1/80
gegereneerde flashcards door ChatGPT
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Gedrags- en emotionele problemen
Koepelterm voor zichtbaar abnormaal gedrag of emoties ongeacht ernst of context.
Externaliserend probleemgedrag
Probleemgedrag gericht naar buiten zoals agressie en impulsiviteit.
Internaliserend probleemgedrag
Probleemgedrag gericht naar binnen zoals angst en depressieve gevoelens.
Gedragsprobleem
Lichte of tijdelijke problemen die context- of leeftijdsgebonden zijn.
Gedragsstoornis
Ernstige en chronische problemen die minder contextgebonden zijn.
Continuümgedachte
Idee dat gedrag varieert in ernst en intensiteit op een glijdende schaal.
Ontwikkelingsperspectief
Gedrag beoordelen in relatie tot leeftijdsnormen.
Informantfactor
Beoordeling van gedrag varieert naargelang wie observeert.
Classificatie
Systematisch indelen op basis van gelijke kenmerken.
Diagnostiek
Proces van gegevens verzamelen om ondersteuning te bepalen.
Klinisch-psychiatrische classificatie
Categoriaal classificatiesysteem zoals de DSM-5.
Empirisch-statistische classificatie
Dimensioneel systeem op basis van vragenlijsten (bv. CBCL).
DSM-5
Diagnostisch systeem met stoorniscategorieën en criteria.
ASEBA
Systeem van vragenlijsten voor gedrag (CBCL
Classificerende diagnostiek
Diagnostiek gericht op benoemen van stoornissen.
Handelingsgerichte diagnostiek
Diagnostiek gericht op verklaren en bepalen van ondersteuning.
Voordeel classificatie
Creëert gemeenschappelijke taal tussen professionals.
Nadeel classificatie
Risico op labeling en stigmatisering.
Differentiaaldiagnose
Uitsluiten van alternatieve stoornissen.
ODD (oppositionele-opstandige stoornis)
Stoornis met boosheid
CD (normoverschrijdend-gedragsstoornis)
Stoornis met agressie
Periodiek explosieve stoornis
Impulsieve agressieve uitbarstingen die disproportioneel zijn.
Comorbiditeit
Het samen voorkomen van twee of meer stoornissen.
Prevalentie gedragsproblemen
Ongeveer 10% van kinderen heeft ernstige gedragsproblemen.
Risicofactor
Kenmerk dat kans op probleemgedrag verhoogt.
Protectieve factor
Factor die beschermt tegen probleemgedrag.
Monocausaal model
Verklaringsmodel met één oorzaak voor probleemgedrag.
Multicausaal model
Gedrag ontstaat door meerdere oorzaken tegelijk.
Coërcief proces (Patterson)
Patroon waarin ongewenst gedrag wordt bekrachtigd binnen interacties.
Meervoudig risicomodel (van der Ploeg)
Model dat stress
Onderkennende diagnostiek
Diagnostiek die zich richt op classificeren.
Screeningslijst CBCL
Empirisch-statistische vragenlijst voor gedragsproblemen.
Ernst Taxatie Schaal
Instrument om ernst van gedragsproblemen te beoordelen.
Multimodale ondersteuning
Meerdere ondersteuningsvormen combineren (bv. oudertraining + CGT).
Competentiemodel
Model dat focust op vaardigheden i.p.v. stoornissen en probleemreductie.
Draagkracht
Vaardigheden en beschermende factoren van de persoon.
Draaglast
Ontwikkelingstaken
Competentievergroting
Versterken van vaardigheden en mogelijkheden.
Ontwikkelingstaak
Leeftijdsgebonden verwachtingen waarvoor vaardigheden nodig zijn.
Protectieve omgevingsfactor
Factor uit omgeving die beschermt tegen problemen.
Stressor
Negatieve omgevingsinvloed die functioneren onder druk zet.
Strategie competentiemodel
Vaardigheden aanleren
Feedbacktechniek
Gericht positieve feedback geven om gewenst gedrag te versterken.
Gedragsinstructie
Stap-voor-stap uitleg bij aanleren van nieuwe vaardigheden.
Netwerkondersteuning
Gebruikmaken van school
Hechting
Affectieve band tussen kind en verzorger die verbindt over tijd en ruimte.
Inprenting (Lorenz)
Hechting ontstaat in kritieke periode aan wie aanwezig is.
Harlow’s onderzoek
Aapjes kiezen warmte en comfort boven voedsel.
Bowlby
Grondlegger gehechtheidstheorie en hospitalisatiesyndroom.
Strange Situation Procedure
Observatiemethode om hechtingskwaliteit te beoordelen.
Veilige hechting
Kind zoekt troost en kan emoties reguleren
Angstig-vermijdende hechting
Kind minimaliseert eigen signalen en zoekt weinig contact.
Angstig-ambivalente hechting
Kind maximaliseert signalen en reageert heftig bij scheiding.
Gedesorganiseerde hechting
Geen consistente strategie
RAD (reactieve hechtingsstoornis)
Afwezige hechtingsreacties
DSED (ontremd-sociaalcontactstoornis)
Ongepaste familiariteit tegenover onbekenden.
Basisvertrouwen
Vertrouwen dat ontstaat door sensitieve
Sensitiviteit
Gevoelig zijn voor signalen van het kind.
Responsiviteit
Passend reageren op de signalen van het kind.
Objectpermanentie
Begrip dat iets blijft bestaan ook wanneer het niet zichtbaar is.
Multiprobleemgezin
Gezin met chronische sociaal-economische én psychosociale problemen dat weerbarstig is voor hulp.
Meervoudige en complexe problemen
Problemen op meerdere domeinen (financieel
Kansarmoede
Duurzame toestand waarin kansen op domeinen zoals werk
Multidimensionale armoede
Armoede op verschillende verweven domeinen tegelijk.
Kansarmoede-index
Meting van kansarmoede op basis van 6 criteria bij Kind & Gezin.
Verbintenisproblematiek
Moeilijkheden om duurzame relaties aan te gaan door vroegere teleurstellingen.
Schuldmodel
Gedachte dat gezin zelf verantwoordelijk is voor alle problemen.
Ongevalmodel
Gedachte dat problemen ontstaan door omstandigheden buiten gezin.
Multiperspectiviteit
Hulp kijken vanuit verschillende invalshoeken en contexten.
Transgenerationele armoede
Armoede die van generatie op generatie wordt doorgegeven.
Hulpverleningskloof
Mismatch tussen hulpvraag van gezin en aanbod van hulpverlening.
Complexiteit HV-systemen
Organisatieproblemen die ondersteuning bemoeilijken.
Interpersoonlijk geweld
Geweld tussen personen zoals mishandeling
Kindermishandeling
Elke vorm van fysieke
Emotionele mishandeling
Vernederen
Fysieke mishandeling
Toebrengen van lichamelijke schade.
Verwaarlozing
Onvoldoende voorzien in basisbehoeften zoals voeding
Signalen kindermishandeling
Onverklaarbare letsels
Preventie interpersoonlijk geweld
Voorlichting
Handelingsprotocol
Stappenplan voor hulpverlener bij vermoeden van mishandeling.
Veiligheidsplan
Plan om directe veiligheid van kind te garanderen.