Sociologie juni

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/118

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 11:46 AM on 6/19/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

119 Terms

1
New cards

Wat is sociale ongelijkheid?

De ongelijke verdeling van schaarse en algemeen gewaardeerde zaken en/of ongelijke waardering en behandeling van mensen.

2
New cards

Welke vormen van sociale ongelijkheid bestaan er?

Economische, culturele en sociale ongelijkheid, plus discriminatie.

3
New cards

Wat zijn sociale posities?

Plaatsen die mensen innemen in de samenleving en die ongelijk gewaardeerd worden qua status of rijkdom.

4
New cards

Wat is inkomensongelijkheid?

De ongelijke verdeling van het nationale inkomen over de bevolking.

5
New cards

Wat is inkomen?

Het geld dat iemand verdient in een bepaalde periode.

6
New cards

Wat is vermogensongelijkheid?

De ongelijke verdeling van bezit en goederen tussen mensen.

7
New cards

Wat is vermogen?

Het totale bezit aan geld en goederen van een persoon op een bepaald moment.

8
New cards

Wat meet de Gini-coëfficiënt?

De mate van inkomensongelijkheid in een land.

9
New cards

Wat betekent een Gini-coëfficiënt van 0?

Perfecte gelijkheid: iedereen heeft hetzelfde inkomen.

10
New cards

Wat betekent een Gini-coëfficiënt van 1?

Volledige ongelijkheid: één persoon bezit al het inkomen.

11
New cards

Wat is de Gini-index?

De Gini-coëfficiënt uitgedrukt als percentage.

12
New cards

Waarom is vermogensongelijkheid belangrijk?

Omdat inkomen niet hetzelfde is als vermogen en vermogens vaak ongelijker verdeeld zijn.

13
New cards

Wat is kansenongelijkheid?

Ongelijke kansen die mensen krijgen door geboorte, keuzes en toeval.

14
New cards

Waarom is kansenongelijkheid moeilijk te meten?

Omdat kansen niet rechtstreeks zichtbaar zijn zoals inkomen of vermogen.

15
New cards

Hoe kan kansenongelijkheid leiden tot armoede?

Omdat minder kansen vaak resulteren in lagere inkomens en minder vermogen.

16
New cards

Wat is armoede volgens Jan Vranken?

Een netwerk van sociale uitsluitingen dat mensen scheidt van algemeen aanvaarde leefpatronen.

17
New cards

Waarom is armoede meer dan een gebrek aan geld?

Omdat het verschillende levensdomeinen beïnvloedt.

18
New cards

Wat is generatiearmoede?

Armoede die van ouders op kinderen wordt doorgegeven.

19
New cards

Wat is nieuwe armoede?

Armoede waarbij mensen plots in een armoedesituatie terechtkomen.

20
New cards

Welke aspecten worden gebruikt om armoede te meten?

Inkomen, voeding, huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en werk.

21
New cards

Hoe kan een laag inkomen bijdragen aan armoede?

Door geldgebrek en schulden.

22
New cards

Welke gevolgen kan slechte voeding hebben?

Verminderde weerstand en een slechtere ontwikkeling van kinderen.

23
New cards

Welke problemen veroorzaakt slechte huisvesting?

Sociale isolatie en gezondheidsproblemen.

24
New cards

Waarom stellen mensen in armoede soms gezondheidszorg uit?

Omdat medische kosten te hoog zijn.

25
New cards

Waarom verhoogt vroegtijdig schoolverlaten het armoederisico?

Omdat een laag opleidingsniveau de kansen op werk vermindert.

26
New cards

Waarom is werk belangrijk in de strijd tegen armoede?

Het zorgt voor inkomen, sociale contacten en maatschappelijke waardering.

27
New cards

Wat is de kringloop van armoede?

Een complex geheel van factoren die elkaar versterken en armoede in stand houden.

28
New cards

Waarom is het moeilijk om aan armoede te ontsnappen?

Omdat verschillende levensdomeinen elkaar beïnvloeden.

29
New cards

Wat is de gevoelskloof?

Negatieve gevoelens zoals een laag zelfbeeld en wantrouwen.

30
New cards

Wat is de kenniskloof?

Een gebrek aan toegang tot informatie en kennis.

31
New cards

Wat is de vaardigheidskloof?

Een tekort aan fundamentele vaardigheden.

32
New cards

Wat is de positieve krachtenkloof?

De sterke vechtlust, solidariteit en humor van mensen in armoede.

33
New cards

Wat is de structurele kloof?

Uitsluiting uit belangrijke levensdomeinen.

34
New cards

Wat zijn mogelijke positieve gevolgen van sociale ongelijkheid?

Stimulans voor investeren in menselijk kapitaal, mobiliteit en innovatie.

35
New cards

Wat zijn negatieve gevolgen van te grote sociale ongelijkheid?

Problemen op vlak van onderwijs, levensverwachting en economische groei.

36
New cards

Wat is een sociale groep?

Een verzameling mensen die met elkaar relaties hebben.

37
New cards

Wat is een dyade?

Een sociale groep van twee personen.

38
New cards

Wat is een triade?

Een sociale groep van drie personen.

39
New cards

Hoe bereken je het aantal relaties binnen een groep?

N × (N − 1) ÷ 2.

40
New cards

Wat gebeurt er wanneer een groep groter wordt?

Er zijn meer relaties, minder persoonlijk contact en minder sociale controle.

41
New cards

Welke twee criteria gebruikte Robert Merton om groepen te onderscheiden?

Gemeenschappelijke waarden en interactie.

42
New cards

Welke drie groepstypen onderscheidde Robert Merton?

Groep, sociale categorie en collectiviteit.

43
New cards

Wat is een sociale categorie?

Een statistische verzameling mensen met een gemeenschappelijk kenmerk.

44
New cards

Wat is een collectiviteit?

Een verzameling mensen met gelijke kenmerken of waarden.

45
New cards

Wat voegde Muzafer Sherif toe aan de groepstypen?

Het samenzijn of togetherness situation.

46
New cards

Wat is een sociale structuur?

Een verzameling geordende relaties tussen mensen, groepen en instituties.

47
New cards

Wat is een sociale positie?

De plaats die iemand inneemt binnen een groep of samenleving.

48
New cards

Wat is een verworven positie?

Een positie die je verkrijgt door eigen inspanning.

49
New cards

Wat is een toegewezen positie?

Een positie die je automatisch krijgt, bijvoorbeeld bij geboorte.

50
New cards

Wat is een positieset?

Het geheel van sociale posities die iemand inneemt.

51
New cards

Wat is een sociale rol?

De verwachtingen die horen bij een sociale positie.

52
New cards

Wat is rolgedrag?

Het gedrag dat iemand vertoont op basis van zijn positie en rol.

53
New cards

Wat is formele sociale controle?

Controle via officiële regels en wetten.

54
New cards

Wat is informele sociale controle?

Controle via sociale normen en verwachtingen.

55
New cards

Wat is een rolmodel?

Iemand die als voorbeeld dient voor de invulling van een sociale rol.

56
New cards

Wat zijn rolpatronen?

Diepgewortelde verwachtingen over sociale rollen.

57
New cards

Waarom ontstaan emancipatiestrijden?

Om rolpatronen te doorbreken en gelijke rechten te verkrijgen.

58
New cards

Wat is een rolconflict?

Tegenstrijdige verwachtingen die horen bij sociale rollen.

59
New cards

Wat is een intern rolconflict?

Een conflict binnen één sociale positie.

60
New cards

Wat is een extern rolconflict?

Een conflict tussen twee sociale posities.

61
New cards

Wat is rolverwarring?

Niet weten hoe je je moet gedragen door tegenstrijdige verwachtingen.

62
New cards

Wat is sociale status?

De waardering die anderen geven aan een sociale positie.

63
New cards

Wat is sociaal aanzien?

De waardering voor hoe iemand zijn sociale rol vervult.

64
New cards

Wat is sociale stratificatie?

De indeling van de samenleving in sociale lagen.

65
New cards

Wat kenmerkt een gestratificeerde samenleving?

Ongelijkheid en hiërarchie tussen groepen.

66
New cards

Welke factoren bepalen sociale stratificatie?

Leeftijd, geslacht, migratiegeschiedenis, gezondheid, burgerlijke staat en SES.

67
New cards

Waarvoor staat SES?

Socio-economische status.

68
New cards

Welke elementen bepalen SES?

Opleidingsniveau, beroep, inkomen en aanzien.

69
New cards

Wat is een standenmaatschappij?

Een samenleving waarin sociale positie gebaseerd is op afkomst.

70
New cards

Welke drie standen bestonden in de middeleeuwen?

Clerus, adel en derde stand.

71
New cards

Wat is een klassenmaatschappij?

Een samenleving waarin economische verschillen centraal staan.

72
New cards

Welke twee klassen onderscheidde men in de industriële samenleving?

Bourgeoisie en proletariaat.

73
New cards

Welke drie klassen onderscheiden we vandaag vaak?

Hogere klasse, middenklasse en arbeidersklasse.

74
New cards

Wat is een meritocratische samenleving?

Een samenleving waarin succes gebaseerd zou zijn op verdienste en inspanning.

75
New cards

Wat is sociale mobiliteit?

Het bewegen tussen sociale posities of lagen.

76
New cards

Wat is een gesloten samenleving?

Een samenleving met weinig sociale mobiliteit.

77
New cards

Wat is een open samenleving?

Een samenleving waarin mensen relatief makkelijk van sociale positie kunnen veranderen.

78
New cards

Wat is horizontale mobiliteit?

Verandering van positie binnen dezelfde sociale laag.

79
New cards

Wat is verticale mobiliteit?

Verandering naar een hogere of lagere sociale laag.

80
New cards

Wat is intragenerationele mobiliteit?

Mobiliteit binnen het leven van één persoon.

81
New cards

Wat is intergenerationele mobiliteit?

Mobiliteit tussen verschillende generaties.

82
New cards

Wat zijn emancipatiebewegingen?

Bewegingen die strijden voor gelijke rechten en gelijke behandeling.

83
New cards

Wat is mediatisering?

De toenemende invloed van media op ons wereldbeeld.

84
New cards

Hoe kunnen media discriminatie versterken?

Door stereotypen, vooroordelen en haatdragende boodschappen te verspreiden.

85
New cards

Wat is een echokamer?

Een omgeving waarin je vooral mensen ontmoet die dezelfde mening hebben.

86
New cards

Wat is een filterbubbel?

Een situatie waarin algoritmes je vooral informatie tonen die aansluit bij je voorkeuren.

87
New cards

Hoe kun je een filterbubbel doorbreken?

Door zoekgeschiedenis te wissen en instellingen aan te passen.

88
New cards

Wat is misinformatie?

Foutieve informatie die verspreid wordt omdat men denkt dat ze waar is.

89
New cards

Wat is desinformatie?

Bewust verspreide foutieve informatie.

90
New cards

Wat is fake news?

Bewust verspreide onjuiste informatie om te misleiden.

91
New cards

Waarom wordt fake news verspreid?

Om meningen te beïnvloeden of economisch voordeel te behalen.

92
New cards

Hoe herken je fake news?

Door bronnen, betrouwbaarheid en datum te controleren.

93
New cards

Wat is een complottheorie?

Een theorie die gebeurtenissen verklaart zonder wetenschappelijk bewijs.

94
New cards

Waarom verspreiden complottheorieën zich snel?

Door internet en sociale media.

95
New cards

Waarom zijn complottheorieën aantrekkelijk in onzekere tijden?

Omdat ze eenvoudige antwoorden bieden op complexe vragen.

96
New cards

Wat is polarisatie?

Een proces waarbij tegenstellingen tussen groepen toenemen.

97
New cards

Welke gevolgen heeft polarisatie?

Meer spanningen, wij-zij-denken en verdeeldheid.

98
New cards

Waarom heeft polarisatie niet alleen negatieve gevolgen?

Omdat conflicten en verschillen zichtbaar worden en verandering kunnen stimuleren.

99
New cards

Wat is zondebokdenken?

Het aanwijzen van een groep als schuldige voor problemen.

100
New cards

Wat bedoelt men met 'onbekend maakt onbemind'?

Mensen hebben sneller vooroordelen tegenover wat ze niet kennen.