Send a link to your students to track their progress
83 Terms
1
New cards
Sociale institutie
Het geheel van regels en normen die bestaan rond essentiële sociale functies; het is een normatief systeem dat voorschrijft hoe bepaalde essentiële sociale functies moeten worden vervuld.
2
New cards
Institutionalisering
Het proces waarin individuele menselijke handelingen (gewoontes) worden vastgelegd in normatieve handelingspatronen, die als collectieve vormen onafhankelijk van individuen blijven voortbestaan.
3
New cards
Essentiële sociale functies
Fundamentele behoeften of problemen van elke samenleving (zoals voortplanting, kennisoverdracht, rechtspraak en veiligheid) waarvoor een sociale institutie een duurzame oplossing biedt.
4
New cards
Normatief systeem
Een stelsel of een samenhangend geheel van maatschappelijke regels en normen die voorschrijven hoe mensen zich binnen een samenleving horen te gedragen.
5
New cards
Sociale controle
De reactie en het oordeel van anderen op jouw gedrag, met als doel ervoor te zorgen dat je de algemeen aanvaarde normen en regels van de samenleving naleeft.
6
New cards
Internalisatie
Het letterlijk 'eigen maken' van waarden en normen, waardoor de externe maatschappelijke dwang een innerlijke dwang wordt en je deze gedragingen automatisch toepast zonder dwang te ervaren.
7
New cards
Desinstitutionalisering
Het proces waarin sociale instituties na verloop van tijd ingrijpend wijzigen en de bijbehorende normen, regels en wetten worden aangepast, versoepeld of volledig verdwijnen.
8
New cards
Secularisering
Het proces waarbij de invloed van de kerk op de samenleving afneemt, waardoor de kerk niet langer fungeert als een overkoepelend systeem maar als een subsysteem naast andere maatschappelijke systemen.
9
New cards
Sociale ongelijkheid
De ongelijke verdeling van schaarse, algemeen gewaardeerde zaken (economisch, cultureel en sociaal kapitaal) en de ongelijke waardering en behandeling van mensen op basis van hun maatschappelijke positie en levensstijl.
10
New cards
Inkomensongelijkheid
De ongelijke verdeling van het totale nationale inkomen (zoals maandlonen) over de verschillende leden van de bevolking.
11
New cards
Vermogensongelijkheid
De ongelijke verdeling van het totale bezit aan geld, vastgoed en goederen (het opgebouwde vermogen) over de bevolking.
12
New cards
Kansenongelijkheid
Een als onrechtvaardig te beschouwen ongelijke kans op maatschappelijk succes; de ongelijkheid in startkansen die iemand bij de geboorte meekrijgt, gecombineerd met de keuzes die iemand maakt en toeval.
13
New cards
Gini-coëfficiënt
Een statistische maatstaf van de ongelijkheid in een verdeling (vaak van inkomen), uitgedrukt als een getal tussen 0 (perfecte gelijkheid) en 1 (maximale ongelijkheid waarbij één persoon alles bezit).
14
New cards
Gini-index
De statistische Gini-coëfficiënt vermenigvuldigd met 100 om de mate van ongelijkheid in een percentage uit te drukken.
15
New cards
Armoede
Een netwerk van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en collectieve bestaan, waardoor men niet meer volwaardig kan deelnemen aan de samenleving.
16
New cards
Generatiearmoede
Structurele armoede die van de ene generatie op de volgende generatie binnen hetzelfde gezin of familie wordt doorgegeven.
17
New cards
Nieuwe armoede
Armoede die relatief plotseling ontstaat door moderne maatschappelijke risico's (zoals echtscheiding, ontslag of langdurige ziekte) bij mensen die voorheen tot de middenklasse behoorden.
18
New cards
Cultureel kapitaal
Het geheel van kennis, cognitieve vaardigheden, taalgebruik en de genoten opleiding van een persoon waarmee sociale privileges in de maatschappij verworven of behouden kunnen worden.
19
New cards
Economisch kapitaal
Het totale bezit aan geld, financiële middelen of goederen die direct inwisselbaar zijn in geld.
20
New cards
Sociaal kapitaal
Het totaal aan hulpmiddelen, sociale relaties en formele of informele netwerken die beschikbaar zijn voor een individu of gemeenschap om maatschappelijke doelen te bereiken.
21
New cards
Vermogen
Het totale, objectieve bezit van een persoon of huishouden aan gecumuleerd geld en materiële goederen.
22
New cards
Kenniskloof
De kloof binnen armoede die verwijst naar het verschil tussen armen en niet-armen in de toegang tot, het begrijpen van en het bezit van bruikbare maatschappelijke informatie.
23
New cards
Vaardigheidskloof
De kloof binnen armoede die het tekort aanduidt aan praktische, digitale en sociale competenties die noodzakelijk zijn om zelfstandig te functioneren in de moderne samenleving.
24
New cards
Structurele kloof
De kloof binnen armoede die duidt op de uitsluiting en institutionele drempels die worden opgeworpen door de inrichting van officiële instanties, administraties en de wetgeving.
25
New cards
Gevoelskloof
De emotionele en psychologische dimensie van armoede, gekenmerkt door diepe gevoelens van schaamte, chronische stress, minderwaardigheid en sociaal isolement.
26
New cards
Positieve krachtenkloof
De kloof binnen armoede die staat voor het gebrek aan mentale energie, motivatie of toekomstperspectief om de eigen situatie te veranderen doordat men constant in een overlevingsmodus zit.
27
New cards
Sociale structuur
De specifieke vorm van georganiseerd samenleven; de totale verzameling van geordende, stabiele relaties met betrekking tot mensen, groepen en maatschappelijke posities.
28
New cards
Sociale cultuur
Het samenhangende geheel van waarden, normen, tradities, overtuigingen en gewoonten die gedeeld worden door de leden van een specifieke samenleving of groep.
29
New cards
Sociale positie
De specifieke plaats die een individu inneemt binnen een sociale groep of binnen de bredere gelaagdheid van de samenleving.
30
New cards
Positieset
De totale verzameling van alle verschillende sociale posities die één persoon op een gegeven moment in zijn of haar leven gelijktijdig bekleedt.
31
New cards
Sociale rol
Het geheel van verwachtingen en eisen die de omgeving of de samenleving stelt aan de manier waarop iemand een specifieke sociale positie hoort te vervullen.
32
New cards
Rolgedrag
Het feitelijke, concreet waarneembare gedrag dat een individu vertoont bij het invullen van een bepaalde sociale rol.
33
New cards
Rolpartner
De concrete persoon met wie je functioneel en onderling verbonden bent binnen de interacties van een specifieke sociale positie (bijv. leerkracht en leerling).
34
New cards
Rolpatroon
Diepgewortelde, sterk stereotiepe verwachtingen en taakverdelingen tegenover bepaalde sociale posities die historisch gegroeid zijn en nauwelijks veranderen (bijv. traditionele man-vrouwpatronen).
35
New cards
Emancipatie
De gerichte maatschappelijke strijd waarbij een traditioneel rolpatroon wordt doorbroken en nieuwe rechten of gelijke behandelingen worden verworven.
36
New cards
Intern rolconflict
Een conflict waarbij iemand een tegenstrijdigheid of spanning ervaart tussen de verschillende verwachtingen die verbonden zijn aan één en dezelfde sociale positie.
37
New cards
Extern rolconflict
Een conflict waarbij iemand een tegenstrijdigheid ervaart tussen de onverenigbare rolverwachtingen van twee of meer verschillende sociale posities die hij tegelijkertijd uitoefent.
38
New cards
Rolverwarring
De situatie waarin iemand niet weet hoe zich in een bepaalde context te gedragen, omdat het onduidelijk is welk specifiek rolgedrag op dat moment passend is.
39
New cards
Sociale status
De maatschappelijke waardering, het aanzien of het prestige dat objectief aan een bepaalde sociale positie in de samenleving is gekoppeld.
40
New cards
Sociaal aanzien
De persoonlijke waardering die de omgeving heeft voor de manier waarop een specifiek individu zijn of haar sociale rol in de praktijk invult.
41
New cards
Sociale stratificatie
Sociale gelaagdheid; de indeling van individuen en groepen in verschillende maatschappelijke lagen die hiërarchisch ten opzichte van elkaar gerangschikte posities innemen.
42
New cards
Gestratificeerde samenleving
Een gelaagde samenleving die structureel is opgebouwd uit ongelijk hiërarchisch geordende lagen op basis van status, macht, bezit of SES.
43
New cards
Sociale mobiliteit
De beweging van individuen of groepen tussen verschillende sociale posities, waardoor zij kunnen stijgen of dalen naar een andere sociale laag.
44
New cards
Horizontale mobiliteit
Het innemen van een nieuwe sociale positie die zich op hetzelfde niveau bevindt en gepaard gaat met een gelijke SES binnen dezelfde sociale laag.
45
New cards
Verticale mobiliteit
Het door eigen toedoen of omstandigheden stijgen naar een hogere maatschappelijke laag of dalen naar een lagere maatschappelijke laag (verandering van SES-niveau).
46
New cards
Open samenleving
Een flexibele samenlevingsvorm met een hoge mate van sociale mobiliteit waarin men van maatschappelijke laag kan veranderen op basis van eigen verdiensten en prestaties.
47
New cards
Gesloten samenleving
Een rigide samenleving waarin iemands sociale positie al vanaf de geboorte onherroepelijk vastligt en sociale mobiliteit historisch gezien een hoge uitzondering is.
48
New cards
Groep
Een overzichtelijke verzameling van personen die rechtstreeks met elkaar in interactie gaan en daarnaast gemeenschappelijke waarden en normen delen (bijv. een vriendengroep).
49
New cards
Collectiviteit
Een grote groep mensen die weliswaar gemeenschappelijke waarden deelt, maar waarbij er geen of nauwelijks sprake is van directe interactie tussen alle leden (bijv. een landelijke jeugdbeweging).
50
New cards
Samenzijn
Een feitelijke situatie waarin mensen zich louter toevallig gelijktijdig in dezelfde fysieke ruimte bevinden met minimale interactie en zonder gedeelde waarden (bijv. buspendelaars).
51
New cards
Sociale categorie
Een louter theoretische of statistische verzameling mensen die door onderzoekers gegroepeerd worden op basis van een gemeenschappelijk kenmerk, zonder interactie of gedeelde waarden (bijv. alle 16-jarigen).
52
New cards
Egalitaire samenleving
Een samenlevingsmodel waarin alle mensen volkomen gelijk zijn en er geen sprake is van sociale gelaagdheid of structurele sociale ongelijkheid.
53
New cards
SES (Sociaal-economische status)
De positie van een persoon of gezin op de maatschappelijke ladder, objectief bepaald en gemeten op basis van drie indicatoren: opleidingsniveau, beroep en inkomen.
54
New cards
Meritocratie
Een samenlevingsvorm waarin de sociaal-economische status en positie van elk individu uitsluitend wordt bepaald door persoonlijke verdiensten, talenten en geleverde prestaties.
55
New cards
Ajuinmodel
Een grafische weergave van de huidige moderne open samenleving, waarin de middenklasse de allergrootste groep vormt (de brede buik van de ui) en de uiterste lagen relatief klein zijn.
56
New cards
Slavenmaatschappij
Een historisch stratificatiesysteem waarin de ene groep mensen het formele en juridische eigendom is van een andere, heersende groep mensen.
57
New cards
Kastenmaatschappij
Een strikt, religieus gesegmenteerd en gesloten stratificatiesysteem waarin iemands kaste volledig bepaald wordt door geboorte, sociale stijging onmogelijk is en huwelijken buiten de kaste verboden zijn.
58
New cards
Standenmaatschappij
Een historisch stratificatiesysteem (zoals in de middeleeuwen) waarin groepen (adel, geestelijkheid, boeren/burgers) op basis van geboorte of roeping wettelijk verankerde rechten en plichten bezitten.
59
New cards
Klassenmaatschappij
Een economisch stratificatiesysteem (sinds de 19e eeuw) dat primair gebaseerd is op bezit van productiemiddelen en kapitaal, historisch onderverdeeld in bourgeoisie en proletariaat.
60
New cards
Polarisatie
Het proces waarbij de tegenstellingen tussen verschillende groepen in de samenleving sterker worden en groepen scherper en vijandiger tegenover elkaar komen te staan.
61
New cards
Pushers
De actieve aanjagers en opiniemakers in een polarisatieproces die extreme standpunten innemen, zwart-wituitspraken doen en groepen tegen elkaar opzetten.
62
New cards
Joiners
De actieve volgers in het polarisatieproces die zich laten overtuigen door de pushers en expliciet partij kiezen voor één van de strijdende kampen.
63
New cards
The Silent
Het stille midden; de grote groep mensen in een polarisatieconflict die zich bewust afzijdig houdt, zwijgt en weigert partij te kiezen voor een kamp.
64
New cards
Bridge builders
Bruggenbouwers; personen die proberen de gepolariseerde kampen met elkaar te verbinden via dialoog en nuances, waarbij ze het risico lopen de zondebok te worden.
65
New cards
Scapegoat
De zondebok; de persoon of minderheidsgroep die door de strijdende partijen in een polarisatieproces onterecht wordt aangewezen als de absolute schuldige van de problemen.
66
New cards
Complottheorie
Een theorie of hardnekkige overtuiging dat ingrijpende maatschappelijke gebeurtenissen het geheime resultaat zijn van een kwaadaardig complot van een machtige elite (zoals de 'deep state').
67
New cards
Contacthypothese van Allport
De theorie dat vooroordelen en intergroepsconflicten effectief verminderen als groepen intensief contact hebben onder vier voorwaarden: gelijke status, gemeenschappelijk doel, samenwerking en institutionele steun.
68
New cards
Observatie
Een wetenschappelijke onderzoeksmethode waarbij gedragingen of verschijnselen op een gerichte, doelbewuste en systematische manier worden waargenomen en geregistreerd.
69
New cards
Observeren
Het strikt objectief en methodisch waarnemen en registreren van feitelijke handelingen, vaak met behulp van een vooraf vastgesteld schema.
70
New cards
Interpreteren
Het subjectief betekenis geven aan, verklaren of duiden van het waargenomen gedrag (wat betekent het gedrag dat ik zie?).
71
New cards
Natuurlijke observatie
Het observeren van menselijk gedrag in een authentieke, spontane en alledaagse praktijksituatie (gedrag is levensecht).
72
New cards
Gecontroleerde observatie
Het observeren van gedrag in een kunstmatig opgezette, gemanipuleerde situatie, zoals in een psychologisch of sociologisch onderzoekslaboratorium.
73
New cards
Vrije observatie
Een open, ongestructureerde vorm van observatie waarbij de onderzoeker vooraf geen strak schema gebruikt en breed noteert wat er opvallend gebeurt.
74
New cards
Systematische observatie
Een strak gestructureerde observatie waarbij exact volgens een vooraf opgesteld observatieschema en vaste categorieën wordt genoteerd wat er gebeurt.
75
New cards
Betrouwbaarheid
De mate waarin een wetenschappelijk onderzoek vrij is van toevalsfouten; bij exacte herhaling onder dezelfde omstandigheden levert het identieke resultaten op.
76
New cards
Validiteit
De mate waarin een onderzoek daadwerkelijk en zuiver meet wat het beoogt of claimt te meten (zuiverheid en levensechtheid).
77
New cards
Experiment
Een actieve, empirische onderzoeksmethode waarbij een onderzoeker doelbewust een variabele manipuleert om de causale effecten (oorzaak-gevolg) op een andere variabele te meten.
78
New cards
Hypothese
Een toetsbare stelling, veronderstelling of wetenschappelijke voorspelling over wat men op basis van theorie verwacht te vinden als resultaat van het onderzoek.
79
New cards
Onafhankelijke variabele
De variabele die door de onderzoeker in een experiment bewust wordt gemanipuleerd, toegevoegd of gewijzigd om het effect ervan te kunnen bestuderen.
80
New cards
Afhankelijke variabele
De variabele die door de onderzoeker nauwkeurig wordt gemeten en waarop het effect van de onafhankelijke variabele tot uiting komt.
81
New cards
Controlegroep
De groep proefpersonen in een experiment die géén speciale behandeling of manipulatie ondergaat en dient als absolute nulmeting/vergelijkingsbasis.
82
New cards
Experimenteles groep
De groep proefpersonen in een experiment waarbij de onafhankelijke variabele wél actief gemanipuleerd, veranderd of toegepast wordt.
83
New cards
Puntenwolk
Een grafische weergave (scatter plot) in Excel waarin de individuele waarden en de eventuele samenhang tussen twee variabelen met behulp van stippen visueel worden weergegeven.