1/132
Deze flashcards dekken de belangrijkste termen en definities uit de cursus sociolinguïstiek, inclusief sociologische groepen, taalvariatie en taalkundige theorieën van Labov, Tajfel en Hudson.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Taal als taalvermogen
Verwijst naar taal als een abstract, soortgebonden, universeel en tijdloos vermogen (cf. Levinson en de interaction engine).
Taal als “een” taal
Een specifieke taal die geleerd moet worden, historisch gegroeid is, contextgebonden en sprekerspecifiek met verschillende gradaties.
Dialectale kenmerken
Fungeren als een akoestische sonar en een "levende identiteitskaart" waarmee men instinctief peilt wie tot de omgeving behoort.
Sociale constructies
We leren v elkaar hoe we andere taalvariëteiten moeten evalueren
Populatieniveau
Taal deelt ons op in populaties, definieert groepen en heeft duidelijke kenmerken
Balans bevolking – taal
7099 “talen”, 7.8 miljard mensen en 194 officieel erkende landen → evenredig vb. Oceanië minste mensen, maar wel 1313 talen!
Oostkantons
Eupen, Malmedy, Waimers, Bütgenbach, Amel, St. Vith, Burg-Reuland, Raeren, Lontzen, Kelmis (77.000 inwoners)
Peer-group
Levert een schat van informatie op over wie je bent op basis van voorkeuren, afkeuren, levenstraject en keuzes
Social glue
Taal houdt groepen bijeen, schrijft codes en toelatingsvoorwaarden voor en begeleidt het proces vb. omèrta bij maffia of bargoens
Primaire socialisatie
Het eerste sociaal netwerk waarin individuen zich via taal met anderen associëren, meestal binnen het thuisdomein.
Secundaire socialisatie
Het socialisatieproces binnen netwerken die buiten het thuisdomein liggen.
Taal als identiteit
Verklaart de populatie-taal verschillen cf. Hanschrift
Macroperspectief
Een top-down benadering waarbij taal wordt bekeken in haar sociale context op het geaggregeerde niveau van de groep (extern).
Taal X interactie
Taalgebruik kleurt sociale interacties, maar sociale interacties kleuren ook taalgebruik
Culturele perspectief
Tussenniveau tussen evolutionaire en existentiële perspectief
Cultuur (Hogg & Vaughan)
“culture is a set of beliefs, values, roles, symbols and rituals that is shared by a self-identified group. Cultures are perpetuated when they are passed from gen to gen, yet they continually change…”
Een set van overtuigingen, waarden, rollen, symbolen en rituelen die gedeeld worden door een zelf-geïdentificeerde groep en van generatie op generatie worden doorgegeven.
Cultuur als oplossing
Cultuur is een lokale oplossing voor een globaal probleem, en die oplossingen kunnen sterk verschillen van elkaar
Taal als oplossing
Taal is een lokale oplossing voor globaal streven naar communicatie
Culturele adaptatie
Gebeurt veel sneller dan fysieke adaptatie
Taal x cultuur
Taal is zowel een onderdeel van als het middel waarmee we cultuur realiseren cf. Richerson & Boyd
Cryptotalie
Geheimspraak, zoals Kongish, die wordt gebruikt om te vermijden dat boodschappen door buitenstaanders worden gelezen en om de eigen identiteit te versterken.
Sociale groep (2.2.2)
Groep die een sociale betekenis heeft (groep van mensen die allemaal rood haar hebben = aggregates/verzameling)
Sociale groep (Johnson & Johnson)
“two or more individuals in face-to-face interaction, each aware of his or her membership, of the others, and of their positive interdependence as they strive to achieve mutual goals” + “a group exists when 2+ people define themselves as members of it and when its existence is recognised by at least one other group”
Twee of meer individuen in face-to-face interactie die zich bewust zijn van hun lidmaatschap en positieve onderlinge afhankelijkheid bij het streven naar gemeenschappelijke doelen.
In-group favouritism
De voorkeur voor leden van de eigen groep en de bijbehorende afkeer van anderen buiten de groep.
Out-group homogeneity
De perceptie dat leden van andere groepen (niet-leden) collectief hetzelfde of anders zijn.
Common bound groep
Functioneert obv banden en verwantschappen tussen de leden. individuen hebben typische functies bv. familieclans
Common identity groep
Functioneert obv de band die de leden hebben tov de groep. individuen zijn ondergeschikt. de functies zijn minder intrinsiek. De groep kan ontbonden worden als het ontstaansrecht niet langer nodig is.
Entitativiteit
De mate van homogeniteit en interne cohesie van een sociale groep, waardoor deze zich onderscheidt van andere groepen. Hoe hoger, hoe duidelijker je eigen identiteit ( = interne cohesie)
Ingrediënten die entitativiteit versterken
1) Gedeelde sociale normen 2) gedeelde rollen 3) gedeelde status
Sociale normen
We zijn erg gevoelig voor de goedkeuring/afkeuring van anderen
Sociale normen (Sutton & Douglas)
“they are the formal or informal rules unique to specific groups which are adopted to regulate its members’s behaviours”
Formele of informele regels die uniek zijn voor specifieke groepen en bedoeld zijn om het gedrag van leden te reguleren.
Rollen
Worden duidelijker in groepen met hogere entitativiteit
Status
Niet elk lid staat op dezelfde hiërarchische hoogte
interactie
Interpersoonlijk (op individueel vlak), inter-groep (als vertegenwoordiger van groep) of intra-groep (leden van groep)
Causale attributietheorie
De manier waarop we gedrag evalueren: positief gedrag van de in-group wordt toegeschreven aan persoonskenmerken, terwijl dat van de out-group aan de situatie wordt toegeschreven.

Imposter effect
Iemand die ergens duidelijk niet thuis hoort
Underdog positie
Iemand die zichzelf extra hard moet bewijzen
Stereotype threat
Iemand die negatieve stereotypes niet wil bevestigen, maar het uiteindelijk toch doet door stress
Acting white
Iemand uit een outgroup die positief opvalt, wilt mss teveel doen alsof hij deel is van de ingroup, achterban vertrouwt de persoon misschien niet meer.
Social identity theory (Tajfel & Turner)
Henri Tajfel en J. Turner: “persoonlijke identiteit is samengesteld uit individuele identiteit, maar ook onderhandeld via socialisatieprocessen met verschillende referentiegroepen in een collectieve identiteit”
+ “een groep is een verzameling mensen die zichzelf als leden v een afgebakende sociale categorie beschouwen, eenzelfde emotionele betrokkenheid voelen bij hun omschrijving v zichzelf en die daarnaast een zekere mate v consensus hebben over de evaluatie v hun groep”
+belang van categorisatie,identificatie en vergelijking!!!
Identiteit
Open constructie die mensen ook kunnen inzetten als onderhandelende oplossing in interactie met anderen.
Individuele identificatie
Continuïteit stoelt op de manier waarop je je vereenzelvigt met eerdere stadia of versies van jezelf en de manier waarop je referentiegroep die identificatie ook aanvaardt, gepaard met heel wat stabiele kenmerken
Saliency
Tajfel: bepaalde identiteiten vallen meer/minder op in andere omstandigheden; we kunnen ook kiezen om bepaalde persoonlijke kenmerken of net groepskenmerken op de voorgrond te plaatsen.
Talige identiteit
Waar identiteit onder druk staat, kan taal een belangrijke factor spelen vb. Catalonië in Spanje, Oekraïne, Nederlands in Vlaanderen…
Linguistic intergroup bias
De neiging om positieve in-group en negatieve out-group kenmerken abstract te beschrijven, terwijl negatieve in-group en positieve out-group kenmerken concreet worden benoemd. Zij is een uitzondering.
Speech community volgens Wardaugh
“some kind of social group whose speech characteristics are of interest and can be described in a coherent manner” (problematisch: homogeniteit onmogelijk houdbaar als empirisch concept).
Speech community (William Labov)
“not defined by any marked agreement in the use of language elements so much as by participation in a set of shared norms”.
Problematiek van sprekersgemeenschappen
Gelijkstellen met een land? Gelijkstellen met moedertaalsprekers? Alle variëteiten van een taal gelijkstellen?
Sprekersgemeenschappen: oplossing
Interne cohesie (gedeelde normen en waarden) + differentiatie (verschil met andere sprekersgemeenschappen).
Nederlandse taalgemeenschap
Omvat Vlaanderen, Nederland, Aruba, Curaçao, Suriname… =/= unanieme sprekersgemeenschap!
Speech community volgens Gumperz
“any human aggregate characterised by regular and frequent interaction by means of a shared body of verbal signs and set off from similar aggregates by significant differences in language usage”
Speech community volgens Hymes
“a social rather than a linguistic entity. One starts with a social group and considers the entire organisation of linguistic means within it”
Lower East Side
Beperkte geografische unit, historische plaats van migratie, complexe taalsituatie.
Post-factum notie
Een speech community moet eerst worden onderzocht, om daarna vast te stellen wie er deel van uitmaakt (= researcher-category) → werkt enkel in kleine, goed afgebakende gebieden met relatief homogene stabiele groep van sprekers
Problematiek van top-down aanpak
In stedelijke gebieden:
- In stedelijke gebieden: geen homogeniteit
- Afbakenen van gebieden is geen optie meer
- Vaak geen shared norm meer in alle gebruikscontexten
- Voorziet geen analyse van interactie tussen sprekers.
Pijnpunten van speech community volgens Mary Bucholtz
- Het vertrekt vanuit een taal en niet vanuit sociologie
- Het verwijst naar een ideale consensus rond “de” taalnorm
- Het is niet makkelijk observeerbaar (te theoretisch)
- Het is een researcher-categorie en geen gebruikers-categorie
Community of Practice (CoP) volgens Eckert en McConnell - Ginet
“aggregate of people who come together about mutual engagements in some common endeavor… practices emerge in the course of their joint activity around this mutual endeavor” + shared repertoire
Een groep mensen die samenkomen rond een gezamenlijke onderneming (mutual engagement) en waarbij praktijken en een gedeeld repertoire ontstaan.
Standaardtaal
De formele, vastgelegde norm, vb. ABN/AN
Moedertaal
Taal van primaire socialisatie
Casus Aruba
Officieel deel van het Koninkrijk der Nederlanden, maar Nederlands is de facto vreemd voor 80% (meesten spreken Papiamento), standaardtaal ligt dus meestal ver van de moedertaal → problemen op school.
Bottom-up approach
Empirische noodzaak voor de complexe grootstedelijke problematiek van superdiversiteit en super-identiteit.
Nog meer kritiek op speech community
- Is een interne taalkundige variabele
- Is meestal erg lokaal en beperkt
- Is statisch(taalkundig zonder meerwaarde)
Sociale klasse
Manier om groepen te conceptualiseren, ondertussen ook problematisch —> moeilijk om uniform onderscheid te maken + taalkundig probleem.
Legitimate peripheral participation
Het concept waarbij fouten van nieuwkomers in een groep minder zwaar worden aangerekend dan die van ervaren leden.
Voordelen CoP
- Omvat ook niet-talige handelingen (taal niet centraal)
- Blijft erg concreet, authentiek en lokaal
- Is open en flexibel tov het individu
- Leden kunnen hun eigen CoP vaststellen en benoemen
- Micro linguïstisch niveau: participant category!
- Mutual engagement niet noodzakelijk harmonisch
Social Network (Milroy)
“simply the sum of relationships which one has contracted with others”
De som van alle relaties die een individu is aangegaan met anderen.
Slice of life
SN is een idiosyncratische manier om frequentie en densiteit van je SN in kaart te brengen. kenmerken kunnen zich snel en horizontaal verspreiden —> ook participant-gebaseerde categorie + erg lokaal en gericht.
Secondary agents
Secundaire socialisatieprocessen kunnen concreet in kaart w gebracht
Status in SN
Core, secondary & peripheral network members.
Reciprociteit
Zien beide participanten elkaar ook als gelijk qua status?
Contactfrequentie
Varieert van hoog naar laag, onafhankelijk van status
Aard van relaties
Complex/meervoudig (multiplex ties) of enkelvoudig (1 band/rol).
Multiplex ties
Complexe of meervoudige banden binnen een sociaal netwerk waarbij personen meer dan één rol oor elkaar vervullen.
Sociogram
Visualisatie van netwerk, handig om peer pressure in kaart te brengen.
Network Strength Scale
Een maatstaf voor de emotionele verbondenheid en hechtheid binnen een netwerk, nuttig voor het in kaart brengen van taalverandering.
Leaders/brokers
Geen deel v core members, maar genieten prestige en kunnen nieuwe trends verspreiden (hoe hechter het netwerk, hoe minder vernieuwing!!!)
Vb. Piémont: snelle taalverandering in stad, trage verandering in dorpen.
Vb. Clonard vrouwen als early adopters (werkt in groot warenhuis)
Social Network Analysis
Kan interne dynamiek in kaart brengen (conservatisme vs innovatie) + verklaart ook vraagstuk van sociale mobiliteit: vooral in middenklasse want veel losser sociaal netwerk met perifere leden <-> lage en hoge klassen.
Vb. onderzoek Milroy in Belfast: Ballymacarrett, Clonard en The Hammer → The Hammer: lossere netwerken <-> Ballym: typische Ierse tongval
Social network theory
Empirische interpersoonlijke interacties waarvan de frequentie kan w gemeten → specifieke taalgebruik > abstracte sociologische indicatoren! zichtbare participatie en normering cf. Clonard vrouwen
Sociologische groepen
Sociolect
Een taalvariëteit waarmee een in-group zich onderscheidt door gebruik te maken van een specifieke we-code.
Domein (Joshua Fishman)
Theorie van Joshua Fishman, concreter tov CoP: meer criteria
1) De locatie: fysieke plaats heeft invloed op communicatie
2) De participanten: sociale rollen binnen domein
3) De topic: waarover: bepaalde thema’s keren terug
4) De functie: functie van communicatie (formaliteit)
—> zoomt in op communicatieve interacties die wel deel uitmaken van een bredere CoP, maar waarbij specifieke rollen toch een eigen communicatief doel hebben en daarom niet noodzakelijk met iedereen van die CoP interageren
Sociolinguïstiek
Een subdiscipline van de taalkunde die de sociale contextualisering en sociale dimensies van taal onderzoekt.
De situatie
Concrete communicatieve situatie binnen domein en CoP
Waarom sociolinguïstiek
Een taal groepeert ons en die sociale groepsidentiteit geeft ons een talige identiteit.
Wat is sociolinguïstiek
Subdiscipline binnen de taalkunde waarbij de sociale contextualisering en dimensies van taal voorop staan.
Un fait social (de Saussure)
Het idee dat taal wordt aangeleerd via de omgeving en meer is dan toevallige interactie.
Talige socialisatie
Gebeurt in een concrete talige context, waarin die taal wordt gesproken
Taal als inherent variabel
We socialiseren allemaal in verschillende contexten.
“een taal”
Een systeem dat zich historisch heeft ontwikkeld in een specifieke talige gemeenschap, en een relatief gesloten set v tekens gebruikt door geluiden/betekenissen op arbitraire en conventionele manier aan elkaar te koppelen en waarmee mensen doelbewust communiceren of interageren
Standaard Italiaans
Ontwikkeling gebeurde op basis van het culturele overwicht van het Florentijnse dialect (Toscane had economisch, politiek, cultureel en religieus belang) → bleek succesvol door grote schrijvers (D, B, P).
Axioma’s van taal
1. Taal is sociaal: altijd context aanwezig
2. Taal is dialoog: constante co-creatie tussen sprekers
3. Taal is inherent variabel: de norm is slechts een afspraak
4. Taal is ideologie: overtuigingen
Ontstaan van SL
Jaren 1960; daarvoor echter al aandacht naar locatie en externe factoren; eerste publicaties: Haver C. Currie (“officieel ontstaan” in context van structuralisme, maar aandacht voor externe verklaringen; gesproken taal is
OOK gebonden aan sociale status), Eugene Nida en T.C. Hodson
SL en Chomsky
Beweert dat sprekers een interne kennis hebben van de taal van hun homogene sprekersgemeenschap; performance/specifieke uitingen zijn oninteressant want taal functioneert als werking van het menselijke brein
en niet zozeer als venster op een concrete leefwereld.
André Martinet
Schreef een manifest als reactie tegen de interne stelling en homogeniteit; hij schreef dit als voorwoord bij een boek van Uriel Weinreich
—> elke spreker vertoont minieme verschillen; is taal dan niet gewoon
inherent variabel of spreekt iedereen verschillende talen?
Einar Haugen
Behandelt tweetaligheid en taalverschuiving.
SL als institutioneel gegeven
1964: Seminar on sociolinguistics aan Indiana University door de Linguistic Society of America (LSA), beschreven door Thomas Sebeok (“papers on social theory and linguistics, on types of multilingual societies, and on the process of language standardization”) → bracht taalkundigen zoals Charles Ferguson en sociologen zoals Joshua Fishman samen, maar nog steeds grote fundamentele kloof!.
De beginjaren
Sociolinguïstisch onderzoek blijft een taalkundige discipline, waarbij sociologische concepten zeker van pas komen, maar telkens vanuit een specifieke taalkundige vraagstelling of problematiek.
Dialectgeografie
Hoe plaats taalgebruik bepaalt <-> SL: hoe spreken mensen, en welke factoren bepalen hun taalgebruik = intra-spreker microniveau
Socialisatiegolven
Talige periodes die ons lidmaatschap bestendigen of versterken
Yugoslavië
Servo-Kroatisch met deelrepublieken en taalvariëteiten tot 1992
- Bosnië en Herzegovina = Bosnisch
- Kroatië = Kroatisch
- Kosovo = Albaness
- Montenegro = Montenegrijns
- Macedonië = Macedonisch
- Servië = Servisch
- Slovenië = Sloveens