serratus anterior).
Welke drie spieren van de rotator cuff hechten allemaal aan op het tuberculum majus van de humerus?
M. supraspinatus (boven), M. infraspinatus (midden), M. teres minor (onder).
Welke zenuw innerveert zowel de M. subscapularis als de M. teres major?
N. subscapularis (C5-C7).
Waarom wordt de M. teres major, ondanks zijn ligging en functies (endorotatie, adductie, extensie), niet tot de rotator cuff gerekend?
Omdat hij niet aanhecht op de gewrichtskapsel van het glenohumeraal gewricht. De rotator cuff-spieren doen dit wel voor actieve stabilisatie.
Bij een verlamde M. serratus anterior (scapula alata) verliest de scapula zijn protractiekracht. Welke spiergroep wordt dan de ongeremde antagonist, wat de mediale rand van het schouderblad nog meer doet uitstaan?
De retractoren (voornamelijk Mm. rhomboidei en M. trapezius pars transversa).