1/65
psychologie Ugent pedagogische wetenschappen 1ste jaar Ba OF algemene psychologie Ugent psychologie 1ste jaar BA
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Analytische intelligentie
Een vorm van intelligentie die betrekking heeft op abstract redeneren en de vaardigheid om met nieuwe situaties om te gaan, essentieel voor schoolprestaties.
= conglomeraat (verzameling) van verstandelijke vermogens, processen en vaardigheden, die ervoor zorgen dat men abstract, logisch en consistent kan redeneren, relaties kan ontdekken, problemen kan oplossen en regelmatigheden kan ontdekken in schijnbaar ongeordende informatie
Praktische intelligentie
De competentie om effectief te handelen in alledaagse, vertrouwde situaties, zoals problemen thuis of op het werk.
Sociale en emotionele intelligentie
De mate waarin een persoon succesvol kan omgaan met andere mensen in uiteenlopende situaties.
Mentale leeftijd (ML)
Een maat voor intelligentieniveau geintroduceerd door Binet en Simon, gebaseerd op de leeftijdsklasse van de taken die een kind kan volbrengen.
Intelligentiequotiënt (IQ-score) van Stern
Een maat voor intelligentie berekend met de formule IQ=CLML×100, waarbij ML staat voor mentale leeftijd en CL voor chronologische leeftijd.
Wechslertests
Een reeks intelligentietests, waaronder _ —> ontwikkeld door David Wechsler.
WAIS (voor volwassenen)
WISC (voor kinderen)
WPPSI (voor jonge kinderen)
Raven Progressive Matrices test
Een non-verbale test bestaande uit 60 opgaven waarbij men het ontbrekende deel van een figuur moet aanduiden in een reeks alternatieven. Werd bij het leger gebruikt. Het is ontworpen om abstract redeneervermogen en patroonherkenning te meten, zonder taal of culturele bias.
Normsteekproef
Een representatieve vergelijkingsgroep van leeftijdsgenoten die wordt gebruikt om de individuele prestatie op een test te kaderen.
Standaarddeviatie bij IQ-tests
De spreiding van scores rond het gemiddelde, die bij de meeste moderne tests is vastgesteld op 15.
Betrouwbaarheid
De consistentie van testscores over verschillende metingen, vaak bepaald via test-hertest, gesplitste-test of paralleltest methoden.
Bereikbeperking (range restriction)
Het fenomeen waarbij een correlatie lager uitvalt omdat de variatie in de onderzochte groep beperkt is vergeleken met de gehele populatie. Je gaat een deel van u populatie niet bevragen en daarom kan iets onderschat/overschat worden.
gaat over variantie in u scores
Factoranalyse
Een statistische techniek die de correlaties tussen testscores onderzoekt om onderliggende hypothetische vaardigheden (factoren) te ontdekken.
g-factor
Algemene intelligentie (general intelligence); volgens Spearman een centrale factor die de prestaties op alle intelligentietaken beïnvloedt.
Vloeiende intelligentie
De vaardigheid om verbanden te zien in nieuwe stimuli zonder eerdere ervaring, vaak gemeten met de Raven Progressive Matrices.
Gekristalliseerde intelligentie
De mentale vaardigheid om reeds aanwezige informatie uit het langetermijngeheugen op te roepen, zoals woordenschat.
CHC-model (intelligentie)
Het Cattell-Horn-Carroll model; een hiërarchisch model waarbij algemene intelligentie (g) bovenaan staat, gevolgd door 8 brede intelligentievormen. Het CHC-model stelt dat gekristalliseerde en vloeiende intelligentie onderling verbonden zijn, beïnvloed door algemene intelligentie (g), en dit weerspiegelt een combinatie van de theorieën van Spearman en Cattell.
8 dim:
intelligentie
vloeiend
gekristalliseerd
geheugen
KTG
LTG
infoverwerking
visueel
auditief
snelheid
verwerking
reactie
(het hiërarchisch model van intelligentie)

Bayley test
Een test die de cognitieve en taalontwikkeling bij baby's en zeer jonge kinderen meet.
Cohort-effect
De invloed van de specifieke tijd en omstandigheden waarin een groep mensen is opgegroeid op hun testresultaten.
Cognitieve reserve
De opgebouwde weerbaarheid door intellectuele uitdaging die beschermt tegen de effecten van vergeetachtigheid en dementie op latere leeftijd.
Flynneffect
De waargenomen stijging van prestaties op IQ-tests bij jongere generaties met ongeveer 3 IQ-punten per 10 jaar.
Long-term potentiation
Het proces waarbij synaptische verbindingen tussen neuronen worden versterkt als ze herhaaldelijk gelijktijdig vuren (Wet van Hebb).
Myelinisatie
Het proces waarbij axonen worden voorzien van een isolerende laag myeline (witte massa), wat de snelheid en kwaliteit van signalen in de hersenen verbetert.
vooral belangrijk bij vloeiende intelligentie
Metacognitie
De kennis over het eigen cognitieve functioneren en de processen die nodig zijn om gedrag te plannen, evalueren en controleren.
Assessment center
Een evaluatiemethode waarbij kandidaten in gesimuleerde werksituaties worden geplaatst om hun reacties onder druk te beoordelen.
praktische intelligentie
MSCEIT
De Mayer-Salovery-Caruso Emotional Intelligence Test, die emotionele intelligentie meet via het percipiëren, gebruiken, begrijpen en regelen van emoties.
Syndroom van Down (trisomie 21)
Een chromosomale afwijking waarbij een persoon drie exemplaren van het 21e chromosoom heeft in plaats van twee, leidt vaak tot verstandelijke beperkingen.
Fragile X-syndroom
Een erfelijke, geslachtschromosoomgebonden aandoening die vaak leidt tot verstandelijke beperkingen en een specifiek uiterlijk.
Convergent denken
Het denkproces gericht op het vinden van het ene juiste antwoord op een gestructureerd probleem.
Divergent denken
Een vorm van creatief denken waarbij gezocht wordt naar zo veel mogelijk verschillende antwoorden of oplossingen voor een probleem.
aangeboren potentieel vs. effectief gedrag vs. testpresentatie (visies)
aangeboren potentieel = wat iemand kan (wat je in ‘theorie’ zou kunnen)
effectief gedrag = wat iemand doet (wat je in werkelijkheid bereikt)
testpresentatie = wat iemand toont in een testsituatie
Covariantie
Een statistisch begrip dat aangeeft hoe twee variabelen samen variëren en de mate van hun onderlinge samenhang.
Correlatiecoëfficiënt
Een maat voor de sterkte en richting van de relatie tussen twee variabelen, variërend van -1 (perfecte negatieve correlatie) tot 1 (perfecte positieve correlatie).
Stanford-Binet-test
Een standaard intelligentietest ontwikkeld door Terman (+ collega’s aan Stanford), gebaseerd op de oorspronkelijke Binet-Simon-test, bedoeld om cognitieve vaardigheden te beoordelen.
Psychometrie (psychometrische benadering)
De tak van de psychologie die zich richt op de ontwikkeling en toepassing van tests en meetinstrumenten voor psychische eigenschappen, zoals intelligentie en persoonlijkheid.
Normale verdeling
Een statistische verdeling die een klokvormige curve representeert, waarbij de meeste observaties zich rond het gemiddelde concentreren en de frequentie van waarden afneemt naarmate men verder van het gemiddelde komt.
Test-hertestbetrouwbaarheid
De mate van consistentie in testresultaten wanneer dezelfde test op twee verschillende tijdstippen aan dezelfde groep wordt gegeven, met een bepaalde tijd tussen de testen.
1 test 2 keer geven met wat tijd er tussen
Gesplitste-test betrouwbaarheid
Een methode om de consistentie van een test te beoordelen door deze in twee delen te splitsen en de resultaten van beide helften te vergelijken.
test in 2 delen
Paralleltest betrouwbaarheid
De betrouwbaarheid die wordt gecontroleerd door twee versies van een test aan dezelfde groep te geven en de resultaten te vergelijken.
2 verschillende testen
Standaardisatie; objectiviteit
Het proces van het vaststellen van uniforme procedures voor het afnemen van tests, die ervoor zorgt dat de testresultaten objectief en vergelijkbaar zijn tussen verschillende deelnemers.
Begripsvaliditeit (concept)
De mate waarin een test inderdaad meet wat het beoogt te meten, oftewel de relevantie en nauwkeurigheid van de testresultaten in relatie tot het onderzochte concept.
het is validie als de test meet wat er in de theorie staat
Inhoudsvaliditeit (content)
De mate waarin de inhoud van een test representatief is voor het construct dat gemeten wordt, en of het ALLE relevante aspecten van het onderwerp omvat.
als de test heel het domein heeft bevraagd (dus alle verschillen onderdelen) dan is het valide
Congruente validiteit
De mate waarin de resultaten van een test overeenkomen met de resultaten van andere tests die hetzelfde concept meten, waardoor de betrouwbaarheid van de testresultaten wordt bevestigd.
hoog als de scores op deze test sterk correleren met de op een anderen intelligentie test (dus overeenstemmen)
is een onderdeel van inhoudsvaliditeit
Criterium validiteit
De mate waarin de testresultaten correleren met een criterium (meet vaardighied) (bijv. prestaties of gedragingen) die het construct dat gemeten wordt, weerspiegelt, en daardoor de nauwkeurigheid van de testresultaten bevestigt.
hoog als de score op de test samenhangt met een maat de de vaardigheid meet
predictieve validiteit
de mate waarin testresultaten voorspellen hoe goed een persoon zal presteren op een criterium in de toekomst.
hoog als de testsores ook effectief het toekomstig gedrag voorspellen
is een vorm van criteriumvaliditeit, waar het criterium nog niet aanwezig is op moment van testafname maar in zich in de toekomst bevind
De mate waarin een testscore in staat is om toekomstig gedrag of toekomstige prestaties, zoals schoolresultaten, te voorspellen.
Geobserveerde correlatie vs. theoretische correlatie
De mate waarin de geobserveerde scores van een test overeenkomen met de theoretisch verwachte correlaties, wat helpt bij het beoordelen van de validiteit en betrouwbaarheid van de test.
Factor
Een onderliggende hypothetische variabele die verschillende observaties of scores beïnvloedt, vaak geïdentificeerd via factoranalyse.
S-factoren
Specifieke vaardigheden of capaciteiten die bijdragen aan het functioneren in bepaalde domeinen van intelligentie, zoals verbale of numerieke vaardigheden.
Longitudinaal onderzoek vs. cross-sectioneel onderzoek
Longitudinaal onderzoek verzamelt gegevens over een lange periode bij dezelfde deelnemers, terwijl cross-sectioneel onderzoek op één tijdstip gegevens verzamelt van verschillende deelnemers. In Longitudinaal
Synaptische connecties
Verbindingen tussen neuronen in de hersenen die cruciaal zijn voor de communicatie tussen cellen en de werking van het zenuwstelsel.
Plasticiteit
Het vermogen van het brein om zich aan te passen en te veranderen als reactie op leren en ervaringen gedurende het leven.
Situationeel interview
Een beoordelingsmethode waarbij kandidaten worden beoordeeld op hun reactie op hypothetische situaties die zich kunnen voordoen in de werkomgeving.
bij praktische intelligentie
Interpersoonlijke intelligentie
Het vermogen om effectief te interageren met anderen, inclusief empathie, communicatie en sociale vaardigheden.
Intra persoonlijke intelligentie
Het vermogen om de eigen gevoelens, motivaties en verlangens te begrijpen, wat leidt tot zelfreflectie en zelfregulatie.
EQ (emotioneel quotiënt)
Een maat voor de emotionele intelligentie van een persoon, inclusief hun vermogen om emoties waar te nemen, te begrijpen en te managen.
George Washington Sociale intelligentietest
Een test die sociale intelligentie beoordeelt aan de hand van het vermogen om adequaat te reageren in sociale contexten.
Trekbenadering
Een benadering van het bestuderen van emotionele intelligentie die zich richt op stabiele persoonlijkheidskenmerken die emotionele ervaringen beïnvloeden.
Emotionele intelligentieschaal (EIS)
Een meetinstrument dat zelfgerapporteerde berichten gebruikt om de emotionele intelligentie van iemand te beoordelen.
Trait Emotional Intelligence Questionnaire (TEIQue)
Een vragenlijst die de emotionele intelligentie meet op basis van een zelfrapportage van individuen over hun emotionele ervaringen.
Geneva Emotional Competence Test (GECO)
Een evaluatie-instrument dat de mogelijkheden van een individu om emoties te herkennen, begrijpen, en effectief te beheren, meet.
Vaardigheidsgebaseerde test vs. trekgebaseerde test
Vaardigheidsgebaseerde tests focussen op het meten van daadwerkelijke prestaties, terwijl trekgebaseerde tests zich richten op de beoordeling van persoonlijke eigenschappen of attituden.
Verstandelijke beperking
Een ontwikkelingstoornis gekarakteriseerd door beperkingen in zowel intellectuele functie als adaptief gedrag, die invloed heeft op dagelijkse activiteiten.Het wordt vaak gedefinieerd als een IQ-score onder de 70 en kan leiden tot uitdagingen op het gebied van leren, communicatie en sociale interactie.
Hoogbegaafd
Een persoon die significante vaardigheden of hoge prestaties vertoont in een of meerdere gebieden, zoals academische kennis of creativiteit. Een individu met een bovengemiddeld IQ, vaak gedefinieerd als een IQ van 130 of hoger, en in staat om complexe problemen snel op te lossen.
intelligentiemodel van Spearman
Een theoretisch concept dat suggereert dat intelligentie bestaat uit een algemene factor, g, die onderliggende mentale vaardigheden, s-factoren, beïnvloedt. Spearman stelde voor dat deze algemene factor een belangrijke rol speelt in verschillende cognitieve taken.
alle intelligentietests verbonden met g-factor
vaak dan nog met een specifieke s-factor
als 2 test door dezelfde s-factor worden beïnvloed dan = meer correlatie vertonen in hun scores.

model van Cattell (intelligentie)
Een theoretisch model dat onderscheid maakt tussen 2 algemene intelligentievormen: vloeiende intelligentie (informatie verwerken en probleemoplossing) en gekristalliseerde intelligentie (gekregen kennis en vaardigheden). Het model van Cattell benadrukt het belang van beide vormen van intelligentie in het functioneren en leren van individuen.
2 tests die beiden sterk beroep doen op vloeiende intelligentie zullen meer met elkaar correleren dat 2 tests die beroep doen op verschillende intelligentievorm

intelligentiemodel van Spearman toegepast op de WISC-V
Voordeel: niet langer grote correlatie tussen algemene en vloeiende intelligentie

CHC-model toegepast op de WISC-V
probleem: hoge correlatie tussen ruimtelijke redeneren en fluïde redeneren + ook hoge correlatie tussen fluïde redeneren en algemene intelligentie
argument om geen onderscheid te maken tussen algemene intelligentie en vloeiende intelligentie
