1/58
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
itemanalyse
top-down, deductief proces - waarbij we vertrekken vanuit een a priori indeling van items en kijken of de antwoorden van ppn steun bieden voor dit design en of de somscores steun bieden voor de achterliggende meetschalen (kwaliteitscheck)
Doel: evaluatie van meetkwaliteit van een somscore + optimaliseren van meetkwaliteit (descriptieve statistieken en correlatie tussen item met totaalscore)
Factoranalyse
inductief, bottom-up proces:
Vertrekken vanuit de antwoorden van de ppn en kijken hoe deze het best kunnen worden samengevat op basis van achterliggende dimensies of factoren
Univariatie itemkenmerken
Gemiddelde:
- PN = p-waarden (eventueel a-waarden)
- GW = gemiddelde op antwoordschaal
--> Extreme gemiddelden?
- PN = niet per sé verwijderen (functie v VH en moeilijkheidsgraad)
- GW = draagt niets bij dus verwijderen
Variantie
- PN = uitsluitend afhankelijk v. p-waarden: var (X) = p(1-p) Hieruit volgt: hoogste variantie indien P = .50
- GW = extreme gemiddelden doorgaans gepaard met lagere varianties, doorgaans voorkeur voor hogere (behaalve bij examensituaties)
item-totaalcorrelatie vs Item-restcorrelatie
Itemtotaal = correlatie tussen item en som op alle items van de test
Item-rest = correlatie tussen antwoord op item en soms op al de andere items
--> Absolute waarde = mate waarin item bijdraagt tot differentiatie (indien laag, weglaten bij GW)
--> Teken: positief : goed differentiërend, negatief: er is iets aan de hand:
- PN = weglaten of aanpassen
- GW = spiegelen
Univariate testkenmerken
Gemiddelde:
- Vloer- en plafondeffect
Variantie: enige spreiding is gunstig voor correlatie met andere test, of criterium (begrips vs predicitieve validiteit)
Cronbach's alpha
= maat voor interne consistentie, homogeniteitscoëfficiënt
= indicatie voor ondergrens van betrouwbaarheid
= f(gemiddelde inter-itemcorrelatie) & f(aantal items)
Variabelen in factoranalyses omgezet in z-scores
Ieder ITEM, gemiddelde van 0 en variantie van 1
Variantie v. Dataset = som varianties van alle items = aantal items = I (hoofdletter i)
Kwaliteit van de samenvatting (3 factoren)
Communaliteit (itemniveau) = hoeveelheid variantie van een item dat verklaard wordt door factormodel (vergeleken met 1, want totale variantie van item = 1)
--> Berekenen = Kwadraat van correlatie tussen item en factorscore
Eigenwaarde (factorniveau) = hoeveelheid variantie van alle items die verklaard wordt door factor
--> Berekenen = screeplot (vergeleken met I) + som van gekwadrateerde ladingen
Proportie verklaarde variantie (dataset) = proportie van totale variantie verklaard door alle factoren samen (= eigenwaarde gedeeld door 2, bij 2 items?)
= som van de gekwadrateerde ladingen / aantal items?
Kwadraat van correlatie tussen item en factorscore
communaliteit
Communaliteit
Hoeveelheid variantie in een item verklaard door factormodel (kwadraat van de correlatie tussen item en factorscore)
Eigenwaarde
Hoeveelheid variantie van alle items verklaard door factor
= som van de gekwadrateerde ladingen
Hoeveelheid variantie van alle items verklaard door factor
Eigenwaarde
Proportie verklaarde variantie
proportie van totale variantie verklaard door alle factoren samen
Factorladingen
correlatie tussen items en factoren (cf. communaliteit = correlatie tussen item en factorscore in het kwadraat)
Waarde tussen -1 en 1
Hoge lading = gemeenschappelijke betekenis
nul-lading = afwezigheid van betekenis
negatieve lading = tegengestelde betekenis
Optimalisatie door: itemselectie
Manieren om modelkwaliteit na te gaan (één factor oplossing)
Communaliteit = gekwadrateerde factorlading (hoeveel itemvariantie door factor gevat)
Eigenwaarde = som van gekwadrateerde factorladingen (proportie verklaarde variantie door factor 1 = eigenwaarde I)
Gereproduceerde (voorspelde) correlatie: product van ladingen op de factor (--> residuele = geobserveerde - gereproduceerde)
Betrouwbaarheid
Mate waarin metingen herhaalbaar zijn, mate waarin metingen consistent zijn
Noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor validiteit
Validiteit
Mate waarin test aan zijn doel beantwoordt
Mate waarin het gerechtvaardigd is om uitspraken te doen over persoon die verder gaan dan geobserveerd gedrag
Predictieve validiteit
test als voorspeller van gedrag dat buiten de test ligt
- predictie, paradictie, postdictie
Screening, met empirische evidentie de validiteitscoëfficiënt r(X,Y) = test en criterium
Begripsvaliditeit
= empirische evidentie voor het feit dat we op basis van de test mensen mogen beoordelen in termen van een bepaalde psyschologische eigenschap
Maar nooit echt bewijs = versterking van theoretisch netwerk (Of verzwakking)
Test als operationalisering van een psychologisch begrip (= vaststellen)
= vragenlijst, domein beschrijven, afbakenen, toetsmatrijs, steekproef van items...
Empirische evidentie adhv factor- en of itemanalyse, r(test, andere test), r(test, gedrag)
Concurrente validiteit
= paradictie, gelijktijdige validiteit
Test & overeenstemming met psychiatrische diagnose
Construct validiteit
Synoniem voor betekenisanalyse (hypothesevorming, theorie in betekenisvalidering) = onderdeel van begripsvaliditeit
= welke psychologische begrippen worden door de test gemeten --> Welke spelen rol in test prestatie
--> Hierover dus een theorie vormen
Wat is de betekenis ervan
Inhoudsvaliditeit
= content validity
= de representativiteit van items voor het domein (voor de popuiatie items), heeft dus betrekking op de samenstelling van de test
Geen empirische evidentie voor, we spreken enkel over argumentatieve validiteit. Op basis van expert oordelen, maar ook face validity = hoe komt het over bij de leek, is het op eerste zicht representatief
Synthetische validiteit
Mate waarin het geheel voorspelbaar is op basis van de delen:
- functie-elementen en componentiële analyse + synthetisering
onderdeel van predictieve
Incremental validity
toegevoegde waarde van de test
= mate van verbetering van voorspelling door toevoeging van de test ten opzichte van a priori informatie
onderdeel van predictieve (maar is geen predictieve validiteit)
--> toegevoegde waarde groter als: meer niet-overlappende info tussen test en apriori informatie en Geen hoge of lage toevalskans!
Congruente of soortgenotenvaliditeit
correlatie tussen test en andere test die dezelfde eigenschap meet
= vorm van confirmerende begripsvalidering (= bevestiging of verzwakking van theorie)
Hierdoor ook onderdeel van begripsvaliditeit
Face validity
indruksvaliditeit
= subjectieve indruk van leek met betrekking tot r(test, criterium)
Standaard 3 types criterium + probleem
OUT = onmiddellijk, uiteindelijk en tussentijds
probleem met tijdsindicatie
probleem met abstractie: uiteindelijk is veel abstracter
Alternatief onderscheid mbt bepalen van criterium
Doel --> taak: concretiseren in zichtbare resultaten
Conceptueel criterium --> taak: iets waarneembaars, registreerbaars, relevant (rol van inhoudsvaliditeit)
Criteriumgedrag --> taak: kwantitatieve operationalisering
Criteriummaat --> = gekwantificeerd (mogen we niet berekenen na correctie voor attenuatie!!!)
Constructie testbatterij (predictieve validiteit)
Bepaling van criteriumbegrip (doel, conceptueel, criterium gedrag, criteriummaat)
4 categorieën: testconstructie - dataverzameling - data-analyse en definitieve testbatterij
1) testconstructie = welke predictoren? (X) ~ taakanalyse, betekenisanalyse . Design afhankelijk van: omstandigheden, mogelijkheden verwerking & theoretische aanpak. Proefafname
2) dataverzameling: steekproeftrekking - grote steekproef, codering van gegevens
3) data-analyse: moeilijkheidsgraad, factor- en itemanalyse, samenhang met criterium
4) selectie items en subtests - normtabellen - rapportering
Gevaren bij longitudinaal onderzoek
1) uitval deelnemers door tijdsduur (zowel zwakke als sterke) --> Leidt tot "restriction of range": beperktere spreiding waardoor de correlatie tussen test & criterium zal dalen
2) contaminatie van criterium: omwille van pygmalion effect en self-fullfilling prophecy gaat de correlatie tussen test en criterium stijgen
contaminatie van criterium
omwille van pygmalion effect en self-fullfilling prophecy gaat de correlatie tussen test en criterium stijgen
"restriction of range":
uitval deelnemers door tijdsduur (zowel zwakke als sterke) beperktere spreiding waardoor de correlatie tussen test & criterium zal dalen
Vastellen van validiteit
Enkel validiteitscoëfficiënt is niet voldoende
- aard van het verband: kromlijning & heteroscedasticiteit
- suppressorvariabele
- moderatorvariabele
- moderated regression
Kromlijning verband (vaststellen van validiteit)
Voor iedere X de meest waarschijnlijke Y voorspellen
Heteroscedasticiteit (vaststellen van validiteit)
Als X stijgt dan stijgt de variantie van Y en omgekeerd voor Y|X (niet zo bij homoscedasticiteit, waarbij de variantie ongeveer constant blijft)
Suppressorvariabele
Een variabele die niet samenhangt met je criterium, maar waardoor je toch een betere voorspelling krijgt als je die toevoegt aan je andere variabele
Het hangt samen met het stukje van je oorspronkelijke variabele die niet correleert met Y
= stijging van correlatie met criterium
Moderatorvariabele
Verandert het effect dat een variabele X heeft op een variabele Y
Moderated regression
De combinatie van X1 en X2 hangt ook samen met Y, hierdoor versterken hoge scores op 1 en 2 elkaar
= stijging van correlatie met criterium
Kanskapitalisatie
= Grotere kans op type 1 fout naarmate meer predictoren opgenomen = kans op het vinden van een 'significant' verband stijgt naarmate je meer predictoren toevoegt
Type 1 = 1 - alpha
minstens 1 type 1 fout = 1(1-alpha)^k
Beperken door steekproef in twee delen te verdelen en regressiemodel en multipele correlatie toe te passen
2 soorten begripsvalidering
Nomologische = testgedrag hangt samen met psychologische theorie
trekvalidering = testgedrag hangt samen met PH-trek of geschiktheid
Binnen begripsanalyse hebben we twee methoden
= wat meet deze test (cf. hypothese vormen)
- structuuronderzoek: kijken naar de inhoud en formele kenmerken van de test: is er een verschil tussen... zou er een verschil zijn...
- relatieonderzoek: hierin zoeken we naar verbanden tussen test en andere externe variabelen of testitems onderling
--> factoranalyse, voorspellende waarde, experimenteel onderzoek, spreiding en normen
structuuronderzoek:
kijken naar de inhoud en formele kenmerken van de test: is er een verschil tussen... zou er een verschil zijn...
Relatieonderzoek
hierin zoeken we naar verbanden tussen test en andere externe variabelen of testitems onderling
--> factoranalyse, voorspellende waarde, experimenteel onderzoek, spreiding en normen
2 vormen v. evidentie binnen begripsvalidering
Confirmerende validering: = evidentie voor wat de test wel meet. Bevestiging van oorspronkelijke hypothese
Discriminante validering = evidentie voor wat de test niet meet. Verwerpen van de alternatieve hypothese over wat de test meet
(In de vormen v. correlaties & experimenten)
Standaard alternatieve verklaringen binnen discriminante validering
Samenhang met intelligentie
Sociale wenselijkheid als onbedoelde eigenschap
Sociale wenselijkheid als onbedoelde eigenschap
Behoort tot één van de standaard alternatieve verklaringen binnen discriminante validering
individuele sociale wenselijkheid: ik doe me anders voor dan ik ben
Algemene sociale wenselijkheid: ik gedraag me conform het ideaal
Reduceren tot subtiliteit in titel en afname instructies
individuele sociale wenselijkheid:a
ik doe me anders voor dan ik ben
Vaststellen: r(testscore en sociale wenselijkheidstest) of verschil tussen anonieme en niet-anonieme nagaan bij testconstructie
Algemene sociale wenselijkheid:
ik gedraag me conform het ideaal
Expertoordelen: profiel van "wat zou de ideale doen" kijken naar overeenkomst van antwoorden met dit profiel
Antwoordtendensies
Instemtendensie = neiging om ja te antwoorden (tegengaan met spiegelitems)
sequentietendensie = neiging om te kijken wat je geantwoord hebt en evenveel antwoorden per categorie
voorkeur formele kenmerken = langste antwoorden
positievoorkeur = middelste categorie
semantische interpretatie = dezelfde interpretatie aanhouden
uitvoerigheidstendensie = net heel uitvoerig zijn of weinig info geven
snelheidstendensie = vooral snel gaan
gistendensie = bij MPC
Numerus fixus
Van wie slaagt wordt slecht een vast aantal toegelaten
Numerus clausus
enkel wie slaagt wordt toegelaten
Selectiekwaliteit terminologie (ook medisch)
A = positieve misser
B = positieve treffer
C = negatieve treffer
D = negatieve misser
Selectieratio = (B+D)/(A+B+C+D)
Toevalskans = (A+B)/(A+B+C+D)
Succesratio = (B)/(B+D)
Medische wereld :
Sensitiviteit = (B)/(A+B)
Specificiteit = (C)/(C+D)
A = Vals negatieve
B = correct positieve
C = correct negatieve
D = vals positieve
Beïnvloedende factoren van succesratio
r(test,criterium) = validiteitscoëfficient = RE met succesrario (B)/(B/D) --> r = 1, dan succesratio maximaal indien r = 0 dan is succesratio gelijk aan toevalskans
toevelskans = indien hoog dan gaat succesratio stijgen (afhankelijk van kwaliteit kandidaten en strengheid criterium)
selectieratio = indien dit daalt (dus voorwaarden strenger) dan gaat succesratio stijgen (indien gelijk aan 1 is succesratio gelijk aan toevalskans)
Implicaties bij enkelvoudige selectie
1) D > 0 (negatieve missers)
--> r(test en criterium) = validiteitscoëfficiënt, predictieve validiteit is < 1!
- lage kwaliteit kandidaten
- laag aanbod van kandidaten
--> relatie tussen D & A
- als je D wil beperken zal A stijgen en omgekeerd
- zeer lage toevalskans / accident prone individualq
2) toegevoegde waarde van selectie
- indien selectieratio = 1 dan succesratio = toevalskans
- indien hoge toevalskans: test met hoge validiteit weinig toegevoegde waarde
- indien lage toevalskans: test met lage validiteit toegevoegde waarde
- Gelijke toevalskans en zeer hoge selectie = test met hoge validiteit
- gelijke toevalskans en zeer lage selectie = test met lage
3) oordelen & waardebepalingen
- B+D stijgt = daling kritische testscore = stijging D en daling A
- B+D daalt = stijging kritische testscore = daling D en stijging A
Actuariële methode
Hoe informatie van meerdere tests combineren
Onderscheid tussen globaal (predictief) en analytisch (toelatingsvoorwaarden)
Globaal: scores van afzonderlijke testen samengevoegd tot één gewogen totaalscore (die gewichten zijn statistisch bepaald adhv multiple regressieanalyse)
= ALTIJD compensatorisch
Analytisch: (~ inhoudsvaliditeit= wat bevat een noodzakelijk minimum): minimumvoorwaarde op iedere test afzonderlijk (apriori niet statistisch)
- conjunctie
- compensatorisch
- combinatie
Conjunctieregel
Selectie indien voldoen aan minimumvoorwaarde op alle test (en-en regel)
Compensatorische regel
Indien tekorten op één test kunnen deze gecompenseerd worden met hogere score op een andere test
Combinatieregel
Zolang je overal maar een bepaald minimum behaalt, = tweede minimum
Besliskunde in institutionele plaatsingsbeslissingen
1) bepaling waardensysteem = utiliteiten
2) bepaling kansen
3) bepaling rendement = verwachtewaarde