fa: schouder (osteologie, arthrologie en myologie)

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/97

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

MODULE 2; DEEL 1: specifieke anatomie van de schouder in het bovenste lidmaat (osteologie, arthrologie, myologie en bewegingen per gewricht, plexus brachialis) MODULE 2, DEEL 2: specifieke anatomie van de elleboog en pols in het bovenste lidmaat (osteologie, arthrologie, myologie en bewegingen per gewricht, plexus brachialis)

Last updated 4:15 PM on 7/22/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

98 Terms

1
New cards

Wat zijn de twee hoofddelen van het skelet van het bovenste lidmaat en welke botten horen daarbij? Noem één belangrijk functioneel verschil met de bekkengordel

  1. Schoudergordel (Cingulum): Clavicula en Scapula.

  2. Vrij bewegend deel: Humerus, radius, ulna, handwortelbeentjes, etc.

  • Belangrijk verschil: De schoudergordel heeft geen dorsale verbinding met de wervelzuil (alleen via spieren), wat de bewegingsvrijheid enorm vergroot. Het bekken heeft een stevige, weinig beweeglijke verbinding (art. sacroiliaca) voor stabiliteit.

2
New cards

Hoe ligt de scapula in de anatomische houding en wat is de richting van de cavitas glenoidalis? Leg uit waarom deze oriëntatie functioneel belangrijk is.

De scapula maakt een hoek van 30° ten opzichte van het frontale vlak. Hierdoor kijkt de cavitas glenoidalis naar voren. Dit is essentieel voor de alignering met het caput humeri (dat 30° naar achteren wijst), zodat het gewrichtsvlak optimaal ligt voor bewegingen in het frontale vlak (zoals heffen van de arm).

3
New cards

Noem drie specifieke structuren van de scapula die onderhuids voelbaar zijn en beschrijf hoe je ze zou vinden.

  1. Spina scapulae: Tekent zich duidelijk af onder de huid op de rug.

  2. Acromion: Het meest laterale benige punt van de schouder. Vindbaar door vanaf de bovenarm craniaal (omhoog) te voelen.

  3. Angulus inferior: Kan bij ontspannen spieren van de thoraxwand worden gelicht.
    (Bonus: Processus coracoideus is alleen bij diepe palpatie voelbaar.)

4
New cards
  • Beschrijf de karakteristieke S-vorm van de clavicula. Wat is de functionele reden voor deze vorm en waarom breekt het bot vaak op een specifieke plek?

Het mediale 2/3 is convex naar ventraal (volgt de thorax), het laterale 1/3 is concaaf naar ventraal (volgt het vlak van de scapula). Deze S-vorm werkt als een schokdemper om compressiekrachten op te vangen. Breuken ontstaan vaak in de overgangszone tussen deze twee krommingen, waar de mechanische stress het grootst is (bijv. bij een val op de schouder)

5
New cards

Noem de drie belangrijkste structuren van de proximale epifyse van de humerus. Wat is het klinische belang van het "collum chirurgicum"?

  1. Caput humeri: Glad, halfbolvormig gewrichtsvlak voor de schouder.

  2. Tuberculum majus: Laterale knobbel voor spieraanhechtingen.

  3. Tuberculum minus: Voorste knobbel voor spieraanhechtingen.

  • Collum chirurgicum: De insnoering onder de tuberkels. Dit is een typische breuklokalisatie, vooral bij ouderen (vaak na een val).

6
New cards

Welke drie belangrijke oppervlakkige structuren vind je op het corpus van de humerus en welke spier/zenuw hoort daarbij?

  1. Tuberositas deltoidea: Ruwe verheffing voor aanhechting van de m. deltoideus.

  2. Sulcus nervi radialis: Spiraalvormige groeve op de facies posterior voor de n. radialis.

  3. Sulcus intertubercularis: Groeve tussen de tuberkelkammen voor de pees van de m. biceps (caput longum).

7
New cards

De distale epifyse van de humerus heeft twee gewrichtsvlakken. Wat is de naam en functie van elk? Welke hoek verklaart waarom de elleboog bij gestrekte arm niet perfect recht is?

  • Capitulum: Lateraal, rond gewrichtsvlak voor de radius.

  • Trochlea humeri: Mediaal, diabolo-vormig gewrichtsvlak voor de ulna.

  • De "carrying angle": De as van de distale epifyse helt 10° naar lateraal t.o.v. de schacht. Hierdoor wijst de onderarm bij gestrekte elleboog (en in anatomische houding) licht naar lateraal.

8
New cards

Match de fossa (uitholling) van de distale humerus met het benige uitsteeksel dat erin past en de positie van de elleboog waarbij dit gebeurt.

  1. Fossa olecrani: Ontvangt het olecranon van de ulna bij een gestrekte elleboog.

  2. Fossa coronoidea: Ontvangt het processus coronoideus van de ulna bij een gebogen elleboog.

  3. Fossa radialis: Ontvangt het caput radii bij een gebogen elleboog.

9
New cards

Welke twee specifieke, gemakkelijk te voelen botpunten aan de elleboog hebben een klinisch/neurologisch belang? Waarom?

  1. Epicondylus medialis: Hier loopt de sulcus nervi ulnaris. Bij stoten ("telefoonbotje") kan de n. ulnaris geprikkeld worden, wat tintelingen in de pink geeft.

  2. Olecranon: Het punt van de elleboog. De fossa olecrani aan de achterzijde van de humerus is voelbaar als de m. triceps ontspannen is.

10
New cards

Zet de belangrijkste verschillen tussen de schoudergordel en de bekkengordel.

De schoudergordel is licht, mobiel en heeft losse verbindingen ten dienste van bewegingsvrijheid, terwijl de bekkengordel zwaar, stabiel en stevig verbonden is ten dienste van gewichtsdragende stabiliteit.

11
New cards

Welke grote spier vindt zijn oorsprong op de fossa subscapularis? Wat is de functie van de processus coracoideus, behalve als spieraanhechting?

  1. M. subscapularis. De hele concave voorzijde (facies costalis) van de scapula is zijn oorsprongs.

  2. De processus coracoideus dient als belangrijk aanhechtingspunt voor lig. coracoclaviculare, bestaande uit lig. conoideum en trapezoideum die de clavicula aan de scapula verankeren, en voor spieren zoals m. biceps (caput breve) en m. coracobrachialis.

12
New cards

De spina scapulae verdeelt het dorsale vlak in twee fossae. Noem deze fossae en de spieren die er hun oorsprong hebben. Waar eindigt de spina scapulae?

  • Fossa supraspinata: Boven de spina. Oorsprong van m. supraspinatus.

  • Fossa infraspinata: Onder de spina. Oorsprong van m. infraspinatus.

  • De spina scapulae eindigt lateraal in het brede, platte acromion, dat deelneemt aan het AC-gewricht (art. acromioclavicularis).

13
New cards

Welke twee belangrijke structuren voor ligamenten vind je op het caudale (onderste) vlak van de clavicula, en waar precies liggen ze?

  1. Tuberculum conoideum: Een knobbel aan de caudale zijde van de laterale extremitas. Aanhechtingspunt voor het lig. conoideum (deel van het lig. coracoclaviculare).

  2. Linea trapezoidea: Een lijn net lateraal en anterior van het tuberculum conoideum. Aanhechtingspunt voor het lig. trapezoideum (ander deel van hetzelfde ligamentcomplex).

14
New cards

De tubercula (majus en minus) van de humerus hebben elk een kam (crista). Welke belangrijke spieren hechten aan op deze kammen?

  • Crista tuberculi majoris: (Loopt van tuberculum majus distaal) - Aanhechting voor m. pectoralis major.

  • Crista tuberculi minoris: (Loopt van tuberculum minus distaal) - Aanhechting voor m. teres major en m. latissimus dorsi.

  • De pees van de m. biceps (caput longum) glijdt in de sulcus tussen deze kammen.

15
New cards

Er zijn twee duidelijke groeven op de humerus genoemd naar zenuwen. Waar liggen ze precies en waarom is hun locatie klinisch relevant?

  1. Sulcus nervi radialis: Op de facies posterior van de schacht, verloopt spiraalsgewijs. Hier loopt de n. radialis direct tegen het bot aan. Bij een humerusschachtfractuur of te strak aangelegde spalk kan deze zenuw makkelijk beschadigd raken ("radialis paralyse" -> handdrop).

  2. Sulcus nervi ulnaris: Op de achterzijde van de epicondylus medialis. De n. ulnaris ligt hier oppervlakkig en is gevoelig voor stoten ("telefoonbotje").

16
New cards

De epicondylen van de humerus zijn belangrijke oorsprongspunten voor spiergroepen. Welke spiergroepen vinden hier hun oorsprong?

  • Epicondylus medialis: Oorsprong van de flexoren van de pols en vingers en pronator teres.

  • Epicondylus lateralis: Oorsprong van de extensoren van de pols en vingers.

17
New cards

Vergelijk de stabiliteit van het schoudergewricht (glenohumeraal) met die van het ellebooggewricht (humeroulnair/humeroradial). Welke botstructuren zijn hiervoor verantwoordelijk?

  • Schoudergewricht: Zeer mobiel maar instabiel. Het caput humeri is veel groter dan de ondiepe cavitas glenoidalis. Stabiliteit wordt vooral geleverd door spieren (rotator cuff) en het gewrichtskapsel.

  • Ellebooggewricht: Zeer stabiel maar minder mobiel. De trochlea humeri past precies in de incisura trochlearis van de ulna, als een scharnier. De processus coronoideus en olecranon grijpen in de fossae van de humerus, wat dislocatie voorkomt.

18
New cards

Er zijn drie belangrijke hoeken van de humerus beschreven die zorgen voor een goede alignering met de scapula en elleboog. Wat is de functionele betekenis van de "retroversiehoek" van het caput humeri?

De retroversiehoek (ca. 30°) betekent dat het caput humeri naar achteren gericht is (t.o.v. het frontale vlak van de kop). Hierdoor staat het perfect uitgelijnd met de cavitas glenoidalis, die 30° naar voren gericht is. Deze hoek is cruciaal voor een stabiele rotatiecentrum tijdens armheffing.

19
New cards

Waar komen fracturen van de clavicula en de proximale humerus het vaakst voor? Noem een typisch mechanisme voor elk

  • Clavicula: Meestal in het middendeel, op de overgang van de twee krommingen. Typisch mechanisme: Val op de uitgestrekte hand of directe val op de schouder.

  • Proximale Humerus: Vaak ter hoogte van het collum chirurgicum. Typisch mechanisme: Val op de elleboog of uitgestrekte hand bij ouderen (osteoporose).

20
New cards

Hoe dragen de afzonderlijke botten van de schoudergordel (clavicula, scapula) bij aan de totale bewegingsvrijheid van de arm (abductie boven 90°)?

Voor volledige abductie van de arm is scapulothoracale beweging nodig. De clavicula fungeert als stut die de scapula op afstand van de romp houdt en door rotatie in het SC-gewricht de scapula naar boven en lateraal draaien. De scapula glijdt en roteert over de thoraxwand, waardoor de cavitas glenoidalis naar boven blijft wijzen en het bewegingsbereik van de humerus vergroot . Zonder deze gordelbewegingen is abductie boven ~90° onmogelijk.

21
New cards
<p>Benoem de volgende genummerde onderdelen van de humerus</p>

Benoem de volgende genummerde onderdelen van de humerus

  1. Caput humeri

  2. Collum chirurgicum

  3. Sulcus nervi radialis

  4. Corpus humeri

  5. Fossa olecrani

  6. Sulcus nervi ulnaris

  7. Trochlea humeri

  8. Collum anatomicum

  • Je ziet de posterieure kant van de humerus

22
New cards
<p>Benoem de volgende genummerde delen van de humerus</p>

Benoem de volgende genummerde delen van de humerus

  1. Tuberculum minus

  2. Tuberculum majus

  3. Sulcus intertubercularis

  4. collum chirurgicum

  5. tuberositas deltoidea

  6. corpus humeri

  7. fossa coronoidea

  8. fossa radialis

  9. epicondylus lateralis

  10. capitulum humeri

  11. trochlea humeri

  12. epicondylus medialis

  13. collum anatomicum

  14. caput humeri

Je ziet de anterieure kant van de humerus

23
New cards
<p>Welke kant zie je de scapula?</p>

Welke kant zie je de scapula?

De dorsale zijde.

24
New cards
<p>Aan welke kant zie je de scapula?</p>

Aan welke kant zie je de scapula?

De ventrale zijde.

25
New cards
<p>Benoem de volgende genummerde onderdelen van de clavicula</p>

Benoem de volgende genummerde onderdelen van de clavicula

  1. Extremitas sternalis

  2. Facies articularis sternalis

  3. Corpus claviculae

  4. Tuberculum conoideum

  5. Extremitas acromialis

  6. Facies articularis acromialis

26
New cards

Wat is de functie van de clavicula?

Houdt de schouder lateraal, beschermt onderliggende structuren en geleidt krachten van arm naar romp.

27
New cards

Met welk bot articuleert het sternale uiteinde van de clavicula?

Met het manubrium sterni.

28
New cards

Met welk bot articuleert het acromiale uiteinde van de clavicula?

Met het acromion van de scapula.

29
New cards

Welke belangrijke structuren liggen aan de onderzijde van de clavicula?

Tuberculum conoideum en linea trapezoidea.

30
New cards

Wat is de functie van de scapula?

Spieraanhechting en mogelijk maken van schouderbewegingen.

31
New cards
<p>Welke randen heeft de scapula?</p>

Welke randen heeft de scapula?

  1. Margo superior

  2. Margo medialis

  3. Margo lateralis

32
New cards
<p>Welke hoeken heeft de scapula?</p>

Welke hoeken heeft de scapula?

Angulus superior, Angulus inferior, Angulus lateralis

33
New cards
<p>Welke gewrichten vormen samen het schoudercomplex?</p>

Welke gewrichten vormen samen het schoudercomplex?

Art. glenohumeralis, art. acromioclavicularis, art. sternoclavicularis en het scapulothoracale glijvlak.

34
New cards

Welk gewricht is het meest beweeglijk van het menselijk lichaam?

Articulatio glenohumeralis

35
New cards

Wat is het functionele nadeel van hoge beweeglijkheid in de schouder?

Minder passieve stabiliteit.

36
New cards

Wat voor type gewricht is de art. glenohumeralis?

Kogelgewricht

37
New cards

Welke structuren vormen de gewrichtsvlakken?

Caput humeri en cavitas glenoidalis.

38
New cards

Waarom is de cavitas glenoidalis relatief ondiep?

Om grote bewegingsvrijheid mogelijk te maken

39
New cards

Welke structuur verdiept de cavitas glenoidalis?

Labrum glenoidale

<p>Labrum glenoidale</p>
40
New cards

Wat is de functie van het labrum glenoidale?

Vergroot contactoppervlak en stabiliteit.

41
New cards

Hoe verhoudt de grootte van het caput humeri zich tot de cavitas glenoidalis?

Caput humeri is veel groter

42
New cards

Wat is kenmerkend aan het kapsel van de art. glenohumeralis?

Ruim en slap.

43
New cards

Waarom is een ruim kapsel functioneel belangrijk?

Maakt grote bewegingsuitslagen mogelijk.

44
New cards

Welke ligamenten versterken het kapsel anterieur?

Ligg. glenohumeralia (superius, medium, inferius).

45
New cards

Welk ligament voorkomt craniale dislocatie van de humerus?

Lig. coracohumerale.

46
New cards

Welke spiergroep is het belangrijkst voor actieve stabilisatie?

Rotator cuff.

47
New cards

Welke spieren behoren tot de rotator cuff?

Supraspinatus, infraspinatus, teres minor, subscapularis.

48
New cards

Waarom is spiercontrole belangrijker dan ligamentaire stabiliteit in de schouder?

Omdat de passieve stabiliteit beperkt is.

49
New cards

Wat voor type gewricht is de art. acromioclavicularis?

Vlak gewricht

50
New cards

Welke twee botdelen articuleren de art. acromioclavicularis?

Acromion en clavicula.

51
New cards

Welke bewegingen laat de AC-gewricht toe?

Kleine glij- en rotatiebewegingen.

52
New cards

Welk ligament is het belangrijkst voor stabiliteit van dit art. humeri?

Lig. coracoclaviculare.

53
New cards

Wat voor type gewricht is de art. sternoclavicularis?

Zadelgewricht.

54
New cards

Waarom is de SC-gewricht functioneel cruciaal voor schouderbeweging?

Enige benige verbinding tussen arm en romp.

55
New cards

Welke structuur verhoogt de congruentie van de SC-gewricht?

Disci articularis.

56
New cards

Is het scapulothoracale contact een echt gewricht?

Nee, een functioneel glijvlak.

57
New cards

Waarom is scapulothoracale beweging essentieel?

Voor volledige elevatie van de arm.

58
New cards

Wat beschrijft het scapulohumerale ritme?

Gecoördineerde beweging tussen humerus en scapula.

59
New cards

Wat is de globale verhouding bij armabductie?

2:1 (glenohumeraal : scapulothoracaal).

60
New cards

Welke drie belangrijke bewegingen van de bovenarm worden allemaal uitgevoerd door de M. pectoralis major?

Adductie, Endorotatie en (met de pars clavicularis) Flexie.

61
New cards

Wat is het belangrijkste functionele verschil tussen de M. pectoralis major en de M. pectoralis minor?

De pectoralis major beweegt primair de bovenarm (humerus). De pectoralis minor beweegt en stabiliseert de scapula

62
New cards

Twee belangrijke ventrale spieren hechten aan op het processus coracoideus van de scapula. De ene is de M. pectoralis minor. Wat is de andere?

M. biceps brachii (caput breve)

63
New cards

Welk deel van de M. trapezius is primair verantwoordelijk voor het opheffen (elevatie) van de schoudergordel?

De pars descendens (bovenste vezels)

64
New cards

Welke beweging van de scapula wordt uitgevoerd door de M. serratus anterior, maar niet door de M. rhomboid major/minor?

Protractie (en laterorotatie). De rhomboiden doen het tegenovergestelde: retractie en endorotatie.

65
New cards

Twee grote dorsale spieren die de bovenarm adduceren, hechten beide aan op de crista tuberculi minoris van de humerus. Wie zijn ze?

M. latissimus dorsi en M. teres major

66
New cards

Wat is de primaire gezamenlijke functie van de vier spieren van de rotator cuff (supraspinatus, infraspinatus, teres minor, subscapularis)?

Stabilisatie van het caput humeri in de cavitas glenoidalis (centreren van de humeruskop)

67
New cards

Welke spier is cruciaal voor de initiatie van abductie van de schouder (eerste 15-20 graden), voordat de M. deltoideus dominant wordt?

M. supraspinatus.

68
New cards

Welke twee rotator cuff-spieren zijn de belangrijkste exorotatoren van de bovenarm?

M. infraspinatus en M. teres minor

69
New cards

Van de spieren rond het schoudergewricht, is er één die zowel een sterke endorotator is als tot de ventrale rotator cuff behoort. Welke spier is dit?

M. subscapularis

70
New cards

Welk deel van de M. deltoideus is antagonistisch aan de pars clavicularis wat betreft flexie/extensie van de schouder?

Pars spinalis (posterior). De pars clavicularis (anterior) flexeert, de pars spinalis (posterior) extendert

71
New cards

Welke spier wordt geïnnerveerd door de N. thoracicus longus en wat is een klinisch gevolg als deze zenuw beschadigd is (bv. bij borstoperaties)?

M. serratus anterior. Schade leidt tot scapula alata ('winged scapula'), waarbij de mediale rand van het schouderblad loskomt van de thoraxwand.

72
New cards

Welke drie spieren (één van de gordel en twee van de schouder) worden allemaal geïnnerveerd door de N. dorsalis scapulae (C5)?

M. levator scapulae, M. rhomboideus major en M. rhomboideus minor.

73
New cards

Bij het subacromiaal impingement syndroom wordt vaak welke rotator cuff-spier, die onder het acromion doorloopt, samengedrukt of geïrriteerd?

M. supraspinatus (samen met de bursa subacromialis).

74
New cards
75
New cards

Welke twee spieren werken als directe antagonisten voor de beweging protractie/retractie van de scapula? (Noem een protractor en een retractor).

Protractor: M. serratus anterior. Retractor: M. trapezius (pars transversa) / M. rhomboideus major & minor.

76
New cards

Welke kleine, diep gelegen spier loopt van de eerste rib naar de onderzijde van het sleutelbeen en heeft als primaire functie de stabilisatie en depressie van de clavicula?

M. subclavius

77
New cards

Voor laterorotatie van de scapula (bij abductie boven 90°) werken twee spieren sterk samen: de M. serratus anterior en welk deel van een andere grote gordelspier?

M. trapezius (pars descendens) (bovenste vezels)

78
New cards

Welke twee spieren werken samen als de belangrijkste elevatoren (ophellers) van de scapula?

M. levator scapulae en M. trapezius (pars descendens)

79
New cards

Welke grote, krachtige spier die van de romp naar de bovenarm loopt, draagt bij aan de depressie van de schoudergordel, bijvoorbeeld bij het gebruik van krukken of optrekken?

M. latissimus dorsi

80
New cards

Naast de grote M. pectoralis major en M. latissimus dorsi, is er een kleinere rotator cuff-spier die ook adductie van de bovenarm ondersteunt, vooral tegen weerstand. Welke?

M. teres minor

81
New cards

Welke twee dorsale spieren (één van de gordel, één van de schouder) werken samen als krachtige extensoren van de bovenarm vanuit een geflecteerde positie?

M. latissimus dorsi en M. teres major.

82
New cards

Welke grote rugspier functioneert als hulpademhalingsspier bij geforceerde uitademing (zoals hoesten of niezen)?

M. latissimus dorsi

83
New cards

Welke twee ventrale spieren kunnen helpen bij diepe inademing door de thorax te heffen of te verbreden?

M. pectoralis minor (en M. serratus anterior)

84
New cards

Welke drie spieren van de rotator cuff hechten allemaal aan op het tuberculum majus van de humerus?

M. supraspinatus (boven), M. infraspinatus (midden), M. teres minor (onder)

85
New cards

Bij het subacromiaal impingement syndroom wordt vaak welke rotator cuff-spier, die onder het acromion doorloopt, samengedrukt of geïrriteerd?

M. supraspinatus (samen met de bursa subacromialis)

86
New cards

Welke twee spieren werken als directe antagonisten voor de beweging protractie/retractie van de scapula? (Noem een protractor en een retractor)

Protractor: M. serratus anterior. Retractor: M. trapezius (pars transversa) / M. rhomboideus major & minor

87
New cards

Welke kleine, diep gelegen spier loopt van de eerste rib naar de onderzijde van het sleutelbeen en heeft als primaire functie de stabilisatie en depressie van de clavicula?

M. subclavius.

88
New cards

Voor laterorotatie van de scapula (bij abductie boven 90°) werken twee spieren sterk samen: de M. serratus anterior en welk deel van een andere grote gordelspier?

M. trapezius (pars descendens)

89
New cards

Welke twee spieren werken samen als de belangrijkste elevatoren (ophellers) van de scapula?

M. levator scapulae en M. trapezius (pars descendens).

90
New cards

Welke grote, krachtige spier die van de romp naar de bovenarm loopt, draagt bij aan de depressie van de schoudergordel, bijvoorbeeld bij het gebruik van krukken of optrekken?

M. latissimus dorsi.

91
New cards

Naast de grote M. pectoralis major en M. latissimus dorsi, is er een kleinere rotator cuff-spier die ook adductie van de bovenarm ondersteunt, vooral tegen weerstand. Welke?

M. teres minor.

92
New cards

Welke twee dorsale spieren (één van de gordel, één van de schouder) werken samen als krachtige extensoren van de bovenarm vanuit een geflecteerde positie?

M. latissimus dorsi en M. teres major.

93
New cards

Welke grote rugspier functioneert als hulpademhalingsspier bij geforceerde uitademing (zoals hoesten of niezen)?

M. latissimus dorsi.

94
New cards

Welke twee ventrale spieren kunnen helpen bij diepe inademing door de thorax te heffen of te verbreden?

M. pectoralis minor (en M. serratus anterior).

95
New cards

Welke drie spieren van de rotator cuff hechten allemaal aan op het tuberculum majus van de humerus?

M. supraspinatus (boven), M. infraspinatus (midden), M. teres minor (onder).

96
New cards

Welke zenuw innerveert zowel de M. subscapularis als de M. teres major?

N. subscapularis (C5-C7).

97
New cards

Waarom wordt de M. teres major, ondanks zijn ligging en functies (endorotatie, adductie, extensie), niet tot de rotator cuff gerekend?

Omdat hij niet aanhecht op de gewrichtskapsel van het glenohumeraal gewricht. De rotator cuff-spieren doen dit wel voor actieve stabilisatie.

98
New cards

Bij een verlamde M. serratus anterior (scapula alata) verliest de scapula zijn protractiekracht. Welke spiergroep wordt dan de ongeremde antagonist, wat de mediale rand van het schouderblad nog meer doet uitstaan?

De retractoren (voornamelijk Mm. rhomboidei en M. trapezius pars transversa).