Een taal die mensen gebruiken om onderling te communiceren, waarbij de regels vooraf zijn vastgelegd. De taal is door mensen ontworpen en verandert niet of nauwelijks.
4
New cards
Dubbelzinnigheid
Verschijnsel waarbij een tekst of een zin meerdere betekenissen heeft.
5
New cards
Imperatieve taal
Een taal waarmee je de computer stapsgewijs instructies geeft.
6
New cards
Objectgeoriënteerde taal
Een taal waarbij alles draait om objecten, elk met eigen data en taken.
7
New cards
Zuiver imperatieve taal
Een imperatieve taal die echt alleen imperatief is.
8
New cards
Declaratieve taal
Een taal waarmee je informatie of een functionaliteit beschrijft.
9
New cards
Functionele programmeertaal
Een programmeertaal die bestaat uit een verzameling functies.
10
New cards
Logische programmeertaal
Een programmeertaal die bestaat uit een aantal randvoorwaarden, waarna je een probleem kunt oplossen binnen die voorwaarden.
11
New cards
Syntaxis
De taalregels van een programmeertaal.
12
New cards
Drie niveaus van syntaxis
Woordniveau (spelling), zinsniveau (grammatica), en contextniveau (geldigheid van variabelen, objecten en typen).
13
New cards
Backus-Naurvorm (BNF)
Een manier om grammaticale regels voor formele talen te noteren.
14
New cards
Broncode
De code van een programma.
15
New cards
Parser
Software die code controleert op grammaticale fouten.
16
New cards
Compiler
Software die broncode vertaalt naar een executable.