1/184
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
palpitaties
subjectieve, onaangename gewaarwordig van de hartslag
kan je krijgen bij ritmestroonsisen, verstoring van normale regelmaat of frequentie sinusritme
klachten: veranderde kracht hartslag, afwijkende hartfrequentie (te snel/langzaam), onregelmatige hartslag, ‘overslaan’ van hartslag
gerelateerde klachten: dysnoe d’effort, licht gevoel in hoofd, duizeligheid, vermoeidheid
palpitaties epdemiologie
9 op 1000 patienten per jaar bij huisarts
vooral vrouwen 65-74j
jonge patienten vaker functioneel (anst, paniek, hyperventilatie)
prevalentie atriumfibrilleren - 1,4% → mensen >_ 85j = 18%
niet bij elke hartslag een polsslag voelbaar
kenmerkend voor atriumfibrilleren
noramel prikkelvorming hart
fase 0: snelle depolarisatie (Na+ in)
fase 1: geringe K+- uitstroom
fase 2: trage Ca2+ - instroom
fase 3: snelle repolarisatie (K+- uit)
fase 4: rustfase → Na+/K+-uitwisseling

stroomschema palpitaties

AV-blokken
1e graads: verlengde PQ (>200 ms)
2e graads Mobitz I: progrssieve PQ-verlenging → uitval
2e graads Mobitz II: plots uitval zonder verlenging
3e graads: volledig AV-dissociatie
stoornissen prikkelvorming
abnormale automaticiteit = latente pacemakercellen zijn actiever dan sinusknoop
arteriele tachycardie, extrasystolen PAC/PVC, ventriculaire tachycardie
triggerend activity = spontaneous depolarisatie na normale actiepotentialen
kan komen door EAD (early afterdepolarisation) en DAD (delayed afterdepolarisation)
torsades de Pointes, ventriculaire tachycardie
abnormale automaticiteit (prikkelstoornis)
betekent dat cellen die normaal niet spontaan zouden vuren, ineens zelf impulsen gaan genereren.
latente pacemakercellen zijn actiever dan sinusknoop
arteriele tachycardie, extrasystolen PAC/PVC, ventriculaire tachycardie
triggerend activity (prikkelstoornis)
spontaneous depolarisatie na normale actiepotentialen
kan komen door EAD (early afterdepolarisation) en DAD (delayed afterdepolarisation)
torsades de Pointes, ventriculaire tachycardie
extra elektrische prikkel doodat actiepotentiaal een nieuwe AP uitlokt
pacemaking
primaire pacemaker is de sinusknoop → depolarseert spontaan 60-100x per min
latente pacemakers: myocard van atria, AV-knoop, bundels van His, bundeltakken, Purinkje vezels en myocard van ventrikels
hoe verder van de sinusknoop → hoe lager de depolarisatiefrequentie
pacemakercellen staan onder invloed van autonome ZS
medicatie kan direct invloed hebben op depolarisatie/repolarisatie of direct via autonome stimulatie
adrenerge stimulatie → versnelling ritme
vagale stimulatie → vertraging ritme

stoornissen prikkelgeleiding
Re-entry tachycardia: atrium flutter, AVNRT
Cirkelvorming (re-entry circuit) met centrale blokkade
De prikkel beweegt rond een gebied dat niet geactiveerd kan worden (centrale blokkade). → Hierdoor ontstaat een gesloten elektrische lus.
Substraat voor geleiding
Functioneel substraat: veroorzaakt door verschillen in refractariteit van cellen (sommige cellen zijn nog ongevoelig voor een nieuwe prikkel).
Anatomisch substraat: een vaste structuur waar de prikkel omheen kan circuleren, zoals:
littekenweefsel na een infarct,
hartklepringen,
andere anatomische structuren.
Unidirectioneel blok
De prikkel kan in één richting niet passeren, maar wel in de andere.
Dit is essentieel om de cirkelbeweging te laten ontstaan.
Trigger
Een extra prikkel, meestal een ectopische slag (extrasystole), start het circuit.
De ectopische prikkel ontstaat buiten de normale pacemaker van het hart (de sinusknoop).
== onstaat doordat elektrische prikkel in hart steeds in kringetje blijft rondgaan
pre-excitatie: wolff parkinson-white syndroom (door accessoire bundel (extra verbidning tussen V +A) - omzeilt AV-knoop, waar normaal geleiding langs gaat)
== deel van hartkamers eerder wordt geactiveerd dan normaal → doordat extra elektrische verbinding tussen atria + ventrikel aanwezig is
= aangeboren afwijking
palpitaties betekenis
hartkloppingen; bewust voelen van hartslag
onschuldige oorzaken: stress/angst, inspanning, cafeine, alcohol, nicotine, koorts
hartgerelateerde oorzaken: extrasystolen (ectopische slagen), atriumfibrilleren, atriulflutter, re-entery tachycardieen
atriumfibrilleren
hartritmestoornis, waarbij atria snel en chaotisch samentrekken → geeft onregelmatig en vaak versnelde hartslag
pompwerking van hart minder effectief + risico op complicaties (bv beroerte)

atriumflutter
hartritmestoornis, waarbij atria van hart veel sneller gaan samentrekken dan normaal → geeft snelle, vaak regelmatige hartslag
kan hartkloppingen, kortademigheid of vermoeditheid veroorzaken
is nauw verwant aan atriumfibrilleren, maar heeft meer georganiseerde elektrische activiteit
polikliniek
anamnese vragen naar: hartfrequentie, regelmaat, duur en verloop, begeleidende klachten (syncope, dyspnoe), gebruik van genees en genotsmiddelen, uitlokkende factoren, fam gescheidenis
LO: meten polsfrequentie en bloeddruk, palpatie pols, auscultatie hart, bloedonderzoek, ECG, soms holteonderzoek
syncope
tijdelijke, acuut beginnende, kortdurende, spontaan overgaande bewusteloosheid, veroorzaakt door cerebreale hypoperfusie
8,6/1000 per jaar, piekincidentie = pubertijd + oudere leeftijd
meerdere soorten:
reflexsyncope
vasovagale syncope
situationele syncope
sinus caroticus syncope
orthostatische hypotensie
cardiale oorzaken
reflexsyncope
hersenen geven commando dat resulteert in een vertraging van hartslag + vasodilattatie
zorgt voor flauwvallen
vasovagale syncope
situationele syncope
sinus caroticus syncope
vasovagale syncope
geleidelijke onwelwording met autonome activiteit (bleekheid, misselijkheid, zweten)
kan komen door pijn, emotie, laag circulerend volume (warmte, medicatie, alchohol, koorts, diarree, uitputting)
Het is een plotselinge overreactie van het autonome zenuwstelsel:
↑ parasympathische (vagale) activiteit
↓ sympathische activiteit
→ hartslag daalt + bloedvaten verwijden
→ bloeddruk zakt
→ tijdelijk minder hersenperfusie
→ bewustzijnsverlies
situationele syncope
een subtype van reflexsyncope waarbij flauwvallen wordt uitgelokt door een specifieke handeling of situatie.
kan voorkomen bij mictie of defecatie
sinus caroticus syncope
door teveel druk sinus caroticus in hals krijg je te sterk baroreflex → leidt tot bradycardie en bloeddrukdaling
orthostatische hypertensie
autonome ZS is niet in staat de bloeddruk in staande houding op peil te houden
systolische RR datling in stande houding gedruende 3 min van > 20 mmHg of diastolisch > 10mmHg
risicofactoren: medicatie (diuretica, antihypertensiva, antidepressiva), aandoeningen van hart, stoppen met inspanning/eten
cardiale oorzaken (syncope)
wegvallen cardiac output door ofwel geen/trage/snelle hartfrequentie, afname knijpkracht hart of in/uitstroombelemmering
kan komen door: ritmestoornis (brady-/trachycardie), aortaklepstenose, obstructieve cardiomyopathie, ernstig hartfalen, longembolie, aortadessectie of pulmonale hypertensie
anamnese: ineens wegvallen zonder voortekenen
gepaard met palpitaties,dyspnoe en pijn op borst
bij herstel hiervan is vaak rood gezicht en is patient direct helder + alert
overige oorzaken wegraken
epilepsie
PNES (psychogenic nonepileptic seizures: gepaard met schokken), of PSS (psychogenic pseudo syncope : patient ligt stil)
hypoglycemie
vertebrale TIA/CVA
subclavian steal syndrome
kataplexie (= kortdurend, platseling verlies van spierspanning, wel volledig bewust)
anamnese syncope
kijk naar bleekheid, zweten, misselijkheid, hartkloppingen, angineuze kalchten
uitlokkende factoren: pijn op borst, angst, verandering lichaamshouding, mictie, fysieke inspanning, maaltijd (post-prandiaal)
kijken verschijnselen tijdens wegvalen:
blauwgelaat, schuim op mond, trekkingen, bijtletsel aan tong (met name aan zijkant), urine-incotinentie (aanwijzing voor bewustzijnverlies)
kijken na herstel of er post-ictale fase was → kan epileptisch insult zijn
vragen op patient zich kon opvangen → geeft info over plotsteling karaketer van bewustzijnsverlies
syncope kenmerken
kortdurend bewustzijnverlies
verlies van spiercontrole → inzakken/vallen
geen reactie op aanspreken/aanraken
amnesie(geheugenverlies) van syncope periode
elektrofysiologische mechanisme van syncope
re-entry = hierbij is er een circulerende elektrisch impuls door blokkende + vertragde geleiding
automaticiteit = abnormale stijging van spontane diastolische depolarisatie
triggered activity = vroeg impuls tijdens of na repolarisatie → veroorzaakt door afterdepolarisatie
kenmerken voor groot hartinfarct
ECG: vaak grote afwijkingen → ST-infarct
bloeddruk verlaagd
bewustzijnsverlies + meten met ontregelde diabetes
ICD
implanteerbaar cardioverter-defibrillator = klein apperaatje onder de huid (meestal onder sleutelbeen), verbonden is met hart
bewaakt continue hartritme
herktent gevaarlijke hartritmestoornissen
geeft elektrische shock bij ritme > 200bpm
alleen geindiceert bij aanwijzingen voor genetische hartziekten
long QT-syndroom
Aandoening waarbij de elektrische hersteltijd van het hart verlengd is. Dit zie je op het ECG als een verlengde QT-tijd.
na elke hartslag moet het hart elektrisch ‘resetten voordat nieuwe slag kan komen, bij dit syndroom gaat dat te langzaam → gevoeliger voor ritmestoornissen
electrocardiografie (normaal)

hartkloppingen, duizeligheid + collaps → meteen denken aan
trachycardie (>100) of bradycardie (<50) in rust
sick sinus syndroom (SSS)
relatief traag sinusritme dat onvoldoende versnelt bij inspanning of koorts
gaat gepaard met tachycardie in de vorm van atriumfibrilleren , dan wordt het bradytachy syndroom genoemd
kalchten: hartloppingen, duizeligheid, collapsneigingen (adem stokes attack), vermoeidheid
etiologie: veelal degeneratief (ouderen vaker)
prognose: goed, wel risico op tromboembolie bij Afib
behandeling: medicatie, pacemaker, ablatie
AV geleidingsstoornis
kalchten: soms hartloppingen, duizeligheid, collapsneigingen (adem stokes attack), vermoeidheid en kortademigheid
etiologie: veelal degeneratief, beschadiging AV gebied, aangeboren, medicatie
prognose: goed, behandeling dmv pacemaker
atriaritmestoornissen
sinusritme met premature artiale complexen (PAC’s)
atriumfibrilleren
atriumflutter
behandeling: antistolling
supraventriculaire ritmestoornissen
supraventriculaire trachycardie reentry (SVT)
Bij de klassieke SVT gaat het meestal om een re-entry circuit rond of via de AV-knoop.
klachten: snelle hartkloppingen, duizeligheid, zweten, plots begin en einde, pollakisurie (vaak plassen, kleine hoeveelheden)
etiologie: geledende elektrishe verbinding tussen bindweefsel van klepring
leeftijd: 20-50j
prognose: goed
behandeling: afwachten, medicatie of ablatie
ventriculair ritmestoornissen
ventriculaire extrasystole (VES) of prematuur ventrikulair complex (PVC)
ventrikeltachycardie = kan onstaan bij veel soorten hartziekten
ICD kan dood veroorzaken
ventrikelfibrilleren = kan onstaan na myocardinfarct
medicatie: anti-arrythmica, sotalol, flecainide, amiodaron
ECG10+ methode
frequentie en regelmaat: normaal 50-100bpm
hartas: noramaal R > S in I, avF of II
P-top: normaal in II en V1 positief, soms vifasisch in V1. <3mm breed en < 2,5mm hoog
PQ-tijd: normaal iedere P gevolgd door QRS complex. PQ-tijd: 3-5mm = 0,12 - 0,2 s
Q-top: normaal <1 mm breed en minder hoogd dan 1/4e R. in V1/V2 altijd pathologisch
QRS-complex: normaal max 3 mm breed, R hoogte in V1 < 10mm, in V5/6 < 25mm
ST segment: normaal iso-elektrisch (geen elevatie), alleen in V2 1,5mm elevatie normaal
pathologisch: STEMI (hartinfarct)
T-top: normaal in dezelfde richtin als QRS, hoogte arbitrair tot max 1/4e R
QT-tijd: normaal < 10mm en/of max de heflt van de cyclusduur
eind QT tijd herken je dmv snuine lijn
ritme: normaal is sinusritme, AF is veel voorkomend
pacemaker vs ICD
Pacemaker = te langzaam hart → versnellen
ICD = te snel/gevaarlijk ritme → stoppen (shock) + eventueel ook pacen
hiermee mag je niet meer autorijden
hypertrofische obstructieve cardiomyopathie (HOCM)
assymetrische verdikking hartspier (vooral interstitiele septum) met obstructie uitstroom
hart knijpt wél krachtig, maar de uitstroom raakt tijdens het knijpen gedeeltelijk of tijdelijk afgesloten (door septum over mitralisklep komt) . Daardoor lijkt het alsof het hart “leegknijpt”, maar in werkelijkheid is de effectieve uitstroom onvolledig en variabel.
Syncope ontstaat vooral tijdens inspanning of stress door plots verminderde bloedstroom naar de hersenen.
(cerebrale hypoperfusie) + risico hartritmestoornissen
behandeling: mediacatie, ICD of pacemaker
ECG algemeen
toont elektrische lading vna hart
heeft 12 afleidingen, waarvan 6 extremiteitsafleidignen en 6 procordiale afleidingen
depolarisatie gaat eerst Na+ de zel in, later Ca2+ en als laatste K+ de cel uit → als elektrisch signaal van depolarisatie naar positieve pool van de meter toe gaat, geeft dat een positieve uitstalg op ECG
7 (+2) stappenplan voor ECG-beoordeling
ritme
frequentie
geleidingstijden (PR, QRS, GTc)
hartas
P-top morfologie
QRS-morfologie
ST-T afwijkingen
vergelijking met oud ECG
conclusie
stap 1 - ritme (ECG-beoordelen) - NORMAAL
elke P-top (atriacontractie) voorafgaand aan QRS-complex
regelmatig ritme (kleine variatie met ademhaling mogelijk)
frequentie 60-100/min
max hoogte van P-top is 2,5mm in II en/of III
P-top is positief in II en aVF, bafisisch in V1
escape ritmes in plaatje:
hoe lager uit geleidingssysteem → hoe trager + breder het escape-ritme

stap 1 - ritme (ECG-beoordelen) - extrasystolen
onstaat door extra samenknijpen (te vroege systole) van atrium of ventrikel
2 soorten
PAC (premature atriale contractie): smalcomplex - want volgt normale AV-geleiding, P-top andere morfologie dan sinusslag
PVC (premature ventrikelcontractie: breedcomplex - want ontstaat in ventrikel, geen voorafgaande P-top
de extra kleine slag voelt men niet, maar daarna is langere tijd nodig voor vullen tot volgende slag plaatsvindt
klachten onstaan doordat men wel de slag voelt doe na PAC/PVC komt, omdat hart dan extra gevuld is

stap 1 - ritme (ECG-beoordelen) - smalle complex irregulair
wijst op atriumfibrilleren
stap 1 - ritme (ECG-beoordelen) - smalle complex regulair
wijst op:
atriumflutter: zaagtandpatroon, vooral in II → meestal wel regelmatig ritme
AVNRT: retrograde P-toppen na QRS-complex → atriums worden nog een keer extra geactiveerd na het QRS-complex
atriale tachycardie: P-top met andere morfologie dan in sinusritme

stap 1 - ritme (ECG-beoordelen) - breedcomplex oorzaken
ventrikeltachycardie: monomorf, regulair
ventrikelfibrilleren: chaotisch/irregulair
torsades de Pointes (polymorfe VT): VT met verierende hartas

stap 2 - frequentie (ECG-beoordelen)
3 methode om hartfrequentie te meten:
tellen aantal QRS-complexen op 1 ECG (10-sec) *6
aftelmethode: 300 → 150 → 100 → 75 → 60 → 50 (per grote tussenruimte tussen R-toppen)
1500/ aantal kleine vakjes tussen 2 R-toppen

stap 3 - geleidingstijden (ECG-beoordelen) - UIT HOOFD KENNEN
PQ-tijd/PR-interval: 120-200ms
te kort: pre-excitatie (WPW), atriaal ritme
te lang: 1e graads AV-blok
QRS-duur: 100-120ms
verlengt bij bundeltakblok (RBTB of LBTB)
QTc-tijd: <450ms (man), <460ms (vrouw)
verlengd: verhoogd risico op torsades + plostelinge dood
oorzaken: lang QT-syndroom, medicatie, eletrolytenstoornis
stap 4 - hartas (ECG-beoordelen)
normaal: -30 en +90 graden
positieve afleiding I en positieve afleiding aVF
afleiding I positief, afleiding aVF negatief: check afleiding II → deze positief, dan normale hartas
afleiding II negatief → dan is het een linkerhartas
afwijkende hartas
afl. I neg + afl. aVF pos: rechterhartas (> + 90°)
afl. I neg + afl. aVF neg: extreme hartas (-90° tot - 180°)

oorzaken rechter hartas
= + 90°
rechterventrikelhypotrofie (RVH)
rechterventrikeloverbelasing: COPD, longembolie
ASD/VSD
oorzaken linker hartas
= -30°
linker anterieur hemiblok
onderwandsinfarct
linkerventrikelhypertrofie (LVH)
pacemakerritme
stap 5 - P-topmorfologie (ECG-beoordelen) - normaal
max hoogte van 2,5mm in II en/of III
breedte is <120ms
positief in II, aVF; bifasisch in V1
stap 5 - P-topmorfologie (ECG-beoordelen) - afwijkende P-top
andere richting; atriaal ritme
te hoog/breed: atriumdilatatie
stap 5 - P-topmorfologie (ECG-beoordelen) - rechteratriumdilatatie (P-pulmonale)
P > 2,5mm in II en/of III en/of aVF
P > 1,5 mm in V1 (eerste positieve deel → vector is anterior georiënteerd)
→ hoge druk in a. pulmonalis, bv bij longembolie
stap 5 - P-topmorfologie (ECG-beoordelen) - linkeratriumdilatatie: P-mitrale
brede P-top (>0,04sec) en diep negatief (>1mm) in terminaal deel in V1
P > 0,12s in II
ontstaat met name bij mitralisklepinsufficientie
stap 6 - QRS-morfologie (ECG-beoordelen) - microvoltages
extremiteitenafl.: QRS uitslag (pos of neg) is overal < 0,5 mV (+ 5mm)
bij voorwandafl: QRS uitslag < 1.0mV
oorzaken: cardiomyopathie (bv amyloidose), verhoogde weerstand tot elektrodes (pneumothorax, obesitats, pericardvocht, pleuravocht), myocarditis, pericarditis, harttransplantatie (bij rejectie)
stap 6 - QRS-morfologie (ECG-beoordelen) - rechterventrikelhypertrofie (RVH)
R > S in V1
stap 6 - QRS-morfologie (ECG-beoordelen) - linkerventrikelhypertrofie (LVH)
sokolow-lyon criteria
R in V5/6 + S in V1 > 35mm of R in aVL > 11mm
vaak strainpatroon met neg. T in V5-V6
stap 6 - QRS-morfologie (ECG-beoordelen) - pathoglosiche Q-golven
iedere Q-golf is afl. V2-3, breder dan 0,02s of een QS-complex in afl. V2 en V3
Q-golf van 30ms (0,03s) breed of meer, en 1mm diep of een QS-complex in afl. I, II, aVL, aVF of V4-6( de Q-golf moet in 2 aanpalende afl. zichtbaarzijn en moet _> 1mm diep zijn)
R-golf van > 0,04s, breed in V1-2 en R/S >1 met een concordant (dezelfde richting) positieve T-golf in afwezigheid van bundeltakblok
stap 7 - ST-segment en T-topafwijkingen (ECG-beoordelen) - ST-elevatie
acute transmurale ischemie
linkerbundeltakblok
linkerventrikelhypertrofie
early depolarization (normaal bij jonge mensen)
hypertrofische cardiomyopathie: V3-5 (kan ook nog V6)
acute pericarditis (difuus, behalve aVR)
hyperkaliemie: V1-2 (V3)
aneurysma cordis
stap 7 - ST-segment en T-topafwijkingen (ECG-beoordelen) - ST-depressie
acute ischemie
linkerventrikelhypertrofie met ‘strai'n’
digoxine effect
hypokaliemie/hypomagnesiemie
reciproke ST-depressie → als ECG-afl ST-elevatie laat zien door ischemie, laat de tegenoverliggende ECG-afl. vaak een ST-depressie zien
T-topafwijkingen zichtbaar op ECG-ritme (stap-7)
omgekeerd → ischemie, eletrolytstoornissen
tentvorming → hyperkaliemie

Klinisch beeld voor atriumfibrilleren
plotse, onregelmatig hartritme, dysonoe, orthopnoe, vermoeidheid in combi met hypertensie
ECG: geen p-toppen aanwezig + onregelmati ventrikelritme
ontbreken van zaagtandpatroon maakt atriumflutter onwaarschijnlijk
atriumfibrilleren (boezemfibrilleren)
onstaat elektrische activiteit vanuit meerdere plekken in de boezems, vooral rond de inmond van de longvenen → geeft een chaotisch en ongecoordineerd elektrisch patroon wat onregelmatige hartslag geeft
hartslag is hierbij ± 150 bpm
atriumflutter (boezemflutter)
loopt het elektrishce signaal in een snelle cirkel rond in arium, meestal rond de tricuspidalisnnulus → zorgt voor frequentie van ± 300 bpm
AV-knoop kan dit niet allemaal doorgeleiden → vaak wordt maar elke 2de slag doorgelaten → geeft hartslag van ± 150 bpm
medicatie die geleidig vertraagt, kan bv 1 op 3 worden (100/min)
op ECG is typisch zaagtandpatroon zichtbaar
oorzaak dyspnoe en orthopneu bij atriumfibrilleren
door atriumfibrilleren stijgt de druk in de linkeratrium omdat het bloed minder goed naar de linkerventrikel stroomt
door verhoogde druk onstaat hydrostatische druk in longcapillairen → geeft vochtophoping in interstitium van longweefsel (longoedeem)
de vochtophoping prikkelt pulmonale C-vezels → patient kortademig (dyspnoe) ervaren
behandeling atriumfibrilleren + kortademigheid
medicatie om ritme te vertragen = rate control (metoprolol (bètablokker), amiodaron (hersteld sinusritme - rhythm control), antistolling (om beroerte te voorkomen) en diuretica
rate control-medicatie
betablokkers: alles wat eindigt op -lol, zoals metoprolol, propranolol, bisoprslol, etc
calciumantagonisten, 2 varianten:
dihydropridines = werken voormaleijk vaatverwijdend op perifere arterien (weinig effect op hartgeleidingssysteem); zoals amlodipine (rythm control)
niet-dihydropyridines = werken vooral op hart → vertragen hartslag + verminderen contractiliteit, zoals verapamil en dilitiazum
digoxine: smalle therapeutische breedte
Chadsva-schore
gebruikt om antistolling bij atriumfibrilleren te bepalen
Chronic heart failure - 1 pt.
Hypertension - 1 pt.
Age _> 75j - 2 pt.
Diabetes mellitus - 1 pt.
Stroke/TIA/thrombo-embolie - 2 pt.
Vascular disease - 1 pt.
Age 65-74j - 1 pt.
_> 2 is antistolling geïndiceerd , >3 weken antistollign gegeven, voordat medicatie voor rate control gestart wordt (omdat stolsels kunnen loschieten → beroerte veroorzaken)
2 soorten medicatie voor hart
rythm control = begin je mee → gericht op herstellen en behouden van normale sinusritme
rate control → gericht op vertragen van hartfrequentie, terwijl atriumfibrilleren blijft bestaan
ablatie
katheterbehandeling waarbij via de lies een dun slangetje naar hart wordt gebracht om oorzaak van atriumfibrilleren weg te branden of te bevriezen
paroxismaal atriumfibrilleren
vorm van aanvalsgewijze boezemfibrilleren waarbij het hartritme plotseling onregelmatig en vaak te snel wordt, maar binnen 7 dagen (meestal zelfs binnen 48 uur) spontaan weer terugkeert naar een normaal ritme
prodronen
vroege waarschuwingsverschijnselen die optreden voordat een ziekte of gebeurtenis zich volledig ontwikkeld
bv flauwvallen (syncope): duizeligheid, misselijkheid, zweten, wazig zien, etc
ECG waarop atriumfibrilleren zichtbaar is
lijkt wel op zaagtandpantroon → maar hartritme volledig onregelmatig = atriumfibrilleren

conversiepauze
korte pauze tussen het stoppen van een hartritmestroonis en het moment waarop de sinusknoopt weer een normale hartslag produceert
bv bij aanval van: atriumfibrilleren, atirumflutter of supraventriculaire tachycardie (SVT)

pacemaker
bestaan verschyllende types → aangeduid met 3letterige code
code geeft info over 3 aspecten
1e letter = welke hartkamer (s) de pacemaker kan stimuleren (pace)
2e letter = waar pacemaker het eigen ritme kan waarnemen (sensing)
3e letter = hoe pacemaker reageert op waargenome ritme (respons)
code pacemaker info
1e letter = welke hartkamer (s) de pacemaker kan stimuleren (pace)
2e letter = waar pacemaker het eigen ritme kan waarnemen (sensing)
3e letter = hoe pacemaker reageert op waargenome ritme (respons)
afkortingen pacemaker gebruikt
O = geen
A = atrium
V = ventrikel
D = atrium + ventrikel
I = inhibited: pace wordt geremd bij eigen activiteit
T = triggered: pace wordt geactveerd bij sensing

VVI-pacemaker
pace’t in de ventrikel → voelt daar ritme en remt (inhaleert) de pace-stimulatie als er een eigen adequaat ritme is
geven sws bij PERMANENTE atriumfibrilleren omdat de atriumactiviteit chaotisch is en geen meerwaarde heeft deze te stimuleren of detecteren
DDD-pacemaker
voelt in atrium of er eigen sinusactiviteit is, bij aanwezigheid doet hij niks, als impuls niet binnen bepaalde tijd in ventrikel aankomt geeft hij alsnog een pacestott in de ventrikel == gecoordineerde atrium-ventrikelcontractie nagestreefd
vaak als nog sinusactiviteit aanwezig is gebruikt
afl. I, II, III, aVF, aVR, aVL registreren aciviteit van
verticale vlak
afl. I, II, III meten de
spanning tussen 2 polen
aVF, aVR, aVL worden hiervan afgeleid
V1 - V6 meet
potentiaal van precordiale elektronen ten opzichte van het gemiddelde van F,L en R-elektrodes
onderwandafleidingen
II, III en aVF → kijken naar onderkant van hart
links lateraaal gelegen afleidingen
V5 - V6
geven prikkelfront van rechterkant naar linkerkant van hart weer als positief
hoog laterale afleidingen
I en aVL
geven prikkelfront van rechts naar links weer als positief
antero septale afleidingen
V1 en V2
prikkelfront naar de voorkant van hart aangeven als positief
anteriore afleidingen
V3 en V4
geven prikkelfront naar de voorkant van het hart, tussen septaal en lateraal in, weer als positief
andere QRS complexen dan normaal
als bepaalde uitslagen heel klein zijn t.o.v. gehele QRS-complex → kleine letter
QRS-complex dat volledig negatief is: QS-complex
R: uitsluitend positief signaal
RsR: positief complex met kleine negatief ‘deukje’
RSR-complex: positief complex waarbij negatief deel onder iso-elektrische lijn uitkomt

stap 1: ritme en regulariteit
regelmatige basislijn geeft weer dat sprake is van sinusritme = normaal ritme
onregelmatige basislijn, met kleine golfjes = indicator voor atriumfibrilleren (willekeurig activeren van AV-knoop)→ hierbij ook geen P top zichtbaar
P-top niet vooraf aan QRS-complex = kan wijzen op AV-blok
stap 2: frequentie
brachycardie < 60 bpm
tachycardie > 100 bpm
totale ECG = 10 sec
aantal QRS-complex * 6 = aantal slagen/min
max sinusfrequentie = 220 - leeftijd
boezemritme bepalen = tellen P-toppen
stap 3: hartas
geeft richting van elektrische activiteit tijdens de activtie van ventriculaire hartspier bekeken in ventricale vlak

stap 4: P-top
is som van prikkelgolf van linker- en rechteratrium
beste beoordeelbaar is afl. II en V1
in V1 → vaak bigamisch (eerst positief, daarna neg)
II = ligt in verlengde van de SA-knoop
afwijkende richting van P-top geeft aan dat elektrisch activiteit niet uit SA-knoop komt, maar elders uit boezem (atria)
vergroting van RA = geeft vergroting van eerste deel van P-top en in afl. II een spitse P-pulmonale
vergroting van LA geeft vergroting van 2e deel van P-top + geeft in afl. II een M-vormige P-top
hyperkaliemie geeft kleine P-top
stap 5: PQ- of PR-interval
PQ-tijd = hetzelfde als PR-interval
is begin van atriumactivteit tot begin van ventrikelactiviteit - normaal 0,12- 0,2s (tijd langer met leeftijd)
langzame/onregelmatige PW-tijd kan wijzen op AV-blok
1e graads AV-blok = erg lange PR-interval
2/3e graads AV-blok = geeft weer dat verschillende P-toppen worden overgeslagen
3e graads AV-blok = erger dan 2e graads → hierbij geen enkele atriale activiteit doorgegeven aan ventrikels → geen vaste PQ-tijd bepalen
kort PR-interval = geleiding vind plaats buiten alleen AV-knoop → deze ectra verbinding geeft geen natuurlijke vertraging = PR-interval veel kleiner worden == Wolff-Parkinson-White syndroom
stap 6: QRS-complex
komt overeen met duur van de ventrikelactivatie → vooral gemeten in afl. V2 of V3
normaal duur: 0,06-0,1s
verbreed: > 120ms
hoogte geeft de voltage weer
hoge voltage kan duiden op een grote hartspiermassa (bv LV hypertrofie (vooral bij magere, jonge mensen)
lage voltage kan duiden op weinig activeerbare hartspiermassa/isolatie (bv longemfyseem/harttamponade)
Q-top is negatief omdat de initiële activatie van de afl. wegloopt
QS- complex kan wijzen op infarct → omdat er alleen activiteit van afleiding af beweegt
R-progressie wisseld van V1-V6
normaalwaarde krijg je op tentamen
S-top is neg, omdat terminale activatie van ventrikel van elektrode af beweegt
stap 7: ST-T segment
is het iso-elektrische moment van het hart → moment waarop er geen potentiaalverschillen in hart zijn
afwijking hierin kan duiden op ischemie of infarct
bij infarct is sprake van naar boven bollend ST-segment, een CONVEX, een STEMI
reciproke ST-depressie komt alleen voor bij acuut myocard infarct:
ST-elevaties in alle afl. geeft een pericarditis (onsteking hartzakje)
horizontale/aflopende ST-depressie = ischemie
oplopende ST-depressie = relatieve subendocardieale ischemie (snelle HR)
ST-elevatie + ST- depressie = acuut infarct (elevaties zijn leidend voor locatie)
stap 8: T-top
T-top vertegenwoordigt de ventrikelrepolaisatie
richting van top is hetzelfde als QRS-complex
afwijkende T-top = afwijkende repolarisatie van hartkamers
kan komen door ischemie (doorgemaakt hartinfarct), metabole afwijking, elektrolytstoornis, verstoring van zuur-base evenwicht, uremie of hersenbloeding/CVA
stap 9: QT-tijd en U-golf
beoordelen van QT-tijd en U-golf
QT-tijd = loopt van begin QRS-complex tot einde van T-top
man gem korter dan bij vrouwen en nemet af bij toenemede hartfrequentie
QTc = QT-tijd gecorrigeerd naar hartfrequentie van 60bpm, zodat er bepaald kan worden of deze tijd normaal is (= formule voor → niet uit hoofd weten)
Qtc normaalwaarden: man - 0,45, vrouw - o,46, praktijk - 0,48 bovengrens
verlengde QTc-tijd kan levensbedreigende ritmestoornissen veroorzaken of plotselinge dood
kan door aangeboren afwijking, medicatie of elektrolytstoornis
U-golf is vaak niet zichtbaar, maar wel bij bradycardie of bepaalde meds
geldt U-golf > T-top = sprake van hypokaliemie