1/124
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Welke anatomische structuren kunnen betrokken zijn bij de valvulaire lokalisatie van een aortaklepinsufficiëntie?
Valvulaire oorzaken kunnen congenitaal (prolaps of bicuspide klep) of verworven (medicamenteus, reuma, endocarditis of degeneratief) zijn.
Welke congenitale afwijkingen van de hartklep zelf kunnen leiden tot een aortaklepinsufficiëntie?
Een congenitale prolaps of een bicuspide klep.
Welke verworven factoren kunnen leiden tot een insufficiëntie op het niveau van de hartklep zelf?
Medicamenteuze factoren, reuma, endocarditis of degeneratieve processen.
Welke structurele afwijkingen boven de hartklep kunnen een aortaklepinsufficiëntie veroorzaken?
Supravalvulaire oorzaken kunnen congenitaal (bindweefselziekte) of verworven (aneurysma aortae ten gevolge van hypertensie) zijn.
Welke aangeboren systemische aandoening kan aanleiding geven tot een supravalvulaire aortaklepinsufficiëntie?
Een bindweefselziekte.
Welke verworven structurele verandering van het bloedvat boven de klep kan leiden tot een aortaklepinsufficiëntie?
Een aneurysma aortae ten gevolge van hypertensie.
Welke structurele afwijkingen onder de hartklep kunnen een aortaklepinsufficiëntie veroorzaken?
Subvalvulaire oorzaken kunnen congenitaal zijn, specifiek een ventrikelseptumdefect.
Welke aangeboren opening in het hartcompartiment onder de kleppen kan een subvalvulaire aortaklepinsufficiëntie veroorzaken?
Een ventrikelseptumdefect.
Wat is het basisproces dat plaatsvindt bij een aortaklepinsufficiëntie?
De aortaklep sluit tijdens de diastole onvoldoende, waardoor bloed terugstroomt van de aorta naar het linker ventrikel.
Wat gebeurt er tijdens de actieve uitpomp-fase van de hartcyclus in de eerste stap van het mechanisme van volumebelasting?
Tijdens de systole moet het linker ventrikel het normale slagvolume plus het teruggelekte regurgitatievolume wegpompen.
Welke structurele aanpassing vindt plaats in de tweede stap van het mechanisme van volumebelasting om de algehele bloedvoorziening stabiel te houden?
Om dit verhoogde slagvolume te leveren en de cardiac output op peil te houden, treedt dilatatie van het linker ventrikel op.
Welke specifieke vorm van spierwandverandering treedt op in de derde stap van het mechanisme van volumebelasting en hoe verhoudt dit zich tot de wet van Laplace?
Ter compensatie van de toegenomen wandspanning door dilatatie (conform de wet van Laplace) ontstaat excentrische hypertrofie: de kamerwand verdikt, maar behoudt een relatief normale verhouding tot de grotere kamerdiameter.
Waarin verschilt de excentrische hypertrofie bij een lekkende klep van de spierwandverandering die wordt gezien bij een vernauwde aortaklep?
Dit verschilt van de concentrische hypertrofie (enkel wandverdikking) bij een aortaklepstenose.
Op welke manier beïnvloedt een verandering in de hartslagcyclus het terugstroomvolume bij een aortaklepinsufficiëntie?
Omdat het regurgitatievolume toeneemt naarmate de diastole langer duurt, is het teruggelekte volume kleiner bij een hogere hartfrequentie. Een verhoogde hartfrequentie fungeert daarom als compensatiemechanisme.
Wat is het verloop en de fysiologische consequentie op de lange termijn bij de chronische vorm van een aortaklepinsufficiëntie?
De kamer heeft de tijd om zich aan te passen via dilatatie zonder directe drukverhoging. Dit kan op termijn leiden tot linkerboezemvergroting, boezemfibrilleren en hartfalen. Het eindstadium kenmerkt zich door een verminderde systolische functie.
Wat is het fundamentele fysiologische verschil in belasting tussen een aortaklepstenose en een aortaklepinsufficiëntie?
Aortaklepstenose veroorzaakt primair een drukbelasting; aortaklepinsufficiëntie veroorzaakt een volumebelasting. Beide leiden via een verschillend mechanisme tot hartfalen.
Wat is het directe klinische gevolg van een acute aortaklepinsufficiëntie?
Dit leidt direct tot linkszijdig hartfalen doordat de linkerventrikel plotseling een groot volume moet verwerken zonder adaptatietijd.
Welke specifieke pulmonale en respiratoire complicaties treden op als direct gevolg van de acute volumestijging bij een acute aortaklepinsufficiëntie?
Dit resulteert in een verslechterde pompfunctie, verhoogde druk in de linkerboezem en terugstuwing naar de longen, met longstuwing, acuut longoedeem en ernstige dyspneu tot gevolg.
Wat is het kenmerkende klinische beloop van de chronische vorm van een aortaklepinsufficiëntie in de eerste fasen?
Chronische aortaklepinsufficiëntie is vaak langdurig asymptomatisch. Klachten treden pas in een laat stadium op.
Welke specifieke subjectieve gewaarwordingen van de hartslag kunnen optreden in een laat stadium van een chronische aortaklepinsufficiëntie?
Palpitatieklachten door het voelbare grote slagvolume.
Welke symptomen gerelateerd aan de achterwaartse spiervolumebelasting treden op in het latere stadium van een chronische aortaklepinsufficiëntie?
Symptomen van linkszijdig hartfalen: vermoeidheid, verminderde inspanningstolerantie, dyspneu d'effort en orthopneu.
Welke specifieke ritmestoornis kan optreden als uiting van de verhoogde druk in de longcirculatie bij een chronische aortaklepinsufficiëntie?
Boezemfibrilleren als uiting van pulmonale hypertensie.
Welke levensbedreigende complicatie kan in zeldzame gevallen optreden bij een chronische aortaklepinsufficiëntie?
Zelden: plotselinge hartdood.
Wat is de oorzaak van de verandering in de bovendruk bij een aortaklepinsufficiëntie, met name bij oudere patiënten?
De systolische bloeddruk is vaak verhoogd door het grote slagvolume (normaal volume plus teruggelekt volume), wat extra opvalt bij oudere patiënten met een verminderde elastische vaatwand.
Wat is de oorzaak van de verandering in de onderdruk bij een aortaklepinsufficiëntie?
De diastolische bloeddruk is lager dan normaal doordat er bloed terugstroomt naar de linkerkamer.
Wat gebeurt er met de polsdruk bij een aortaklepinsufficiëntie en wat zegt de hoogte van de onderdruk over de ernst van de aandoening?
Er is een grote polsdruk (het verschil tussen systole en diastole). Hoe lager de diastolische druk, hoe ernstiger de klepinsufficiëntie.
Welk specifiek perifeer polsfenomeen is hoorbaar of voelbaar bij het lichamelijk onderzoek van een aortaklepinsufficiëntie?
Pulsus celer: krachtige, snelle arteriële pulsaties met een grote amplitude.
Welk centraal lichamelijk fenomeen van synchroon meebewegen kan in ernstige gevallen van aortaklepinsufficiëntie worden waargenomen?
Homo pulsans: de patiënt kan in ernstige gevallen zichtbaar meebewegen op het ritme van de hartslag; bij het zitten met de benen over elkaar kan het bovenliggende been ritmisch op en neer bewegen.
Welk specifiek fenomeen aan de kleinste bloedvaten van de eindorganen kan zichtbaar zijn bij een aortaklepinsufficiëntie?
Capillaire pols.
Welk specifiek vasculair fenomeen kan via auscultatie worden opgewekt bij het uitoefenen van druk op de grote liesslagader?
Dubbelgeruis van Duroziez: een systolisch en diastolisch geruis dat hoorbaar is bij compressie van de arteria femoralis.
Welke afwijkingen worden gevonden bij de inspectie en palpatie van het hartvóórcompartiment en hoe kan de patiënt er uiterlijk uitzien door de veranderde bloedstroom?
Het hart is vergroot. De ictus cordis is naar links verplaatst, verbreed en heffend (tekenen van linkerventrikelhypertrofie). Patiënten kunnen bleek ogen door een afnemende effectieve cardiac output.
Wat is de status van de eerste harttoon bij auscultatie van een aortaklepinsufficiëntie?
De eerste harttoon (S1) is altijd aanwezig.
Wat is de status van de tweede harttoon bij auscultatie en welke specifieke extra component kan hoorbaar worden bij een verhoogde druk in de longvaten?
De tweede harttoon (S2) is vaak verzwakt. Bij pulmonale hypertensie kan een luide pulmonalisklepcomponent (S2p) hoorbaar zijn.
Welke extra harttoon kan specifiek optreden als uiting van een verminderde vulling of spierverdikking van de kamer?
Een vierde harttoon (S4) kan optreden bij diastolisch hartfalen of linkerventrikelhypertrofie.
Wat zijn de akoestische kenmerken van het typische geruis dat hoorbaar is bij een aortaklepinsufficiëntie?
Een zacht, hoogfrequent, decrescendo diastolisch geruis.
Wat is de optimale klinische luisterhouding en timing om het typische geruis van een aortaklepinsufficiëntie vast te stellen?
Het geruis begint direct na S2; het best hoorbaar als de patiënt in zitpositie maximaal voorover buigt, op uitademing na een diepe inademing.
Wat is de betekenis van de tijdsduur van het hoorbare geruis voor de ernst van een aortaklepinsufficiëntie?
De duur van het geruis is omgekeerd evenredig met de ernst; hoe korter het geruis duurt, hoe ernstiger de insufficiëntie is.
Welk specifiek akoestisch fenomeen kan optreden wanneer het terugstromende bloed een andere hartklepstructuur in trilling brengt?
Austin-Flint-geruis: een laagfrequent holodiastolisch geruis dat ontstaat doordat het regurgitatiebloed uit de aorta het voorste mitralisklepblad in trilling brengt.
Welke verschillende diagnostische modaliteiten kunnen worden ingezet voor het aanvullend onderzoek bij een aortaklepinsufficiëntie?
ECG, Dopplermeting, X-thorax, Fietsergometrie en een Echocardiogram.
Wat is de jaarlijkse mortaliteit bij patiënten met een ernstige aortaklepinsufficiëntie die klinische klachten vertonen?
Bij symptomatische patiënten is de mortaliteit groter dan 10% per jaar.
Wat is de jaarlijkse kans op progressie naar klinische klachten bij asymptomatische patiënten die al wel een meetbare vermindering van de kamerfunctie hebben?
De kans op progressie naar symptomen is groter dan 25% per jaar.
Wat is de jaarlijkse kans op het ontwikkelen van klachten of een verminderde kamerwerking bij asymptomatische patiënten met een nog ongestoorde pompfunctie?
De kans op ontwikkelen van symptomen of linkerventrikeldisfunctie is minder dan 6% per jaar.
Wat is de jaarlijkse kans op het ontwikkelen van uitsluitend een verminderde kamerwerking zonder klachten bij asymptomatische patiënten met een voorheen behouden pompfunctie?
De kans op ontwikkelen van asymptomatische linkerventrikeldisfunctie alleen is minder dan 3,5% per jaar.
Wat is de jaarlijkse kans op een plotseling overlijden bij asymptomatische patiënten met een ongestoorde pompfunctie?
De kans op plotseling overlijden is minder dan 0,5% per jaar.
Welke specifieke groepen medicijnen worden ingezet bij de medicamenteuze therapie van een aortaklepinsufficiëntie?
ACE-remmers en/of dihydropyridine calciumantagonisten.
Wat is het mechanisme van de voorgeschreven afterload-verlagers bij een aortaklepinsufficiëntie?
Ze werken als arteriële vaatverwijders.
Wat zijn de specifieke therapeutische effecten van afterload-verlagers op het lekvolume en de kamerstructuur?
Ze verminderen van het lekvolume en voorkomen van de progressie van linkerkamerdilatatie.
Welke medicamenteuze standaardbehandeling moet worden toegepast wanneer er weefseloverbelasting met pompstoringen optreedt bij een aortaklepinsufficiëntie?
De gebruikelijke therapie bij hartfalen.
Wat is de klinische indicatie voor het uitvoeren van hartchirurgie bij een aortaklepinsufficiëntie volgens de IB-richtlijn?
Geïndiceerd bij mensen met symptomen of een slechte hartfunctie (klasse IB).
Wat zijn de kenmerken en risico's van een chirurgische plastiek bij een aortaklepinsufficiëntie?
Een plastiek is meestal niet mogelijk, maar is wel het minst gevaarlijk.
Welke vorm van chirurgische ingreep is een behandeloptie voor een aortaklepinsufficiëntie waarbij een kunstmatig implantaat wordt geplaatst?
Kunstklepimplantatie.
Welke vorm van chirurgische ingreep maakt gebruik van menselijk donorweefsel voor de vervanging bij een aortaklepinsufficiëntie?
Homograftimplantatie.
Welke uitgebreide chirurgische prothese kan worden geplaatst als ook het aangrenzende bloedvat aangedaan is bij een aortaklepinsufficiëntie?
Klephoudende vaatprothese.
Wat is de huidige status en de voornaamste anatomische beperking van een percutane interventie bij een aortaklepinsufficiëntie?
Percutane therapie is vaak (nog) niet mogelijk door een wijde annulus.
Wat zijn de stapsgewijze pathofysiologische processen in de samenvatting van een aortaklepinsufficiëntie?
Terugstroom van bloed naar het linkerventrikel (LV) tijdens de diastole leidt tot volume-overbelasting, wat LV-dilatatie en excentrische hypertrofie veroorzaakt, resulterend in een uiteindelijk verminderde hartfunctie.
Welke specifieke aangeboren en verworven valvulaire oorzaken worden genoemd in de samenvatting van de aortaklepinsufficiëntie?
Congenitaal: bicuspide klep, prolaps. Verworven: endocarditis, reuma, degeneratie, medicatie.
Welke specifieke aangeboren en verworven supravalvulaire oorzaken worden genoemd in de samenvatting van de aortaklepinsufficiëntie?
Congenitaal: bindweefselziekte. Verworven: aneurysma door hypertensie.
Welke specifieke subvalvulaire oorzaak wordt genoemd in de samenvatting van de aortaklepinsufficiëntie?
Congenitaal: ventrikelseptumdefect.
Welke klinische klachten horen bij de chronische en welke bij de acute vorm van aortaklepinsufficiëntie volgens de samenvattende tabel?
Chronisch: moe, inspanningsintolerantie, dyspneu, orthopneu, atriumfibrilleren, hartfalen. Acuut: longoedeem, ernstige dyspneu.
Welke specifieke auscultatoire afwijkingen worden vermeld in de samenvattende tabel van de aortaklepinsufficiëntie?
Zachte S2, eventueel S4, hoogfrequent diastolisch decrescendo-geruis na S2 (links parasternaal) en eventueel een Austin-Flint-geruis.
Welke bloeddruk- en polsverschijnselen worden genoemd in het samenvattend overzicht van het lichamelijk onderzoek bij een aortaklepinsufficiëntie?
Hoge systolische bloeddruk en lage diastolische bloeddruk, resulterend in een grote polsdruk. Pulsus celer, homo pulsans, capillaire pulsaties en een Duroziez-geruis.
Welke specifieke afwijking aan de ictus cordis wordt genoemd in het samenvattend overzicht van het lichamelijk onderzoek bij een aortaklepinsufficiëntie?
Heffende, verbrede ictus.
Welke therapeutische opties en chirurgische indicaties worden samengevat voor de behandeling van een aortaklepinsufficiëntie en wat is de bron van deze tabel?
Afterloadverlagers (ACE-remmers), hartfalentherapie, en chirurgie bij klachten of verminderde LV-functie (plastiek, klepvervanging), waarbij percutaan technisch lastig is. De bron is Slim Academy (2025).
Welke specifieke cardiovasculaire en auscultatoire kenmerken pleiten klinisch voor een belangrijke of ernstige aortaklepinsufficiëntie?
Hoge polsdruk, krachtige vaatpulsaties, naar links en beneden verplaatste en heffende ictus, en een ruw holodiastolisch geruis.
Welke specifieke veranderingen in het geruis of het optreden van extra tonen duiden op een zich ontwikkelende linkerkamerdisfunctie?
Korter worden van het diastolisch geruis en het optreden van een derde harttoon.
Wat zijn de patiëntkarakteristieken van de casus over een jonge man met een aortaklepinsufficiëntie?
Een 25-jarige man, wielrenner, geen eerdere medische voorgeschiedenis.
Welke specifieke klinische klachten en symptomen vertoonde de jonge man uit de eerste casus bij presentatie?
Achteruitgang van de conditie, sneller vermoeid, progressieve kortademigheid, vatbaarder voor griepjes en een verminderde inspanningstolerantie.
Welke relevante cardiovasculaire voorgeschiedenis en chirurgische behandelingen komen voor in de familieanamnese van de patiënt uit Casus 1?
Zijn zus heeft op jonge leeftijd acuut reuma gehad, behandeld met een aortaklepreparatie en een ROSS-operatie.
Welke specifieke bloeddrukwaarde, auscultatiebevinding en algemene status werden gevonden bij het lichamelijk onderzoek van de patiënt in Casus 1?
Een bloeddruk van 179/54 mmHg, een zacht diastolisch geruis en geen tekenen van hartfalen.
Welke specifieke anatomische klepstructuur, kamerdimensies en functionele parameters werden vastgesteld op het echocardiogram van Casus 1?
Een bicuspide aortaklep met één commissuur, een verwijde linker hartkamer, een goede pompfunctie, ernstige aortaklepinsufficiëntie en normale aortadimensies.
Welke medicijnen werden aan de patiënt uit Casus 1 voorgeschreven als overbruggingstherapie tijdens de wachttijd voor de ingreep?
Valsartan en metoprolol.
Welke klinische overwegingen en patiëntgebonden risico's speelden een rol bij het afraden van een mechanische prothese in Casus 1?
Een operatie werd geadviseerd op basis van leeftijd en symptomen, waarbij een mechanische klep niet wenselijk was vanwege het wielrennen en het bijbehorende valrisico in combinatie met de noodzaak van bloedverdunners.
Wat houdt de chirurgische techniek en de weefselverplaatsing in bij de gekozen ROSS-operatie in Casus 1?
De eigen pulmonalisklep (longslagaderklep) wordt verplaatst naar de aortapositie, en op de opengevallen plek van de pulmonalisklep wordt een donorklep geplaatst.
Wat was de specifieke reden om te kiezen voor een ROSS-operatie in plaats van een directe donorklep in de aortapositie in Casus 1?
Dit geeft betere functionele uitkomsten dan een donorklep in de aortapositie, en pulmonale donorkleppen zijn relatief duurzaam.
Wat waren de kenmerken van de chirurgische ingreep zelf en hoe verliep het postoperatieve herstel van de patiënt in Casus 1?
Het was een langdurige operatie van 6-7 uur met gebruik van de hart-longmachine, waarna postoperatief een goed herstel optrad; de patiënt rijdt weer wedstrijden (hoewel de conditie nog niet optimaal is).
Wat was de structurele en functionele status van de linker hartkamer na de operatie in Casus 1?
De linker kamer is niet meer verwijd en de pompfunctie is goed.
Welke medicamenteuze aanpassing werd er postoperatief gedaan bij de patiënt uit Casus 1 en met welk specifiek doel?
Valsartan is gestopt om de inspanningstolerantie te verbeteren.
Welk specifiek anatomisch kenmerk van de pulmonalisklep onderscheidt de opbouw en naamgeving van de klepbladen van die van de aortaklep?
Er ontspringen geen coronairen uit de pulmonalisklep; hierdoor is er geen onderscheid in de naamgeving van de verschillende klepbladen.
Welk fysiologisch drukkenkenmerk is karakteristiek voor de rechterkant van het hart?
Aan de rechterkant van het hart heerst een lage druk.
Welke specifieke klinische complicaties treden vaak op bij de implantatie van een kunstklep in de rechterzijde van het hart?
Een kunstklep aan de rechterkant geeft vaak problemen, specifiek trombose of een nieuwe endocarditis.
Wat is de medische definitie van een endocarditis en op welke structuren kan dit syndroom zich manifesteren?
Ontsteking van het endocard (de dunne endothellaag die de binnenkant van het hart en de hartkleppen bekleedt), wat kan optreden bij elke hartklep.
Welke specifieke patiëntengroepen hebben op basis van hun cardiale status een verhoogd risico op het ontwikkelen van een endocarditis?
Patiënten met een aangeboren hartafwijking of een kunstklep lopen een verhoogd risico.
Wat is de initiële weefselverandering die optreedt in de eerste stap van het pathofysiologische proces van een endocarditis?
Beschadiging van het endotheel treedt op door een infectie of ontsteking.
Wat vormt zich in de tweede stap van het proces op de beschadigde plekken van het endotheel en waaruit bestaan deze structuren?
Op de beschadigde plekken vormen zich vegetaties, bestaande uit een mengsel van bacteriën, bloedplaatjes en andere bloedbestanddelen.
Welk microbiologisch fenomeen vindt plaats in de derde stap van het proces, bijvoorbeeld na een invasieve tandheelkundige ingreep?
Bacteriën komen in de bloedbaan terecht (bacteriëmie), bijvoorbeeld na een tandartsbehandeling.
Wat gebeurt er in de vierde stap van het proces wanneer bacteriën in contact komen met de kwetsbare klepstructuren?
Bij mensen met kwetsbare kleppen hechten deze bacteriën zich aan de vegetaties en groeien daar plaatselijk.
Wat is de uiteindelijke stap in het pathofysiologische proces van een endocarditis wat betreft de verspreiding van de micro-organismen?
De bacteriën verspreiden zich vervolgens via de bloedbaan naar andere organen (zoals hersenen en nieren).
Welke specifieke complicatie kan ontstaan bij een endocarditis gelokaliseerd op de tricuspidalisklep en waarheen worden deze weggeslingerd?
Bij endocarditis van de tricuspidalisklep kunnen septische embolieën ontstaan die naar de longen worden uitgeslingerd.
Wat is de algemene prognose en het mortaliteitscijfer bij een endocarditis?
De mortaliteit is hoog, in de orde van 30%.
Welke algemene systemische, neurologische en organische symptomen kunnen optreden bij een endocarditis?
Koorts, neurologische symptomen, haematurie, malaise, mycotische aneurysmata, splenomegalie, huidafwijkingen (petechiën, splinterbloedinkjes), hartfalen en een nieuw geruis aan het hart.
Welke specifieke symptomen en acute embolische complicaties karakteriseren de acute vorm van een endocarditis?
Hoge koorts, koude rillingen, algehele malaise, tekenen van hartfalen (wanneer de hartklep is aangedaan) en embolieën naar organen zoals hersenen, milt, vingers, tenen of longen (afhankelijk van de locatie van de vegetaties).
Waarom is de klinische diagnose van een subacute endocarditis vaak lastig te stellen en welke aspecifieke klachten staan hierbij op de voorgrond?
De diagnose is vaak lastig te stellen door dominantie van weinig specifieke symptomen: lichte koorts, vermoeidheid, verminderde eetlust, spierpijn en hoofdfijn.
Welk diagnostisch classificatiesysteem wordt in de klinische praktijk gehanteerd om de waarschijnlijkheid van een endocarditis vast te stellen?
Duke criteria.
Met behulp van welke specifieke beeldvormende modaliteit wordt de definitieve diagnose van een endocarditis gesteld?
De diagnose wordt gesteld met behulp van een echo.
Wat is de microbiologische etiologie van een endocarditis en welke bacteriegroepen zijn in de grote meerderheid van de gevallen de verwekker?
In 80-90% van de gevallen veroorzaakt door gram-positieve bacteriën (streptokokken, stafylokokken en enterokokken).
Hoe ziet het medicamenteuze stappenplan met antibiotica eruit bij de behandeling van een endocarditis wat betreft duur en spectrum?
Antibiotica gedurende vier tot zes weken, waarbij wordt gestart met een breed antibioticum en na de uitslag van de kweek wordt overgegaan op een smaller antibioticum in een hoge dosering.
Welke specifieke harde klinische of microbiologische indicaties vereisen een chirurgische interventie bij een endocarditis?
Een kunstklep (vroeg stadium), grote vegetaties (groter dan 1,5 cm), hartfalen, persisterende infectie ondanks antibiotica, embolisatie of Staphylococcus aureus als verwekker.
Wat is naast de antimicrobiële en chirurgische behandeling een noodzakelijke stap in de totale therapie van een endocarditis?
Indien bekend, het oplossen van de grondoorzaak van de endocarditis.
Wat zijn de basiskenmerken van de patiënt in de tweede casus?
Een 23-jarige man.
Welke complexe congenitale hartafwijkingen werden bij de patiënt uit Casus 2 bij de geboorte vastgesteld?
Pulmonalisatresie en een perimembraneus ventrikelseptumdefect.