1/42
Deze flashcards dekken de belangrijkste concepten van de hoogrisico neonatologie, inclusief reanimatie, respiratoire aandoeningen, circulatiestoornissen, neurologische complicaties en gastro-intestinale pathologie.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Primaire apneu
De eerste ademstilstand na de geboorte wanneer het ademhalingscentrum onvoldoende zuurstof krijgt.
Gasping reflex
Een primaire reflex van de baby om naar adem te happen wanneer het ademhalingscentrum wegvalt door zuurstofgebrek.
Terminale apneu
De ademhalingsstilstand die volgt na het gaspen wanneer het lichaam geen zuurstof meer over heeft; reanimatie met inflaties is hier noodzakelijk.
Brain sparing
Een fysiologisch mechanisme waarbij het lichaam bij zuurstoftekort de circulatie prioriteert naar de hersenen.
Radiatie
Warmteoverdracht via een stralingsbron boven de baby.
Evaporatie
Warmteverlies door verdamping van vocht op de huid, te voorkomen door het afdrogen van de baby of het gebruik van een plastic zakje bij prematuren <32 weken.
Convectie
Warmteverlies door luchtstroom, te beperken door deuren en zijklepjes van de reanimatietafel gesloten te houden.
Conductie
Warmteoverdracht door direct contact, zoals warme doeken, een warme matras of skin-to-skin contact.
PIP (Positive Inspiratory Pressure)
De maximale druk die tijdens het beademen wordt gegeven om de longen te ontplooien; 30cmH2O voor a terme baby's en 25cmH2O voor prematuren.
PEEP (Positive End-Expiratory Pressure)
De druk die aan het einde van een uitademing in de longen achterblijft om te voorkomen dat alveoli inklappen; standaard ingesteld op 5cmH2O.
Wet van Laplace
De natuurkundige wet P=R2×T die stelt dat de druk (P) om een alveool open te houden afhankelijk is van de oppervlaktespanning (T) en de straal (R).
Type 2 pneumocyten
Gespecialiseerde cellen in de alveolaire wand die surfactant produceren vanaf ongeveer 24 weken PML.
Atelectase
Het samenvallen of collaberen van de longblaasjes, wat leidt tot een ventilatie-perfusie mismatch.
Hyalijne membraanziekte (HMZ)
De pathologische benaming voor de veranderingen in de longen bij RDS, waarbij fibrine dikke membranen vormt die gasuitwisseling belemmeren.
ROS (Reactieve Zuurstofsoorten)
Toxische vrije zuurstofradicalen die ontstaan bij overmatige zuurstoftoediening en schade kunnen aanrichten aan ogen (ROP), longen (BPD) en hersenen.
Bronchopulmonale dysplasie (BPD)
Chronische longziekte van de premature baby, gedefinieerd door een zuurstofbehoefte die aanhoudt tot 28 dagen na geboorte of 36 weken PML.
Meconiumaspiratiesyndroom (MAS)
Een ernstige respiratoire aandoening waarbij de baby meconium heeft ingeademd, wat leidt tot surfactant-deactivatie, stugge longen en PPH.
PPH (Persisterende Pulmonale Hypertensie)
Een toestand waarbij de longbloedvaten na de geboorte niet openen, waardoor de longvaatweerstand hoog blijft en er een rechts-links shunt ontstaat.
Bicarbonaatbuffer
Het chemische systeem H2O+CO2⇌H2CO3⇌H++HCO3− dat de zuurtegraad in het lichaam in balans houdt.
SIMV (Synchronized Intermittent Mandatory Ventilation)
Beademingsvorm waarbij het toestel slagen geeft synchroon met de eigen ademhalingsprikkel van de baby, maar een minimale frequentie garandeert.
NAVA (Neurally Adjusted Ventilatory Assist)
Beademingsvorm waarbij de ondersteuning wordt getriggerd door de elektrische activiteit van het diafragma, gemeten via een Edi-sonde.
Ductus arteriosus (Botalli)
Een foetale verbinding tussen de arteria pulmonalis en de aorta die normaal gesproken binnen 12 tot 72 uur na de geboorte sluit.
Steal-effect van PDA
Het fenomeen waarbij geoxygeneerd bloed via de open ductus terug naar de longen vloeit in plaats van naar het lichaam, wat leidt tot hypoperfusie van organen.
Transpositie van de grote vaten
Een aangeboren hartafwijking waarbij de aorta uit het rechterventrikel ontspringt en de arteria pulmonalis uit het linkerventrikel, resulterend in twee parallelle circulaties.
Tetralogie van Fallot
Een combinatie van vier hartafwijkingen: pulmonaalstenose, rechterventrikelhypertrofie, VSD en een overrijdende aorta.
Eisenmenger-syndroom
Onomkeerbare pulmonale hypertensie door een langdurige links-rechts shunt die uiteindelijk leidt tot shuntomkering (rechts-links) en cyanose.
Graad 1 hersenbloeding
Een subependymale bloeding die beperkt blijft tot de plexus choroideus; meestal asymptomatisch met een gunstige prognose.
Graad 4 hersenbloeding
Een intraparenchymateuze bloeding die het hersenweefsel zelf vernielt; geassocieerd met een zeer hoog risico op ernstige psychomotore handicaps.
Periventriculaire leukomalacie (PVL)
Ischemisch hersenletsel bij prematuren waarbij de witte stof rond de ventrikels afsterft door ernstig zuurstoftekort, wat vaak motorische problemen veroorzaakt.
NIDCAP
Een ontwikkelingsgericht zorgprogramma (Newborn Individualized Developmental Care and Assessment Program) gericht op het beperken van stress bij de pasgeborene.
WINDUP fenomeen
Een fysiologisch proces waarbij herhaalde pijnprikkels steeds pijnlijker worden ervaren door een onrijp pijnremmend systeem.
NAS (Neonataal Abstinentiesyndroom)
Ontwenningsverschijnselen bij een pasgeborene van een verslaafde moeder, vaak geobserveerd met de Finnegan-score.
Minimal Enterale Voeding (MEV)
Het toedienen van minimale hoeveelheden voeding (1-10ml/kg/dag) om darmhormonen vrij te zetten en de darmmotiliteit te stimuleren zonder nutritioneel doel.
TPN-geassocieerde cholestase
Galstuwing veroorzaakt door langdurige totale parenterale nutritie bij gebrek aan enterale stimulatie van de galblaas.
NEC (Necrotiserende Enterocolitis)
Een levensbedreigende ontsteking en afsterving van darmweefsel, vnl. bij prematuren, gekenmerkt door een opgezette buik en voedingsintolerantie.
Oesofagusatresie
Een aangeboren afwijking waarbij de slokdarm niet doorloopt naar de maag, vaak gepaard gaand met bellenblazen en verslikken direct na de geboorte.
Congenitale Hernia Diafragmatica
Een defect in het diafragma waardoor buikorganen in de borstholte terechtkomen en de longontwikkeling belemmeren.
Omfalocoele
Een navelstrengbreuk waarbij buikorganen in een breukzak bedekt met amnionvlies buiten de buikwand puilen.
Gastroschisis
Een buikwanddefect waarbij darmen onbedekt (zonder vlies) buiten het lichaam liggen, meestal rechts van de navel.
Humorale immuniteit
De afweer door antistoffen; bij prematuren deficiënt omdat de transplacentaire overdracht pas vanaf ongeveer 34 weken start.
Congenitale sepsis
Een infectie die voor of tijdens de geboorte is opgelopen, vaak door opstijgende bacteriën zoals Groep B Streptokokken (GBS).
Polyglobulie
Een te hoog gehalte aan rode bloedcellen (Hb > 22g/dl) waardoor het bloed te dik wordt (hoge viscositeit) en de microcirculatie verstoort.
Directe Coombs test
Een bloedtest die wordt gebruikt om de aanwezigheid van antistoffen op rode bloedcellen aan te tonen, cruciaal bij de diagnose van hemolytische anemie door incompatibiliteit.