1/73
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
S-SKS
structurele spraakklankstoornis
A-SKS
SKS samengaand met auditieve problemen
Fonologische SKS bestaat uit…
vertraagde fonologische ontwikkeling VFO
Atypische fonologische stoornis AFS
Inconsistente fonologische stoornis FS
Neurogene SKS
spraakontwikkelingsyspraxie SOD
Dysartrische SKS
welke soorten van SKS heb je allemaal
Fonologische SKS
Neurogene SKS
Structurele SKS
Enkelvoudige SKS
SKS samengaand met auditieve problemen A-SKS
S-SKS: structurele spraaklankstoornis: onstaan van S-SKS: algemeen
er is iets fout gegaan in het vormen van de spraaklankorgenen
= een fout in motorische uitvoeringsproblemen
de spiergroepen, kunnen de neurale signalen vanuit het brein niet correct uitvoeren als gevolg van structurele defecten in het orofaciaal gebied (mond+ gezicht)
de hersenen sturen de spieren wel het juiste signaal, maar de spieren/ structuren in de mond en het gezicht, kunnen dat signaal niet goed uitvoeren omdat er iets lichamelijk/ structureel mis is
S-SKS: velofaryngale stoornissen
problemen die zich kunnen voordoen bij velofaryngaal afsluitmechanisme
het oorzaak/ structureel & organisch is: spreekt men over velofaryngale insufficiëntie
velofaryngale dysfunctie kan blijven bestaan
je ziet het harde geheemelte
velofaryngale stoornissen: velofaryngaal mechanisme
heffing = resultaat van gecoördineerde actie
velum
farynxwand
Velofaryngale stoornissen: velofaryngale insufficiëntie
= als je een structureel/ organische probleem is aan het geheemelte/ velofaryngaal
bv. schisis
bv. velofaryngale dysfunctie
velofaryngale incompetentie (neurogeen)
psychogene VPS (psychologisch)
Schisis
= een aangeboren aandoening waarbij er sprake is van een open spleet in de bovenlip, de kaak en/of het gehemelte.
te kort verhemelte
te diepe farynx
kan onstaan na tonsillectomie/ adenoïdectomie, ook doo r gevolg van onderbrekingen/ vertragingen in celmigratie/ in uitgroei van de gehemtelteplaat
velofaryngale dysfunctie
= velofaryngaal mechanisme door orofaciale afwijking immers niet correct gebruikt kan worden
velofaryngale stoornissen: schisis wat? indcidentie en erfelijkheid
1 a 2 op 1000 baby’s per jaar
5-15% syndromaal/ 85-95% niet-syndromaal, geïsoleerd
geïsoleerde schisis = multifactorieel (complex samenspel tussen genetische factoren en omgevingsfactoren
geïsoleerde schisis
= een aandoening waarbij er sprake is van een lip-, kaak- en/of gehemeltespleet zonder dat er andere bijkomende aangeboren afwijkingen of syndromen zijn.
etiologie/ oorzaak
de mediale neus-zwelling
laterale neus-zwelling
rode zwelling
die 3 zwellingen: die gaan aan elkaar groeien, niet helemaal
een schisis wordt zelf niet goed gevormd
soorten zwellingen shisis:
laterale neus-zwelling
mediale neus-zwelling
maxilaire zwelling
ontstaan schisis
door gevolg van onderbrekingen/ vertraingen in celmigratie of in uitgroei van de gehemelteplaat
dus in het palatum (hard en zachte gehemelte: dat scheid de mond-en neusholte), deze moeten dus aan elkaar leren goreien tijdens het eerste semester van de zwangerschap, en als dat dus niet/ tot moeilijk gebeurt —> schisis
verschillende soorten schisis
een bilaterale schisis = dubbelzijdige cheiloschisis
unilaterale schisis = enkelzijdige cheiloschisis
cheilognathopalatoschisis links
palatoschisis
bilaterale schisis = dubbelzijdige cheiloschisis
een babay heeft 2 spleten in de lip
Zowel aan de linker- als aan de rechterkant van de bovenlip is er een opening.
unilaterale schisis = enkelzijdige cheiloschiss
schisis aan 1 kant
Een enkelzijdige spleet in de lip.
De opening zit aan slechts één kant van de bovenlip (links of rechts).
cheilognathopalatoschisis links
Een volledige, enkelzijdige spleet aan de linkerkant.
Deze vorm loopt door: van de lip (cheilo), via de kaak (gnatho) tot diep in het gehemelte (palato).
palatoschisis
Een gehemeltespleet.
De lip en kaak zijn heel, maar er is een opening in het harde en/of zachte gehemelte in het dak van de mond.
operatieve ingrepen!! belangrijk!!
sluiten lip op 3 tot 6 maanden
sluiten gehemelte op 9 tot 16 maanden = palatoplastiek (= naam voor chirugische ingreep waar de shisis wordt gesloten)
sluiten kaakspleet op ongeveer 8 tot 11 jaar
extra nota operatieve ingrepen
soms loop the sluiten neit altijd even goed
misschien niet helemaal volledig herstellen
de kaakspleet is pas later, omdat dat heel hard moet groeien
maar het gaat echt wel heel hard helpen in de big picture
spraakkenmerken voor velofaryngale stoornsissen = schisis
problemen primaire mondfuncties (zuigen, slikken)
vertraagde & afwijkende STO (vocalisaties, brabbelen, protowoorden…)
meer SKS tgv VF-functie, MO- aandoeningen (gehoorverlies) en dentale afwijkingen & molocclussies
extra nota spraakkenmerken
sommige kinderen hebben daardoor ook voedingsproblemen
je hebt het nodig om te zuigen
door je onderkaak te laten zakken, ontstaat er een negatieve druk: dus geen zuigeneffect: want er zit een gat in
het voeden gaat dan zo via de positieve druk, die negatieve druk maakt het heel moeilijk
klinkt heel nasaal/ hypernasaal
het slikken is ook heel moeilijk: soms baby’s met kinderen waar de melk er terug langs de neus uitkomt
Geen vacuüm (negatieve druk): Door het gat in het gehemelte is de mond "lek". De baby kan de mondholte niet luchtdicht afsluiten, waardoor er geen zuigkracht (negatieve druk) ontstaat. + tong gaat beneden blijven
Wel persen (positieve druk): Omdat zuigen mislukt, moet de melk uit de speen worden geperst. De baby doet dit door de speen met de kaken of tong plat te drukken, of de ouder helpt door in een speciale fles te knijpen.
Melk uit de neus: De barrière tussen mond en neus ontbreekt. Bij het slikken wordt de melk omhoog gedrukt en stroomt via de neus naar buiten.
Link met spraak: Voor klanken zoals p, t en k moet een kind ook lucht (druk) opbouwen in de mond. Zonder dicht gehemelte lekt die lucht weg via de neus.
spraakkenmerken van S-SKS bij velofaryngale stoornissen
resonantiestoornissen: hypernasaliteit
neusluctverlies/ nasale emissie, nasofaryngale ruis
compensatiebewegingen (overcompenseren, fronzen)
retor-articulatie/ schisispraak
schisipraak
compensatiebewegingen
Spraakkenmerken van S-SKS bij velofaryngale stoornissen bij schisis
overcompenseren, fronzen
zijn bewegingen die het kind maakt in een poging om die hypernasaliteit tegen te gaan die merken wel dat het een k of een c zeggen, dus ze gaan zaken proberen om de lucht meer oraal te krijgen bv. door te fronsen
door bv. spieren samen te trekken
retro-articulatie
spraakkenmerken van S-SKS bij velofaryngale stoornissen bij een schisis
een kind klanken te ver achterin de mond uitspreekt.
De foutieve beweging: Omdat er voorin de mond geen vacuüm of druk gemaakt kan worden door de schisis, went de tong eraan om naar achteren te trekken.
Klanken verplaatsen: Klanken die je normaal gesproken voorin de mond maakt met de tongtip tegen de tanden of de tandwal (zoals de t, d, s of z), worden nu achter in de mond of zelfs in de keel gemaakt.
Het resultaat: Een t klinkt dan bijvoorbeeld als een k, of een s verandert in een schrapend keelgeluid (een glottale stop of faryngeale fricatief).
nasale emissie
dat de lucht door de neus ontsnapt, dan krijg je vaak ook een nasofaryngale ruis bv. een snurkje
spraakkenmerken bij een schisispraak
moeilijkt te vormen spraakklanken worden weggelaten vervangen door makkleijker te vormen klanken
explosieven > glottisslagen
fricatieven > faryngaal geruis
orale medeklinker > nasale equivalenten
aantal medeklinkerverbindingen erg moeilijk
moeiljk te vormen spraakklenken worden weggelaten/ vervangen door makkelijker te vormen klanken
de meest voorkomende fouten zijn:
subsitutie door glottissslagen
subsituties van fricatieven door faryngaal geruis
substituteie van orale medeklinkers door hun nasale equivalenten
een aantal medeklinkerverbindingen zijn erg moeilijk te produceren
moeite ontwikkeling van fonologisch systeem
spraakkenmerken: schisispraak: explosieven > glottisslagen
Om explosieven te zeggen moet je heel veel druk gaan uitoefenen, dus dan wort er gekeken hoe je die druk toch kan maken, dus dan wordt er een plofklank gemaakt met de glottisslag
Explosieven: Klanken waarbij je de lucht in je mond kort opsluit en dan laat "ontploffen" (zoals de p, t en k).
Glottis: De medische term voor de stemspleet (de ruimte tussen je stembanden in je keel).
Omdat de lucht voorin de mond wegvliegt door de schisis, maakt het kind de "ontploffing" (explosief) niet met de lippen of tong, maar door de stembanden (glottis) hard op elkaar te slaan.
spraakkenmerken bij shisis: fricatieven > faryngaal geruis
Fricatieven > faryngaal geruis
Een kindje zegt yes-h: met een extra h: (faryngaal geruis: dus ze gaat proberen dat niet meer te doen
Omdat de lucht voorin wegvliegt, maakt het kind de blaasklank niet bij de tanden, maar achter in de keel. Het woord "yes" klinkt dan als "yes-h" (met een diepe keel-h aan het eind).
spraakkenmerken bij schisis: Orale medeklinkers > nasale equivalenten
Orale medeklinkers > nasale equivalenten
(t, d > n) (p, b > m) (de p, b vervangen door een m)
Orale medeklinkers: Klanken waarbij de lucht alleen via de mond naar buiten mag (zoals t, d, p, b).
Nasale equivalenten: De neus-varianten van diezelfde klanken (de n en de m).
ij een schisis lekt de lucht door het gehemelte direct de neus in. Omdat de mondholte niet kan worden afgesloten, verandert een mondklank automatisch in een neusklank:
De p of b (mond) wordt een m (neus) \(\rightarrow \) "pop" klinkt als "mom".
De t of d (mond) wordt een n (neus) \(\rightarrow \) "doek" klinkt als "noek".
Het kind vervangt de letters dus omdat de lucht ontsnapt via de neus.
spraakkenmerken met aantal medeklinkerverbindingen erg moeilijk bv.
Medeklinkerverbindingen: Twee of meer medeklinkers achter elkaar in één woord (zoals straat, klas, of must).
Waarom zo moeilijk? Voor klanken zoals de k, t en s moet de mond heel snel achter elkaar druk opbouwen en lucht sturen. Omdat de mond bij een schisis "lek" is, lukt die snelle opeenvolging van letters niet.
ontstaan of oorzaak van velofaryngale stoornissen
na tonsillectomie (keelamandelen) of adenoïdectonomogie (neusamandel)
per ongeluk wordt er een zenuw aangetast die een permanente hypernasaliteit gaat doen
tonsillectomie: Het operatief verwijderen van de keelamandelen. Deze zitten achter in de keel en kun je zien als je je mond ver opendoet.
Adenoidectomie: Het operatief verwijderen van de neusamandel (het adenoïd). Deze zit hoog achter de neus, boven het zachte gehemelte, en kun je van buitenaf niet zien.
nog spraakkenmerken
open mondgedrag en mondademen
hypernasaliteit
kinderen die altijd ontstoken neusamandelen heeft —> gaan kinderen open mondgedrag vertonen
kaakstructuur wordt daardoor ook aangepast (meer dubbele kin, lelijker)
S- SKS: tonafwijkingen
tongankylose
macroglossie
microglossie
aglossie
maloclussies
tongafwijkingen: tongankylose
tongriempje is te kort/ ziet te strak/ te stevig vast
moeilkijkheden die tongankylose veroorzaakt
drinken, slikken, likken, tongontwteken
sommig eklanken uitspreken
gewoon bewegen met de tong
open mondgedrag: want moeilijk tong naar boven houden & moeilijk onderkaak open te houden
spraakkenmerken van tongankylose
beperkte verticale beweeglijkheid van de tongpunt
voedingsproblemen, interdentaliteit, addentaliteit (t een kind klanken uitspreekt met de tongpunt tégen de achterkant van de tanden.)
na chirurgische ingreep: onmiddelijk oefenen
tongafijwkingen macroglossie: wat?
wanneer de tong abnormaal groot is
oorzaken macroglossie
aangeboren = congenitaal bv. hypertonie bv. door het syndroom van Down)
verworven: na de geboorte bv. hypertrofie: vergroot orgaan bv. hier dan de vergrote tong
infecties: kunnen zorgen voor pijn, zwelling, bewegingsproblemen, tijdelijke spraakproblemen
wat zijn spraakkenmerken van macroglossie
een te lange spierspanning
slappere tong-en mondspieren
open mondhouding
articulatieproblemen, slikproblemen
tragere spraakontwikkeling
open mondgedrag en mondademen
interdentaliteit: tong tussen de tanden
tongafwijkingen: mircoglossie: wat?
abnormale kleine tong
mogelijke problemen bij microglossie
articulatieporblemen
meoite met slikken
afwijkende kaakontwikkeling
beperkte tongbewegingen
tongafwijkingen: aglossie
= iemand zonder tong geboren wordt/ bijna geen tongweefsel
tongafwijkingen aglossie
ernstige problemen
articulatie
slikken
eten
mondmotoriek
oorzaken aglossie & microglossie
aangeboren
verworven: door trauma, infecties, chirurgische resectie van tumoren (= operatief verwijderen van tumor in het deel)
zeer zeldzaam
S-SKS: maloclussies wat?
= dat de tanden en kaken niet goed op elkaar passen, wanneer de mond sluit
afwijkende beet
= oromyofunctionele stoornissen = afwijkende mondgenoten
nog voorbeelden van afwijkende mondgewoonten
zuiggewoonten (speen-of duimzuigen)
bijtgewoonten bv. nagelbijten
open mondgedrag en mondademen
lage tongpositie in rust
infantiel slikken
kenmerken van S-SKS bij malocclussies
apico-alveolaire klanken kunnen interdentaal/ addentaal geproduceerd worden
ook lateraal sigmentisme: (of lateraal slissen) betekent dat de lucht bij het uitspreken van de s of z langs de zijkanten van de tong ontsnapt, in plaats van recht naar voren.
je hebt ook bepaalde vlakken
transversaal: horizontaal/ dwarsvlak
frontaal/verticale vlak: voorste deel en achterste deel gaan scheiden
sagitaal: het linkse en rechtste vlak gaan scheiden
beschrijving in saggitale vlak voor maloclussies
labioversie
linguoversie
labioversie
tanden die naar voren richting de lippen staan gekanteld, de tanden zijn naar buiten gericht (richting de lippen)
linguoversie
= tanden zijn naar binnen geplaatst (richting tong, tong staan gekanteld of verplaatst)
dus tanden die naar de tong toehellen
klasse 1, klasse 2 en klasse 3
beschrijving verticale vlak maloclussies
open beet
kopbeet
diepe beet
open beet
tanden die niet op elkaar sluiten wanner de mond dicht is
er blijft een open tuimte tussen de boven-en ondertanden
gevolgen:: bv. kauwproblemen, intedentaliteit: tong tussen tanden
diepe beet wat
overlappende boventanden, de ondertanden te veel in verticale richting
boventanden bedekken bijna de onderste tanden volledig
gevol: ondertanden kunnen tegen het gemelte bijten: slijtage van tanden, kaakklachten, soms spraakproblemen
kuisbeet: beschrijving van maloclosus in het dwarsvlak
kruisbeet
vorm van maloclussie waarbij de boven- en ondertanden niet goed over elkaar vallen, maar “gekruist” staan
vanachter: de tanden onderste tanden komen langs voor, voor de boventanden
vanvoor: de boventanden komen voor de onderste tanden
gevolgen: scheve kaakgroei, kauwproblemen, spraakproblemen
maloclussies voor elk vlak
sagitaal: labioversie, linguoversie
verticale vlak: open beet, kopbeet, diepe beet
dwarsvlak: kruisbeet
oorzaken maloclusies
genetisch, skeletaal
functioneel: vorm & functie beïnvleoden elkara
verstoring van het evenwicht tussen de orofaciale spieren onderling (lippen, tong, spieren
oorzaken (oro)myofunctionele stoornissen
verstoring van het evenwicht tussen de orofaciale spieren onderling (lippen, tong, spieren rond de kin, kauwspieren)
aanpassing van de maxilla en mandibula en de stand van de tanden en kiezen
gevolgen van oromyofunctionele stoornissen = afwijkende mondgewoonten, oorzaken + gevolgend
infantiel slikken
infantiel slikken = waarbij iemand slikt zoals een baby dat doet, normaal
zuiggewoonten/ bijtgewoonten
te lang een tutje in de mond
te lang duim in de mond
te lang nagelbijten
open mondgedrag/ mondademen
door de mond ademen
normaal door de neusgaten ademen
lage tongpositie in rust
= tong moet plakken aan de alveolaire boog, maar hier is da niet
open mondgedrag/ mondademen
door de mong ademen
normaal: moet door de neusgaten ademen
infantiel slikken
infantiel slikken = waarbij iemand slikt zoals een baby dat doet
normaal meoten kinderen bij leeftijd 4- 6 een volwassnen ‘slik’ ontwikkeld hebben
hoe ziet het eruit: tong tegen/ tussen de tanden, lippen werken vaak mee/ aangesponnen
normale slik: tong tegen het gehemelte, achterste kant van de tong zuigt tegen het achtersten van het gehemelte, geen tongdurk TEGEN de tanden
zuiggewoonten/ bijtgewoonten
te lang een tutje in de mond
te lang duim in de mond
te lang nagelbijten
oorzaak van infantiel slikken
kinderen hebben té veel appelmoes/ pap gegeten vroeger: waardoor ze alleen maar zachte, gladde voeding kunnen verwerken
spraakkenmerken van maloclusies
bilabialen
labiodentalisme
apico-alveolairen: interdentaliteit, addentaliteit, lateraal sigmatisme
interdentaliteit
addentaliteit
lateraal sigmentisme
interdentalisteit
tong komt tussen de tanden terecht
è “s” kan dan klinken als een Engelse “th” (lispelen)
addentaliteit
De tong komt tegen de tanden in plaats van achter de tanden (te “voor”).
→ klanken worden doffer of minder scherp
lateraal sigmatisme
de lucht ontsnapt via de zijkanten van de tong ipv in het midden
—>”s” klinkt slissend of “nat”
bilabialen
= klanken waarbij beide lippen worden gebruikt: p,b, m, w (afhankelijk van de context)
labiodentalisatie
labiodentalisatie
de onderliip komt tegen de bovenste tanden in plaats van tegen de bovenlip
p/b/m kunnen verkeerd worden uitgesproken met een f/v-achtig randje