1/42
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Wat vonden Schwartz et al. (1999) over behavioral inhibition in de peutertijd en sociale angst in de adolescentie?
61% van de kinderen die als peuter geïnhibeerd waren rapporteerde als adolescent veel sociale angst, tegenover 27% van de niet-geïnhibeerde peuters.
Hoe veranderde de manier waarop Kagan behavioral inhibition mat naarmate kinderen ouder werden?
Op jonge leeftijd werd gekeken naar terugtrekking bij nieuwe prikkels; later naar aarzeling bij uitdagende of risicovolle taken, subtiele gedragingen tijdens sociale interacties en uiteindelijk zelfgerapporteerde angsten.
Wat vonden Kagan en Snidman (1991) bij baby's van vier maanden?
Zuigelingen die sterk negatief en reactief reageerden op nieuwe stimuli hadden een grotere kans om later als gedragsmatig geïnhibeerd te worden geclassificeerd.
Wat vonden Woodward et al. (2000) over sensory processing sensitivity?
Zij vonden aanwijzingen dat sensitiviteit mogelijk geen continue eigenschap is maar een ongeveer dichotome categorie, waarbij in hun onderzoek ongeveer 10% tot de gevoelige minderheid behoorde.
Welk percentage van de bevolking zou volgens onderzoek van Aron et al. (2012) mogelijk tot de hoogsensitieve groep behoren?
Ongeveer 20%.
Waarom kan het evolutionair voordelig zijn dat slechts een minderheid sterk sensorisch sensitief is?
Een strategie van eerst zorgvuldig 'pauzeren en controleren' kan voordeel bieden bij het detecteren van bedreigingen en kansen, maar zou zijn voordeel verliezen als vrijwel iedereen dezelfde strategie gebruikte.
Bij hoeveel andere diersoorten is een vergelijkbare gevoeligheid voor context gevonden?
Bij meer dan 100 andere soorten.
Wat vond Kochanska et al. (2000) over de consistentie van effortful-controltaken bij jonge kinderen?
De gemiddelde correlatie tussen taken was ongeveer .27 op 22 maanden en .42 op 33 maanden, wat wijst op toenemende consistentie van individuele verschillen.
Hoe wordt effortful control gemeten met de Snack Delay-taak?
Het kind moet wachten met het pakken van snoep totdat de onderzoeker een signaal geeft en dus een dominante reactie onderdrukken.
Hoe wordt effortful attention gemeten met de Shapes-taak?
Met een aangepaste Strooptaak waarbij een kind de dominante reactie op een groot figuur moet onderdrukken en juist moet reageren op een kleiner figuur daarin.
Wat vonden Lemery-Chalfant et al. (2008) over de erfelijkheid van effortful control?
Voor ouderrapportages van effortful control werden erfelijkheidsschattingen van 68-79% gevonden en voor observaties van attentional control ongeveer 83%.
Welke algemene erfelijkheidsschatting wordt in het hoofdstuk genoemd voor temperament?
Genetische factoren verklaren naar schatting ongeveer 20-60% van de variatie in temperament.
Welke twee genen zijn relatief vaak onderzocht in relatie tot temperament?
Het dopamine-receptorgen DRD4 en het serotonine-transportergen 5-HTT.
Met welke temperamentkenmerken zijn DRD4 en 5-HTT in onderzoek in verband gebracht?
Onder andere activiteit, impulsiviteit, negatieve emotionaliteit, verlegenheid, aandacht, effortful control, harm avoidance, reward dependence en sensory processing sensitivity.
Wat is een belangrijk probleem met onderzoek naar afzonderlijke kandidaatgenen en temperament?
Veel bevindingen worden niet gerepliceerd en de richting van effecten verschilt tussen studies, waarschijnlijk mede door kleine effectgroottes en methodologische verschillen.
Wat vonden Gunnar et al. (2003) over surgency, effortful control en cortisol?
Hogere surgency en lagere effortful control hingen samen met hoger cortisol; meer agressief gedrag en afwijzing door leeftijdgenoten speelden een mediërende rol.
Wat vonden Dougherty et al. (2009) over positieve emotionaliteit en cortisol?
Lage positieve emotionaliteit hing samen met hogere cortisolwaarden in de ochtend bij kleuters en met een voorgeschiedenis van depressie bij de moeder.
Wat gebeurde in het onderzoek van Spinrad et al. (2009) met cortisol na een frustrerende taak?
Bij ongeveer 52% van de kleuters steeg het cortisolniveau na de frustrerende taak.
Wat is het normale dagelijkse patroon van cortisol volgens het hoofdstuk?
Cortisol is doorgaans het hoogst in de ochtend en neemt gedurende de dag af tot zeer lage waarden rond bedtijd.
Wat vonden Oldehinkel et al. (2004) over specifieke negatieve emoties en probleemgedrag?
Angst hing vooral samen met internaliserende problemen en frustratie vooral met externaliserende problemen.
Waarom zijn de termen 'psychische stoornis' en 'patiënt' mogelijk stigmatiserend?
Omdat ze suggereren dat er iets mis is met iemand en dat diegene een negatief kenmerk heeft waarvoor behandeling nodig is.
Welke gevolgen kan stigmatisering hebben voor mensen met psychische problemen?
Ze kunnen hun problemen verbergen, worden vermeden of buitengesloten en negatieve oordelen over zichzelf overnemen, waardoor het stigma onderdeel kan worden van hun identiteit.
Welke termen kunnen beter gebruikt worden dan 'psychische stoornis'?
Psychische variatie en kwetsbaarheden.
Wat is het belangrijkste verschil tussen een cliënt en een patiënt?
Een cliënt maakt gebruik van professionele diensten voor een probleem dat diegene niet zelf kan oplossen; een patiënt wordt gezien als iemand met wie het niet goed gaat en die behandeling nodig heeft.
Welke argumenten worden gegeven voor het gebruik van 'cliënt' en 'patiënt'?
'Cliënt' benadrukt gelijkwaardigheid en werkt minder stigmatiserend. 'Patiënt' benadrukt dat iemand daadwerkelijk hulp nodig heeft en voorkomt dat de ernst of ziektelast wordt gebagatelliseerd.
Welke zeven factoren onderscheiden Seligman, Walker en Rosenhan (2001) om te bepalen of gedrag als abnormaal/pathologisch wordt beschouwd?
Persoonlijk lijden, (dis)functionaliteit, irrationeel/onbegrijpelijk gedrag, onvoorspelbaarheid en controleverlies, opvallend/onconventioneel gedrag, gedrag dat ongemak oproept en morele normen overtredend gedrag.
Wat wordt bedoeld met persoonlijk lijden, en waarom is dit geen noodzakelijke voorwaarde voor abnormaliteit?
De persoon ervaart zelf psychisch lijden. Dit is geen noodzakelijke voorwaarde, omdat lijden ook een normale, tijdelijke reactie op een gebeurtenis kan zijn.
Wat wordt bedoeld met (dis)functionaliteit van gedrag?
Gedrag dat het beroepsmatige of relationele functioneren van de persoon zelf of van anderen belemmert.
Wat wordt bedoeld met irrationeel/onbegrijpelijk gedrag en onvoorspelbaarheid/controleverlies?
Irrationeel gedrag heeft voor anderen geen begrijpelijke logica. Bij onvoorspelbaarheid en controleverlies werken de normale regels die gedrag sturen niet meer, of is de aanleiding voor het gedrag onbekend.
Wat wordt bedoeld met opvallend en onconventioneel gedrag?
Gedrag dat sterk afwijkt van wat gangbaar en sociaal wenselijk is. Wat als afwijkend geldt, is afhankelijk van de omgeving.
Wat zijn 'restregels' volgens Scheff (1966)?
Impliciete sociale verwachtingen over hoe iemand zich hoort te gedragen. Schending hiervan kan bij anderen gevoelens van ongemak oproepen.
Welke vormen van gedrag sluit de DSM-5-TR uit van de definitie van een psychische aandoening?
Te verwachten en cultureel aanvaarde reacties, deviant gedrag vanuit politieke of religieuze overtuigingen en gedrag dat voortkomt uit een persoonlijk conflict tussen het individu en de maatschappij.
Welke van de onderstaande 'regels' is een voorbeeld van een 'restregel' (Scheff, 1966)?
Als je met een onbekende praat, moet je niet heel dicht bij die persoon gaan staan.
Op basis van het statistisch model zijn uitspraken mogelijk over het onderscheid tussen 'normaal' en 'abnormaal' gedrag.Een bezwaar van het statistisch model is echter dat het
niet specificeert hoe ongewoon het gedrag moet zijn om het 'abnormaal' te kunnen noemen.
Welke activiteit behoort NIET tot het terrein van de klinische psychologie? A. Behandelen van hoogbegaafde jongeren met omgangsproblemen B. Voorschrijven van medicijnen aan psychotische patiënten C. Onderzoek naar gedrag in relatie tot ervaren mentale gezondheid D. Interventies ontwikkelen voor mensen met ADHD
B. Het voorschrijven van medicijnen aan psychotische patiënten.
Welke regel is een voorbeeld van een 'restregel' volgens Scheff (1966)? A. Je mag niet stelen B. Je mag een hulpverlener niet te lijf gaan C. Je moet een ernstig gewond persoon helpen D. Je moet bij een gesprek met een onbekende niet heel dicht bij die persoon staan
D. Bij een gesprek met een onbekende moet je niet heel dicht bij die persoon gaan staan. Een restregel is een impliciete sociale verwachting.
Wat is een bezwaar van het statistisch model bij het onderscheid tussen normaal en abnormaal gedrag? A. Alleen extreem hoge scores zijn abnormaal B. Het model is categoriaal C. Het specificeert niet hoe ongewoon gedrag moet zijn om abnormaal te zijn D. Het is alleen toepasbaar op zeldzame eigenschappen
C. Het statistisch model specificeert niet hoe ongewoon gedrag moet zijn om het 'abnormaal' te kunnen noemen.
Welke stellingen over het medisch/ziektemodel zijn juist? I. De oorzaak van psychische stoornissen ligt volgens dit model bij lichamelijke afwijkingen. II. Psychische stoornissen kunnen het beste worden verholpen door de onderliggende mechanismen met therapie te bestrijden. A. I en II juist B. Alleen I juist C. Alleen II juist D. Beide onjuist
A. Stelling I en II zijn beide juist.
Welk criterium moet volgens Szasz worden gebruikt om de grens tussen geestelijke gezondheid en geestesziekte te bepalen? A. Aantoonbare neurologische, fysiologische of biochemische afwijkingen B. Afwijkingen van psychosociale/ethische normen C. Disfunctioneel gedrag D. Persoonlijk lijden
A. De aanwezigheid van aantoonbare neurologische, fysiologische of biochemische afwijkingen.
Welk argument voeren aanhangers van het leer-/onderwijsmodel NIET aan als voordeel ten opzichte van het medisch model? A. Minder kans op stigmatisering B. Beschrijft beter wat gebeurt bij psychologische hulpverlening C. Levert een duidelijkere grens tussen geestelijke gezondheid en ziekte D. Doet meer recht aan persoonlijke verantwoordelijkheid
C. Het model levert een duidelijker grens op tussen geestelijke 'gezondheid' en 'ziekte'.
Welke term gebruiken aanhangers van het leer-/onderwijsmodel voor problematiek waarbij nog sprake is van eigen verantwoordelijkheid? A. Levensproblemen B. Neurotische stoornissen C. Mentale problemen D. Psychogene problemen
A. Levensproblemen.
Een man heeft ernstige depressies met psychotische symptomen, maar er is geen aantoonbare somatische oorzaak. Vanuit welk model wordt dit als een stoornis beschouwd? A. Statistisch model B. Statistisch + medisch model C. Medisch + leer-/onderwijsmodel D. Statistisch + leer-/onderwijsmodel
D. Vanuit het statistisch model en het leer-/onderwijsmodel.