1/90
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
un graphique
een grafiek
un graphique à courbe
een lijngrafiek
une courbe
een curve
une droite
een rechte lijn
l'axe X / axe horizontal
de X-as (2x)
l'axe Y / axe vertical
de Y-as (2x)
un diagramme
een diagram / grafiek
un diagramme circulaire / un camembert / un secteur circulaire
een cirkeldiagram (3x)
un diagramme à barres / un histogramme à barres
een staafdiagram (2x)
une infographie
een infographic
une répartition
een onderverdeling
une classification
een classificatie / indeling
une évolution
een evolutie
montrer (introduction) / illustrer / visualiser / informer sur
tonen / verduidelijken / zichtbaar maken / informeren over
montrer (tendance générale)
aantonen
indiquer / révéler
de aandacht vestigen op (2x)
faire ressortir
iets duidelijk tot uitdrukking brengen / iets onderstrepen
représenter / reprendre
voorstellen / weergeven
constater / remarquer / observer / noter
vaststellen / opmerken / observeren (4x)
une analyse détaillée / un examen approfondi des données - des chiffres - du graphique
een gedetailleerde analyse / grondige analyse van de gegevens - de cijfers - de grafiek
s'apercevoir de qqc / se rendre compte de qqc
zich bewust worden van / iets inzien / iets beseffen (2x)
de plus / en outre
bovendien (2x)
enfin / finalement / pour terminer
ten slotte (3x)
en ce qui concerne X / quant à X
wat betreft X (2x)
pour commencer
om te beginnen
commençons par
laten we beginnen met
tout d'abord
allereerst
ensuite
vervolgens
en conclusion / pour conclure / en résumé
kortom / in één woord (3x)
être de (chiffre) / s'élever à / se situer à / se chiffrer à
bedragen (4x)
atteindre son sommet / son plafond / son point culminant
zijn hoogtepunt / bovengrens / maximum bereiken
être à son niveau record / son maximum
op zijn hoogste niveau/ maximum zijn
atteindre son seuil inférieur / son plancher / son point le plus bas
zijn ondergrens / dieptepunt bereiken (3x)
avoir passé le cap de
de kaap van ... overschreden hebben
avoir dépassé la barre de
de drempel van ... overschrijden hebben
être passé sous la barre de
is onder de drempel van ... gegaan
franchir le seuil de
de grens van ... bereiken/ overschrijden
une hausse
een stijging
une petite amélioration
een kleine verbetering
une ferme amélioration
een grote verbetering
s'améliorer
verbeteren
une reprise assez faible
een vrij zwak herstel
une reprise spectaculaire
een spectaculair herstel
connaître une reprise
een herstel kennen
une faible augmentation
een kleine / lichte stijging/ toename
une hausse à peine perceptible / une montée légère
een nauwelijks waarneembare stijging
une forte augmentation
een sterke stijging/ toename
augmenter / enregistrer une augmentation
stijgen / toenemen
une mince progression
een kleine vooruitgang
une progression sensible / une nette progression
een voelbare / duidelijke vooruitgang
progresser
vooruitgaan / vorderen
une croissance rapide
een snelle groei
connaître une croissance rapide
een snelle groei kennen
un net redressement
een duidelijk herstel
une baisse
een daling
une baisse très légère
een zeer lichte daling
une baisse constante
een voortdurende daling
un ralentissement
een vertraging
se ralentir
vertragen
une diminution assez faible
een vrij lichte daling
diminuer légèrement
licht dalen
une forte diminution
een sterke daling
un recul important
een belangrijke achteruitgang
reculer
achteruitgaan
une chute (vertigineuse)
een (duizelingwekkende) daling
chuter
dalen
un effondrement
een sterke daling / keldering
s'effondrer
sterk dalen / kelderen
une dégradation,
een verslechtering
doubler
verdubbelen
tripler
verdrievoudigen
quadrupler
verviervoudigen
une fluctuation
een schommeling
une stabilité / un maintien / une stagnation
een stabiliteit / instandhouding / stilstand
fluctuer / connaître des fluctuations
schommelen (2x)
osciller entre ... et ...
schommelen tussen ... en ...
varier de ... à ...
variëren van ... tot ...
se stabiliser / se maintenir / stagner / rester stable / inchangé / stationnaire / ne pas bouger
stabiliseren / standhouden / stagneren / stabiel blijven / niet veranderen
être dû à
te wijten zijn aan
s'expliquer par/ trouver son explication, zich verklaren door
uitgelegd kunnen worden door (2x)
résulter de
het resultaat zijn van
provenir de
voortkomen uit
suite à
naar aanleiding van
à cause de
door / omwille van
grâce à
dankzij
causer / provoquer
veroorzaken (2x)
entraîner
met zich meebrengen
avoir pour conséquence / effet
als gevolg / effect hebben
être à l'origine de
aan de basis liggen van
un taux d'intérêt
een interestvoet
un dividende
een winstaandeel