1/118
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Wat is sociale ongelijkheid?
De ongelijke verdeling van schaarse en algemeen gewaardeerde zaken en/of ongelijke waardering en behandeling van mensen.
Welke vormen van sociale ongelijkheid bestaan er?
Economische, culturele en sociale ongelijkheid, plus discriminatie.
Wat zijn sociale posities?
Plaatsen die mensen innemen in de samenleving en die ongelijk gewaardeerd worden qua status of rijkdom.
Wat is inkomensongelijkheid?
De ongelijke verdeling van het nationale inkomen over de bevolking.
Wat is inkomen?
Het geld dat iemand verdient in een bepaalde periode.
Wat is vermogensongelijkheid?
De ongelijke verdeling van bezit en goederen tussen mensen.
Wat is vermogen?
Het totale bezit aan geld en goederen van een persoon op een bepaald moment.
Wat meet de Gini-coëfficiënt?
De mate van inkomensongelijkheid in een land.
Wat betekent een Gini-coëfficiënt van 0?
Perfecte gelijkheid: iedereen heeft hetzelfde inkomen.
Wat betekent een Gini-coëfficiënt van 1?
Volledige ongelijkheid: één persoon bezit al het inkomen.
Wat is de Gini-index?
De Gini-coëfficiënt uitgedrukt als percentage.
Waarom is vermogensongelijkheid belangrijk?
Omdat inkomen niet hetzelfde is als vermogen en vermogens vaak ongelijker verdeeld zijn.
Wat is kansenongelijkheid?
Ongelijke kansen die mensen krijgen door geboorte, keuzes en toeval.
Waarom is kansenongelijkheid moeilijk te meten?
Omdat kansen niet rechtstreeks zichtbaar zijn zoals inkomen of vermogen.
Hoe kan kansenongelijkheid leiden tot armoede?
Omdat minder kansen vaak resulteren in lagere inkomens en minder vermogen.
Wat is armoede volgens Jan Vranken?
Een netwerk van sociale uitsluitingen dat mensen scheidt van algemeen aanvaarde leefpatronen.
Waarom is armoede meer dan een gebrek aan geld?
Omdat het verschillende levensdomeinen beïnvloedt.
Wat is generatiearmoede?
Armoede die van ouders op kinderen wordt doorgegeven.
Wat is nieuwe armoede?
Armoede waarbij mensen plots in een armoedesituatie terechtkomen.
Welke aspecten worden gebruikt om armoede te meten?
Inkomen, voeding, huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en werk.
Hoe kan een laag inkomen bijdragen aan armoede?
Door geldgebrek en schulden.
Welke gevolgen kan slechte voeding hebben?
Verminderde weerstand en een slechtere ontwikkeling van kinderen.
Welke problemen veroorzaakt slechte huisvesting?
Sociale isolatie en gezondheidsproblemen.
Waarom stellen mensen in armoede soms gezondheidszorg uit?
Omdat medische kosten te hoog zijn.
Waarom verhoogt vroegtijdig schoolverlaten het armoederisico?
Omdat een laag opleidingsniveau de kansen op werk vermindert.
Waarom is werk belangrijk in de strijd tegen armoede?
Het zorgt voor inkomen, sociale contacten en maatschappelijke waardering.
Wat is de kringloop van armoede?
Een complex geheel van factoren die elkaar versterken en armoede in stand houden.
Waarom is het moeilijk om aan armoede te ontsnappen?
Omdat verschillende levensdomeinen elkaar beïnvloeden.
Wat is de gevoelskloof?
Negatieve gevoelens zoals een laag zelfbeeld en wantrouwen.
Wat is de kenniskloof?
Een gebrek aan toegang tot informatie en kennis.
Wat is de vaardigheidskloof?
Een tekort aan fundamentele vaardigheden.
Wat is de positieve krachtenkloof?
De sterke vechtlust, solidariteit en humor van mensen in armoede.
Wat is de structurele kloof?
Uitsluiting uit belangrijke levensdomeinen.
Wat zijn mogelijke positieve gevolgen van sociale ongelijkheid?
Stimulans voor investeren in menselijk kapitaal, mobiliteit en innovatie.
Wat zijn negatieve gevolgen van te grote sociale ongelijkheid?
Problemen op vlak van onderwijs, levensverwachting en economische groei.
Wat is een sociale groep?
Een verzameling mensen die met elkaar relaties hebben.
Wat is een dyade?
Een sociale groep van twee personen.
Wat is een triade?
Een sociale groep van drie personen.
Hoe bereken je het aantal relaties binnen een groep?
N × (N − 1) ÷ 2.
Wat gebeurt er wanneer een groep groter wordt?
Er zijn meer relaties, minder persoonlijk contact en minder sociale controle.
Welke twee criteria gebruikte Robert Merton om groepen te onderscheiden?
Gemeenschappelijke waarden en interactie.
Welke drie groepstypen onderscheidde Robert Merton?
Groep, sociale categorie en collectiviteit.
Wat is een sociale categorie?
Een statistische verzameling mensen met een gemeenschappelijk kenmerk.
Wat is een collectiviteit?
Een verzameling mensen met gelijke kenmerken of waarden.
Wat voegde Muzafer Sherif toe aan de groepstypen?
Het samenzijn of togetherness situation.
Wat is een sociale structuur?
Een verzameling geordende relaties tussen mensen, groepen en instituties.
Wat is een sociale positie?
De plaats die iemand inneemt binnen een groep of samenleving.
Wat is een verworven positie?
Een positie die je verkrijgt door eigen inspanning.
Wat is een toegewezen positie?
Een positie die je automatisch krijgt, bijvoorbeeld bij geboorte.
Wat is een positieset?
Het geheel van sociale posities die iemand inneemt.
Wat is een sociale rol?
De verwachtingen die horen bij een sociale positie.
Wat is rolgedrag?
Het gedrag dat iemand vertoont op basis van zijn positie en rol.
Wat is formele sociale controle?
Controle via officiële regels en wetten.
Wat is informele sociale controle?
Controle via sociale normen en verwachtingen.
Wat is een rolmodel?
Iemand die als voorbeeld dient voor de invulling van een sociale rol.
Wat zijn rolpatronen?
Diepgewortelde verwachtingen over sociale rollen.
Waarom ontstaan emancipatiestrijden?
Om rolpatronen te doorbreken en gelijke rechten te verkrijgen.
Wat is een rolconflict?
Tegenstrijdige verwachtingen die horen bij sociale rollen.
Wat is een intern rolconflict?
Een conflict binnen één sociale positie.
Wat is een extern rolconflict?
Een conflict tussen twee sociale posities.
Wat is rolverwarring?
Niet weten hoe je je moet gedragen door tegenstrijdige verwachtingen.
Wat is sociale status?
De waardering die anderen geven aan een sociale positie.
Wat is sociaal aanzien?
De waardering voor hoe iemand zijn sociale rol vervult.
Wat is sociale stratificatie?
De indeling van de samenleving in sociale lagen.
Wat kenmerkt een gestratificeerde samenleving?
Ongelijkheid en hiërarchie tussen groepen.
Welke factoren bepalen sociale stratificatie?
Leeftijd, geslacht, migratiegeschiedenis, gezondheid, burgerlijke staat en SES.
Waarvoor staat SES?
Socio-economische status.
Welke elementen bepalen SES?
Opleidingsniveau, beroep, inkomen en aanzien.
Wat is een standenmaatschappij?
Een samenleving waarin sociale positie gebaseerd is op afkomst.
Welke drie standen bestonden in de middeleeuwen?
Clerus, adel en derde stand.
Wat is een klassenmaatschappij?
Een samenleving waarin economische verschillen centraal staan.
Welke twee klassen onderscheidde men in de industriële samenleving?
Bourgeoisie en proletariaat.
Welke drie klassen onderscheiden we vandaag vaak?
Hogere klasse, middenklasse en arbeidersklasse.
Wat is een meritocratische samenleving?
Een samenleving waarin succes gebaseerd zou zijn op verdienste en inspanning.
Wat is sociale mobiliteit?
Het bewegen tussen sociale posities of lagen.
Wat is een gesloten samenleving?
Een samenleving met weinig sociale mobiliteit.
Wat is een open samenleving?
Een samenleving waarin mensen relatief makkelijk van sociale positie kunnen veranderen.
Wat is horizontale mobiliteit?
Verandering van positie binnen dezelfde sociale laag.
Wat is verticale mobiliteit?
Verandering naar een hogere of lagere sociale laag.
Wat is intragenerationele mobiliteit?
Mobiliteit binnen het leven van één persoon.
Wat is intergenerationele mobiliteit?
Mobiliteit tussen verschillende generaties.
Wat zijn emancipatiebewegingen?
Bewegingen die strijden voor gelijke rechten en gelijke behandeling.
Wat is mediatisering?
De toenemende invloed van media op ons wereldbeeld.
Hoe kunnen media discriminatie versterken?
Door stereotypen, vooroordelen en haatdragende boodschappen te verspreiden.
Wat is een echokamer?
Een omgeving waarin je vooral mensen ontmoet die dezelfde mening hebben.
Wat is een filterbubbel?
Een situatie waarin algoritmes je vooral informatie tonen die aansluit bij je voorkeuren.
Hoe kun je een filterbubbel doorbreken?
Door zoekgeschiedenis te wissen en instellingen aan te passen.
Wat is misinformatie?
Foutieve informatie die verspreid wordt omdat men denkt dat ze waar is.
Wat is desinformatie?
Bewust verspreide foutieve informatie.
Wat is fake news?
Bewust verspreide onjuiste informatie om te misleiden.
Waarom wordt fake news verspreid?
Om meningen te beïnvloeden of economisch voordeel te behalen.
Hoe herken je fake news?
Door bronnen, betrouwbaarheid en datum te controleren.
Wat is een complottheorie?
Een theorie die gebeurtenissen verklaart zonder wetenschappelijk bewijs.
Waarom verspreiden complottheorieën zich snel?
Door internet en sociale media.
Waarom zijn complottheorieën aantrekkelijk in onzekere tijden?
Omdat ze eenvoudige antwoorden bieden op complexe vragen.
Wat is polarisatie?
Een proces waarbij tegenstellingen tussen groepen toenemen.
Welke gevolgen heeft polarisatie?
Meer spanningen, wij-zij-denken en verdeeldheid.
Waarom heeft polarisatie niet alleen negatieve gevolgen?
Omdat conflicten en verschillen zichtbaar worden en verandering kunnen stimuleren.
Wat is zondebokdenken?
Het aanwijzen van een groep als schuldige voor problemen.
Wat bedoelt men met 'onbekend maakt onbemind'?
Mensen hebben sneller vooroordelen tegenover wat ze niet kennen.