psychologie Hoofdstuk 11: Intelligentie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/65

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

psychologie Ugent pedagogische wetenschappen 1ste jaar Ba OF algemene psychologie Ugent psychologie 1ste jaar BA

Last updated 12:30 PM on 8/19/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

66 Terms

1
New cards

Analytische intelligentie

Een vorm van intelligentie die betrekking heeft op abstract redeneren en de vaardigheid om met nieuwe situaties om te gaan, essentieel voor schoolprestaties.

  • = conglomeraat (verzameling) van verstandelijke vermogens, processen en vaardigheden, die ervoor zorgen dat men abstract, logisch en consistent kan redeneren, relaties kan ontdekken, problemen kan oplossen en regelmatigheden kan ontdekken in schijnbaar ongeordende informatie


2
New cards

Praktische intelligentie

De competentie om effectief te handelen in alledaagse, vertrouwde situaties, zoals problemen thuis of op het werk.

3
New cards

Sociale en emotionele intelligentie

De mate waarin een persoon succesvol kan omgaan met andere mensen in uiteenlopende situaties.

4
New cards

Mentale leeftijd (ML)

Een maat voor intelligentieniveau geintroduceerd door Binet en Simon, gebaseerd op de leeftijdsklasse van de taken die een kind kan volbrengen.

5
New cards

Intelligentiequotiënt (IQ-score) van Stern

Een maat voor intelligentie berekend met de formule IQ=MLCL×100IQ = \frac{ML}{CL} \times 100, waarbij ML staat voor mentale leeftijd en CL voor chronologische leeftijd.

6
New cards

Wechslertests

Een reeks intelligentietests, waaronder _ —> ontwikkeld door David Wechsler.

  • WAIS (voor volwassenen)

  • WISC (voor kinderen)

  • WPPSI (voor jonge kinderen)


7
New cards

Raven Progressive Matrices test

Een non-verbale test bestaande uit 60 opgaven waarbij men het ontbrekende deel van een figuur moet aanduiden in een reeks alternatieven. Werd bij het leger gebruikt. Het is ontworpen om abstract redeneervermogen en patroonherkenning te meten, zonder taal of culturele bias.

8
New cards

Normsteekproef

Een representatieve vergelijkingsgroep van leeftijdsgenoten die wordt gebruikt om de individuele prestatie op een test te kaderen.

9
New cards

Standaarddeviatie bij IQ-tests

De spreiding van scores rond het gemiddelde, die bij de meeste moderne tests is vastgesteld op 1515.

10
New cards

Betrouwbaarheid

De consistentie van testscores over verschillende metingen, vaak bepaald via test-hertest, gesplitste-test of paralleltest methoden.

11
New cards

Bereikbeperking (range restriction)

Het fenomeen waarbij een correlatie lager uitvalt omdat de variatie in de onderzochte groep beperkt is vergeleken met de gehele populatie. Je gaat een deel van u populatie niet bevragen en daarom kan iets onderschat/overschat worden.

  • gaat over variantie in u scores


12
New cards

Factoranalyse

Een statistische techniek die de correlaties tussen testscores onderzoekt om onderliggende hypothetische vaardigheden (factoren) te ontdekken.

13
New cards

g-factor

Algemene intelligentie (general intelligence); volgens Spearman een centrale factor die de prestaties op alle intelligentietaken beïnvloedt.

14
New cards

Vloeiende intelligentie

De vaardigheid om verbanden te zien in nieuwe stimuli zonder eerdere ervaring, vaak gemeten met de Raven Progressive Matrices.

15
New cards

Gekristalliseerde intelligentie

De mentale vaardigheid om reeds aanwezige informatie uit het langetermijngeheugen op te roepen, zoals woordenschat.

16
New cards

CHC-model (intelligentie)

Het Cattell-Horn-Carroll model; een hiërarchisch model waarbij algemene intelligentie (g) bovenaan staat, gevolgd door 8 brede intelligentievormen. Het CHC-model stelt dat gekristalliseerde en vloeiende intelligentie onderling verbonden zijn, beïnvloed door algemene intelligentie (g), en dit weerspiegelt een combinatie van de theorieën van Spearman en Cattell.

  • 8 dim:

    • intelligentie

      • vloeiend

      • gekristalliseerd

    • geheugen

      • KTG

      • LTG

    • infoverwerking

      • visueel

      • auditief

    • snelheid

      • verwerking

      • reactie

  • (het hiërarchisch model van intelligentie)


<p>Het Cattell-Horn-Carroll model; een hiërarchisch model waarbij algemene intelligentie (g) bovenaan staat, gevolgd door 8 brede intelligentievormen. Het CHC-model stelt dat gekristalliseerde en vloeiende intelligentie onderling verbonden zijn, beïnvloed door algemene intelligentie (g), en dit weerspiegelt een combinatie van de theorieën van <span style="color: green;">Spearman </span>en <span style="color: green;">Cattell.</span></p><ul><li><p>8 dim: </p><ul><li><p>intelligentie </p><ul><li><p>vloeiend </p></li><li><p>gekristalliseerd </p></li></ul></li><li><p>geheugen </p><ul><li><p>KTG</p></li><li><p>LTG</p></li></ul></li><li><p>infoverwerking </p><ul><li><p>visueel </p></li><li><p>auditief </p></li></ul></li><li><p>snelheid</p><ul><li><p>verwerking </p></li><li><p>reactie </p></li></ul></li></ul></li><li><p>(het hiërarchisch model van intelligentie) </p></li></ul><p></p>
17
New cards

Bayley test

Een test die de cognitieve en taalontwikkeling bij baby's en zeer jonge kinderen meet.

18
New cards

Cohort-effect

De invloed van de specifieke tijd en omstandigheden waarin een groep mensen is opgegroeid op hun testresultaten.

19
New cards

Cognitieve reserve

De opgebouwde weerbaarheid door intellectuele uitdaging die beschermt tegen de effecten van vergeetachtigheid en dementie op latere leeftijd.

20
New cards

Flynneffect

De waargenomen stijging van prestaties op IQ-tests bij jongere generaties met ongeveer 33 IQ-punten per 1010 jaar.

21
New cards

Long-term potentiation

Het proces waarbij synaptische verbindingen tussen neuronen worden versterkt als ze herhaaldelijk gelijktijdig vuren (Wet van Hebb).

22
New cards

Myelinisatie

Het proces waarbij axonen worden voorzien van een isolerende laag myeline (witte massa), wat de snelheid en kwaliteit van signalen in de hersenen verbetert.

  • vooral belangrijk bij vloeiende intelligentie


23
New cards

Metacognitie

De kennis over het eigen cognitieve functioneren en de processen die nodig zijn om gedrag te plannen, evalueren en controleren.

24
New cards

Assessment center

Een evaluatiemethode waarbij kandidaten in gesimuleerde werksituaties worden geplaatst om hun reacties onder druk te beoordelen.

  • praktische intelligentie


25
New cards

MSCEIT

De Mayer-Salovery-Caruso Emotional Intelligence Test, die emotionele intelligentie meet via het percipiëren, gebruiken, begrijpen en regelen van emoties.

26
New cards

Syndroom van Down (trisomie 21)

Een chromosomale afwijking waarbij een persoon drie exemplaren van het 21e chromosoom heeft in plaats van twee, leidt vaak tot verstandelijke beperkingen.

27
New cards

Fragile X-syndroom

Een erfelijke, geslachtschromosoomgebonden aandoening die vaak leidt tot verstandelijke beperkingen en een specifiek uiterlijk.

28
New cards

Convergent denken

Het denkproces gericht op het vinden van het ene juiste antwoord op een gestructureerd probleem.

29
New cards

Divergent denken

Een vorm van creatief denken waarbij gezocht wordt naar zo veel mogelijk verschillende antwoorden of oplossingen voor een probleem.

30
New cards

aangeboren potentieel vs. effectief gedrag vs. testpresentatie (visies)

  • aangeboren potentieel = wat iemand kan (wat je in ‘theorie’ zou kunnen)

  • effectief gedrag = wat iemand doet (wat je in werkelijkheid bereikt)

  • testpresentatie = wat iemand toont in een testsituatie


31
New cards

Covariantie

Een statistisch begrip dat aangeeft hoe twee variabelen samen variëren en de mate van hun onderlinge samenhang.

32
New cards

Correlatiecoëfficiënt

Een maat voor de sterkte en richting van de relatie tussen twee variabelen, variërend van -1 (perfecte negatieve correlatie) tot 1 (perfecte positieve correlatie).

33
New cards

Stanford-Binet-test

Een standaard intelligentietest ontwikkeld door Terman (+ collega’s aan Stanford), gebaseerd op de oorspronkelijke Binet-Simon-test, bedoeld om cognitieve vaardigheden te beoordelen.

34
New cards

Psychometrie (psychometrische benadering)

De tak van de psychologie die zich richt op de ontwikkeling en toepassing van tests en meetinstrumenten voor psychische eigenschappen, zoals intelligentie en persoonlijkheid.

35
New cards

Normale verdeling

Een statistische verdeling die een klokvormige curve representeert, waarbij de meeste observaties zich rond het gemiddelde concentreren en de frequentie van waarden afneemt naarmate men verder van het gemiddelde komt.

36
New cards

Test-hertestbetrouwbaarheid

De mate van consistentie in testresultaten wanneer dezelfde test op twee verschillende tijdstippen aan dezelfde groep wordt gegeven, met een bepaalde tijd tussen de testen.

  • 1 test 2 keer geven met wat tijd er tussen


37
New cards

Gesplitste-test betrouwbaarheid

Een methode om de consistentie van een test te beoordelen door deze in twee delen te splitsen en de resultaten van beide helften te vergelijken.

  • test in 2 delen


38
New cards

Paralleltest betrouwbaarheid

De betrouwbaarheid die wordt gecontroleerd door twee versies van een test aan dezelfde groep te geven en de resultaten te vergelijken.

  • 2 verschillende testen


39
New cards

Standaardisatie; objectiviteit

Het proces van het vaststellen van uniforme procedures voor het afnemen van tests, die ervoor zorgt dat de testresultaten objectief en vergelijkbaar zijn tussen verschillende deelnemers.

40
New cards

Begripsvaliditeit (concept)

De mate waarin een test inderdaad meet wat het beoogt te meten, oftewel de relevantie en nauwkeurigheid van de testresultaten in relatie tot het onderzochte concept.

  • het is validie als de test meet wat er in de theorie staat


41
New cards

Inhoudsvaliditeit (content)

De mate waarin de inhoud van een test representatief is voor het construct dat gemeten wordt, en of het ALLE relevante aspecten van het onderwerp omvat.

  • als de test heel het domein heeft bevraagd (dus alle verschillen onderdelen) dan is het valide


42
New cards

Congruente validiteit

De mate waarin de resultaten van een test overeenkomen met de resultaten van andere tests die hetzelfde concept meten, waardoor de betrouwbaarheid van de testresultaten wordt bevestigd.

  • hoog als de scores op deze test sterk  correleren met de op een anderen intelligentie test (dus overeenstemmen)

  • is een onderdeel van inhoudsvaliditeit


43
New cards

Criterium validiteit

De mate waarin de testresultaten correleren met een criterium (meet vaardighied) (bijv. prestaties of gedragingen) die het construct dat gemeten wordt, weerspiegelt, en daardoor de nauwkeurigheid van de testresultaten bevestigt.

  • hoog als de score op de test samenhangt met een maat de de vaardigheid meet


44
New cards

predictieve validiteit

de mate waarin testresultaten voorspellen hoe goed een persoon zal presteren op een criterium in de toekomst.

  • hoog als de testsores ook effectief het toekomstig gedrag voorspellen

  • is een vorm van criteriumvaliditeit, waar het criterium nog niet aanwezig is op moment van testafname maar in zich in de toekomst bevind

  • De mate waarin een testscore in staat is om toekomstig gedrag of toekomstige prestaties, zoals schoolresultaten, te voorspellen.


45
New cards

Geobserveerde correlatie vs. theoretische correlatie

De mate waarin de geobserveerde scores van een test overeenkomen met de theoretisch verwachte correlaties, wat helpt bij het beoordelen van de validiteit en betrouwbaarheid van de test.

46
New cards

Factor

Een onderliggende hypothetische variabele die verschillende observaties of scores beïnvloedt, vaak geïdentificeerd via factoranalyse.

47
New cards

S-factoren

Specifieke vaardigheden of capaciteiten die bijdragen aan het functioneren in bepaalde domeinen van intelligentie, zoals verbale of numerieke vaardigheden.

48
New cards

Longitudinaal onderzoek vs. cross-sectioneel onderzoek

Longitudinaal onderzoek verzamelt gegevens over een lange periode bij dezelfde deelnemers, terwijl cross-sectioneel onderzoek op één tijdstip gegevens verzamelt van verschillende deelnemers. In Longitudinaal

49
New cards

Synaptische connecties

Verbindingen tussen neuronen in de hersenen die cruciaal zijn voor de communicatie tussen cellen en de werking van het zenuwstelsel.

50
New cards

Plasticiteit

Het vermogen van het brein om zich aan te passen en te veranderen als reactie op leren en ervaringen gedurende het leven.

51
New cards

Situationeel interview

Een beoordelingsmethode waarbij kandidaten worden beoordeeld op hun reactie op hypothetische situaties die zich kunnen voordoen in de werkomgeving.

  • bij praktische intelligentie


52
New cards

Interpersoonlijke intelligentie

Het vermogen om effectief te interageren met anderen, inclusief empathie, communicatie en sociale vaardigheden.

53
New cards

Intra persoonlijke intelligentie

Het vermogen om de eigen gevoelens, motivaties en verlangens te begrijpen, wat leidt tot zelfreflectie en zelfregulatie.

54
New cards

EQ (emotioneel quotiënt)

Een maat voor de emotionele intelligentie van een persoon, inclusief hun vermogen om emoties waar te nemen, te begrijpen en te managen.

55
New cards

George Washington Sociale intelligentietest

Een test die sociale intelligentie beoordeelt aan de hand van het vermogen om adequaat te reageren in sociale contexten.

56
New cards

Trekbenadering

Een benadering van het bestuderen van emotionele intelligentie die zich richt op stabiele persoonlijkheidskenmerken die emotionele ervaringen beïnvloeden.

57
New cards

Emotionele intelligentieschaal (EIS)

Een meetinstrument dat zelfgerapporteerde berichten gebruikt om de emotionele intelligentie van iemand te beoordelen.

58
New cards

Trait Emotional Intelligence Questionnaire (TEIQue)

Een vragenlijst die de emotionele intelligentie meet op basis van een zelfrapportage van individuen over hun emotionele ervaringen.

59
New cards

Geneva Emotional Competence Test (GECO)

Een evaluatie-instrument dat de mogelijkheden van een individu om emoties te herkennen, begrijpen, en effectief te beheren, meet.

60
New cards

Vaardigheidsgebaseerde test vs. trekgebaseerde test

Vaardigheidsgebaseerde tests focussen op het meten van daadwerkelijke prestaties, terwijl trekgebaseerde tests zich richten op de beoordeling van persoonlijke eigenschappen of attituden.

61
New cards

Verstandelijke beperking

Een ontwikkelingstoornis gekarakteriseerd door beperkingen in zowel intellectuele functie als adaptief gedrag, die invloed heeft op dagelijkse activiteiten.Het wordt vaak gedefinieerd als een IQ-score onder de 70 en kan leiden tot uitdagingen op het gebied van leren, communicatie en sociale interactie.

62
New cards

Hoogbegaafd

Een persoon die significante vaardigheden of hoge prestaties vertoont in een of meerdere gebieden, zoals academische kennis of creativiteit. Een individu met een bovengemiddeld IQ, vaak gedefinieerd als een IQ van 130 of hoger, en in staat om complexe problemen snel op te lossen.

63
New cards

intelligentiemodel van Spearman

Een theoretisch concept dat suggereert dat intelligentie bestaat uit een algemene factor, g, die onderliggende mentale vaardigheden, s-factoren, beïnvloedt. Spearman stelde voor dat deze algemene factor een belangrijke rol speelt in verschillende cognitieve taken.

  • alle intelligentietests verbonden met g-factor

    • vaak dan nog met een specifieke s-factor

      • als 2 test door dezelfde s-factor worden beïnvloed dan = meer correlatie vertonen in hun scores.


<p>Een theoretisch concept dat suggereert dat intelligentie bestaat uit een algemene factor, g, die onderliggende mentale vaardigheden, s-factoren, beïnvloedt. <span style="color: green;">Spearman </span>stelde voor dat deze algemene factor een belangrijke rol speelt in verschillende cognitieve taken. </p><ul><li><p>alle intelligentietests verbonden met g-factor </p><ul><li><p>vaak dan nog met een specifieke s-factor </p><ul><li><p>als 2 test door dezelfde s-factor worden beïnvloed dan = meer correlatie vertonen in hun scores. </p></li></ul></li></ul></li></ul><p></p>
64
New cards

model van Cattell (intelligentie)

Een theoretisch model dat onderscheid maakt tussen 2 algemene intelligentievormen: vloeiende intelligentie (informatie verwerken en probleemoplossing) en gekristalliseerde intelligentie (gekregen kennis en vaardigheden). Het model van Cattell benadrukt het belang van beide vormen van intelligentie in het functioneren en leren van individuen.

  • 2 tests die beiden sterk beroep doen op vloeiende intelligentie zullen meer met elkaar correleren dat 2 tests die beroep doen op verschillende intelligentievorm


<p>Een theoretisch model dat onderscheid maakt tussen 2 algemene intelligentievormen: vloeiende intelligentie (informatie verwerken en probleemoplossing) en gekristalliseerde intelligentie (gekregen kennis en vaardigheden). Het model van Cattell benadrukt het belang van beide vormen van intelligentie in het functioneren en leren van individuen. </p><ul><li><p>2 tests die beiden sterk beroep doen op vloeiende intelligentie zullen meer met elkaar correleren dat 2 tests die beroep doen op verschillende intelligentievorm</p></li></ul><p></p>
65
New cards

intelligentiemodel van Spearman toegepast op de WISC-V

Voordeel: niet langer grote correlatie tussen algemene en vloeiende intelligentie

<p><span style="color: rgb(98, 236, 128);">Voordeel</span>: niet langer grote correlatie tussen algemene en vloeiende intelligentie</p>
66
New cards

CHC-model toegepast op de WISC-V

probleem: hoge correlatie tussen ruimtelijke redeneren en fluïde redeneren + ook hoge correlatie tussen fluïde redeneren en algemene intelligentie

  • argument om geen onderscheid te maken tussen algemene intelligentie en vloeiende intelligentie


<p><span style="color: red;">probleem</span>: hoge correlatie tussen ruimtelijke redeneren en fluïde redeneren + ook hoge correlatie tussen fluïde redeneren en algemene intelligentie</p><ul><li><p>argument om geen onderscheid te maken tussen algemene intelligentie en vloeiende intelligentie</p></li></ul><p></p>