1/227
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Crosscultureel onderzoek
Studie van gelijkenissen en verschillen tussen mensen uit verschillende culturen
Experiment
Een vorm van onderzoek waarbij de onderzoeker controle heeft over de gebeurtenissen en deelnemers volkomen toevallig aan condities worden toegewezen.
Fundamenteel onderzoek
Onderzoek met het oog op een beter begrip van menselijk gedrag, voornamelijk door het toetsen van hypothesen die uit een theorie zijn afgeleid
Interactionisme
Er is een dynamische wisselwerking tussen dispositie en situatie, waarbij uitingen van disposities afhankelijk zijn van de situatie
Multicultureel onderzoek
Studie van gelijkenissen en verschillen tussen mensen uit raciale en etnische groepen binnen eenzelfde cultuur
Multilevelanalyse
Analyse die effecten bepaalt van de verschillende hiërarchische niveaus op een uitkomstvariabele, waarbij het individuele niveau het ondergeschikt niveau vormt en de groep, organisatie, of maatschappij het bovengeschikte niveau uitmaakt
Persoonlijkheids-Psychologie
De studie van de structuur en de effecten van stabiele en cross-situationele eigenschappen van individuen
Sociale cognitie
De studie van het waarnemen, onthouden en interpreteren van informatie over onszelf en anderen
Sociale neurowetenschap
De studie van de relatie tussen neurologische en sociale processen
Sociale psychologie
De wetenschappelijke studie naar de wijze waarop gedachten, gevoelens, motivaties en gedragingen van mensen beïnvloed worden door de aanwezigheid van anderen en hoe we zelf invloed uitoefenen op hoe andere personen denken, voelen en zich gedragen
Terugblikvertekening
De neiging om de voorspelbaarheid van een bepaalde uitkomst te overdrijven, nadat de uitkomst optrad
Toegepast onderzoek
Onderzoek met het oog op het verbeteren van onze kennis over natuurlijke gebeurtenissen en het oplossen van praktische problemen
Vooroordelen
Een negatieve attitude tegenover personen, enkel gebaseerd op hun lidmaatschap van bepaalde groepen
Actor- observatoreffect
De tendens om persoonlijke attributies te maken voor het gedrag van anderen en situationele attributies voor zichzelf
Additiefmodel
Dit model veronderstelt dat sociale waarnemers een globale impressie van een persoon vormen door alle positieve en negatieve kenmerken op te tellen
Attributietheorie
Theorie over het proces van het toeschrijven van oorzaken aan gedrag
Attributievertekeningen
Omdat we in een korte tijdsspanne attributies maken, treden er systematische vertekeningen op in het verzamelen of verwerken van informatie over de oorzaken van het gedrag dat we proberen te verklaren
Behoefte aan cognitieve afsluiting
De behoefte om tot snelle en definitieve beslissingen en oordelen te komen
Beschikbaarheidsheuristiek
De neiging om de waarschijnlijkheid van gebeurtenissen te beoordelen o.b.v. gegevens die in het geheugen beschikbaar zijn en vlug en gemakkelijk oproepbaar zijn
Betekenisveranderings-hypothese
Het feit dat, zodra een impressie gevormd is, nieuwe, inconsistente informatie op basis van initiële impressie geherinterpreteerd zal worden
Centrale trekken
Trekken die de aanwezigheid van andere trekken impliceren en daardoor een sterke impact hebben op de resulterende indruk
Confirmatievertekeningen
De tendens om informatie te interpreteren, te zoeken en te vervormen in overeenstemming met de bestaande opvattingen
Consensusinformatie
Informatie over het al dan niet voorkomen van het effect bij andere omstandigheden
Consistentie informatie
Informatie over het al dan niet voorkomen van een effect bij andere omstandigheden
Covariatieprincipe
De stelling dat een gedrag wordt toegeschreven aan de oorzaak die aanwezig is wanneer het gedrag aanwezig is, en die afwezig is wanneer het gedrag niet optreedt
Distinctiviteitsinformatie
Informatie over het al dan niet voorkomen van het effect bij andere stimuli
Fundamentele attributiefout
De neiging om, wanneer we het gedrag van andere verklaren, de impact van persoonlijke factoren te overschatten en de rol van situaties te onderschatten
Geloof in een rechtvaardige wereld
De opvatting dat in deze wereld iedereen krijgt waar hij of zij recht op heeft en dat iedereen uiteindelijk naar verdienste zal worden beloond.
Gemiddelde model
Dit model verondersteld dat sociale waarnemers een globale impressie va een persoon vormen door het gemiddelde te nemen van alle positieve en negatieve kenmerken
Informatie-integratietheorie
De theorie die stelt dat impressies gebaseerd zijn op een gewogen gemiddelde van de kenmerken van de doelpersoon
Instabiele attributies
Het toeschrijven van het gedrag van een doelpersoon aan factoren die in dit ene geval opgaan, maar op andere momenten wellicht niet geldig zijn
Non-verbaal gedrag
Lichaamstaal in de vorm van gedrag gebaseerd op niet-talige signalen of tekens, zoals gelaatsuitdrukkingen en lichaamstaal
Paraverbaal gedrag
Niet-linguïstische kenmerken van communicatie, zoals de toon, het volume, de intonatie, de articulatie, het timbre en het ritme waarop iets gezegd wordt
Persistentie van opvattingen
De tendens om opvattingen in stand te houden
Persoonsattributie
Het toeschrijven van het gedrag van een doelpersoon aan de actor zelf en zijn/haar interne eigenschappen
Primauteitseffect
De bevinding dat eerdergenoemde informatie meer impact heeft op het oordelen dan later gepresenteerde informatie
Representativiteitsheuristiek
een mentale snelkoppeling van ons brein. We gebruiken deze onbewust om snel te beoordelen of iemand of iets bij een bepaalde categorie hoort
Situationele attributie
Het toeschrijven van het gedrag van een doelpersoon aan factoren buiten de actor, hetzij een andere persoon, hetzij de situatie
Sociale perceptie
Het geheel van processen die aan de basis liggen van het begrijpen van anderen
Stabiele attributie
Het toeschrijven van het gedrag van een doelpersoon aan factoren ie niet enkel nu aanwezig zijn, maar eveneens in de toekomst gelden
Theorie van corresponderende gevolgtrekkingen
De theorie die de voorwaarden omschrijft waaronder een waarnemer uit gedrag persoonsattributies zal afleiden. Deze voorwaarden zijn keuzevrijheid, sociale wenselijkheid en de specificiteit van de gunstige effecten
Treknegativiteits-vertekeningen
Er wordt een groter gewicht toegekend aan negatieve dan aan positieve eigenschappen
Valseconsensuseffect
De neiging om eigen opinies, kenmerken en gedragingen als standaard te gebruiken, waardoor we denken dat deze gedeeld worden met en typerend zijn voor anderen
Zelfvervullende voorspelling
Het fenomeen dat andere personen gedrag stellen conform onze verwachtingen
Assertiviteit
Zich niet inschikkelijk tonen door weigeren in te gaan op direct gerichte verzoeken
Conformiteit
De neiging om percepties, opinies en gedrag te veranderen, zodat ze in overeenstemming zijn met de geldende normen van de groep
Crediteurs
Individuen die vaak wederkerigheid hanteren om instemming te krijgen
Deur-tegen-de-neus-techniek
Iemand doet eerst een veeleisend verzoek (waarop natuurlijk niet wordt ingegaan) en daarna een tweede aanvaardbaar verzoek
Eigenzinnigheidskrediet
Interpersoonlijk krediet dat we verdienen door de groepsnormen te volgen, wat later kan worden ingezet om van de groep af te wijken
Gehoorzaamheid
Uitvoeren van een bevel van een autoriteit
Het-is-nog-niet-klaar techniek
Er is eerst een groot verzoek; maar door het doen van een aantal concessies kunnen we uiteindelijk instemmen met een tweede, kleiner verzoek
Informationele invloed
Invloed die leidt tot conformiteit omdat we de behoefte hebben om correcte oordelen en opinies te vormen
Instemmen
Gedragsverandering die het gevolg is van een direct verzoek
Kameleoneffect
Het automatisch nabootsen van allerlei gelaatsuitdrukkingen, mimiek en manierismen van interactiepartners
Meerderheidsinvloed
Sociale beïnvloeding die tot stand komt door blootstelling aan de opinie van e meerderheid, of de meerderheid binnen de groep
Minderheidsinvloed
Het proces waardoor dissidenten in een groep veranderingen bewerkstellingen
Norm
Overtuigingen die het gedrag richting geven, gebaseerd op wat de groep als typische of wenselijke gedragingen beschouwt
Normatieve invloed
Invloed die leidt tot conformiteit omdat we de behoefte hebben om aanvaard te worden en sympathiek over te komen, waardoor we afwijkend gedrag vermijden
Private conformiteit
De verandering verwijst niet enkel naar de aanpassing van het gedrag in het bijzijn van anderen, maar ook van de eigen opvattingen
Publieke conformiteit
Een oppervlakkige gedragsverandering veroorzaakt door reële of vermeende groepsdruk zonder dat er een overeenkomstige meningsverandering optreedt
Sociale beïnvloeding
De uitoefening sociale macht dor een persoon of een groep om de attitudes en/of het gedrag van anderen te veranderen
Trotseren
Weigeren om een bevel van een autoriteit uit te voeren
Tweestappen-instemmingstechnieken
Een aantal verzoektechnieken is gebaseerd op twee opeenvolgende verwante verzoeken, waarvan het eerste verzoek slechts de voorbereiding vormt voor het tweede echte verzoek
Voet-tussen-de-deur-techniek
De verzoeker breekt het ijs met en klein verzoek dat moeilijk geweigerd kan worden. Instemming met het eerste verzoek vergroot de kans dat we met een volgend, groter verzoek instemmen
Wederkerigheidsnorm
De norm die voorschrijft dat je voor iemand iets terugdoet wanneer hij of zij iets vr jou heeft gedaan, of dat je iemand behandeld zoals hij jou heeft behandeld
Zodra-de-bal-aan-het-rollen-is-techniek
De tweestappenstrategie waarbij de verkoper eerst een interessante deal voorstelt, maar nadat de koper het engagement is aangegaan, de kosten verhoogd
Attitude
Een aangeleerde algemene evaluatie van een object, die met een bepaalde intensiteit uitgedrukt wordt
Behoefte aan cognitie
Een individuele verschilvariabele die refereert aan het genoegen dat wordt ontleend aan het uitvoeren van cognitieve activiteiten
Centrale weg tot overreding
Het overredingsproces waarbij ontvangers de boodschap systematisch analyseren en hun attitudes vooral door sterke
Cognitieve dissonantietheorie
De theorie die stelt dat dissonante cognities fysiologische opwinding opwekken die we willen reduceren
Elaboratie
De grondige en systematische cognitieve verwerking van een stimulus
Expliciete attitude
Attitudes die door een persoon bewust gerapporteerd worden
Face-ism
Het fenomeen dat media van mannen eerder het gelaat tonen, terwijl van vrouwen meestal net het hele lichaam afgebeeld wordt
Impliciete attitude
Een attitude die zich situeert op het automatische niveau en haar basis vindt in de organisatie van materiaal in het geheugen
Impliciete-associatietest (IAT)
De meest gehanteerde meting van impliciete attitudes die afgeleid worden uit de snelheid waarmee deelnemers aan de test de categorie goed of slecht associëren met categorieën zoals zwart vs. blank, zelf versus anderen
Klassieke conditionering
Een neutrale stimulus die samen met een (on)aangename stimulus voorkomt, wordt op den duur zelf (on)attractief ervaren
Multicomponentenmodel van attitudes
Het model dat stelt dat attitudes bestaan uit cognitieve, affectieve en gedragsmatige componenten
Onvoldoende afschrikking
Wanneer individuen een aangenaam gedrag niet uitvoeren, hoewel er slechts met en milde straf wordt gedreigd, devalueren ze achteraf de waarde van dit gedrag
Onvoldoende justificatie
Wanneer individuen uit vrije wil attitudes inconsistent stellen, zonder er een grote beloning voor te ontvangen, veranderen ze hun attitudes
Operante conditionering
Door belonen of straffen stijgt of daalt de attractiviteit van de stimulus
Perifere weg tot overreding
Het overredingsproces waarbij ontvangers niet zorgvuldig over de boodschap nadenken, maar door uiterlijkheden en oppervlakkige wenken worden beïnvloed
Psychische reactantie
Individuen die denken overtuigd te zullen worden, aanzien dit als een bedreiging van hun vrijheid, waardoor ze moeilijk overtuigd worden
Slapend effect
De neiging om na verloop van tijd de boodschapper te dissociëren van de boodschap, waardoor overtuigende boodschappen van een ongeloofwaardige bron een uitgestelde impact hebben
Subliminaal bericht
Een boodschap die slechts tijdens enkele milliseconden gepresenteerd wordt, waardoor het publiek zich niet bewust is van het feit dat die stimulus aangeboden werd
Theorie van beredeneerd gedrag
De theorie die stelt dat attitudes ten opzichte van een specifiek gedrag samen met subjectieve normen en waargenomen controle het gedrag bepalen
Vaccinatiehypothese
De blootstelling aan een zwakke variant van een overtuigend argument verhoogt de weerstand tegen dat argument
Verwachting-waardetheorie
Theorie die stelt dat de attitude tegenover een object bepaald wordt door de verwachting dat een attitudeobject bepaalde kenmerken vertoont, maar ook door hoe sterk die kenmerken worden gewaardeerd
Aanvaarding van interpersoonlijk geweld
De overtuiging dat gedrag dat fysieke, psychische of seksuele schade berokkent aan een partner in een hechte relatie, aanvaardbaar is
Aanvaarding van verkrachtingsmythes
Foute overtuigingen over verkrachting, verkrachters en hun slachtoffers, waardoor daders van verkrachting vrijgepleit worden voor hun daden en slachtoffers als de schuldigen worden aangewezen
Aggression Questionaire
Het meest gebruikte instrument dat individuele verschillen in agressie meet
Agressie
Gedrag bedoeld om iemand te kwetsen die niet wenst gekwetst te worden
Catharsis
Een afzwakking van agressiviteit als gevolg van het inbeelden, waarnemen of feitelijk stellen van agressief gedrag
Cognitieve hogere-ordeverwerking
Doelbewuste, weloverwogen informatieverwekking
Cognitieve neo-associatietheorie
De opvatting dat onaangename ervaringen automatische associaties oproepen met agressie-gerelateerd materiaal en woede en angst. De gedragsmatige uitkomsten hangen vervolgens ten dele af van cognitieve hogere-ordeverwerking
Criminogene behoeften
De behoeften en noden die door criminele daden worden bevredigd, waarbij sommige direct samenhangen met het delinquente gedrag, maar andere samengaan met de sociale omgeving en de leefsituatie
Cultivering
Het proces waarbij de massamedia voor hun publiek een eigen versie van de sociale realiteit construeren
Drifttheorie
De theorie die stelt dat alle gedachten, intenties en gedragingen ontstaan vanuit aangeboren driften
Emotionele agressie
Iemand schade berokkenen omwille van de schade
Familiale geweldcyclus
De transmissie van huiselijk geweld van de ene generatie op de andere
Frustratie-agressie-hypothese
De stelling dat (1) frustratie altijd tot geweld leidt en (2) dat agressief gedrag altijd het gevolg van frustratie