1/234
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Zuivere stoffen
Stoffen die uit één soort stof bestaan. Voorbeeld: koper, zuurstofgas, ethanol.
Mengsels
Bestaan uit meerdere zuivere stoffen. Voorbeeld: staal, limonade.
Bestanddelen
De verschillende stoffen waaruit een mengsel bestaat.
Stofeigenschap
Een eigenschap die typisch is voor een zuivere stof.
Kookpunt
De temperatuur waarbij een zuivere stof kookt.
Smeltpunt
De temperatuur waarbij een zuivere stof smelt.
Stolpunt
De temperatuur waarbij een zuivere stof stolt.
Massadichtheid (ρ)
De verhouding tussen de massa en het volume van een stof.
H-zinnen
Geven de gevaren van een stof aan.
P-zinnen
Geven veiligheidsaanbevelingen voor het gebruik van een stof.
Heterogeen mengsel
Een mengsel waarbij je de verschillende bestanddelen kunt onderscheiden.
Homogeen mengsel
Een mengsel waarbij je de verschillende bestanddelen niet kunt onderscheiden.
Gevarensymbool
Een pictogram dat de gevaren van een stof weergeeft.
Aggregatietoestand
De toestand waarin een stof voorkomt: vast, vloeibaar of gas.
Scheidingstechniek
Een methode om bestanddelen van een mengsel van elkaar te scheiden.
Zeven
Scheidingstechniek op basis van deeltjesgrootte.
Decanteren
Scheidingstechniek op basis van verschil in massadichtheid.
Filteren
Scheidingstechniek op basis van deeltjesgrootte bij een suspensie.
Centrifugeren
Scheidingstechniek waarbij een suspensie of emulsie sneller wordt gescheiden door verschil in massadichtheid.
Uitdampen
Scheidingstechniek waarbij een opgeloste vaste stof wordt gescheiden van een vloeistof door verschil in verdampingssnelheid.
Destilleren
Scheidingstechniek waarbij stoffen worden gescheiden op basis van verschil in kookpunt.
Extraheren
Scheidingstechniek waarbij een stof wordt opgelost in een geschikt oplosmiddel.
Adsorberen
Scheidingstechniek waarbij een stof wordt vastgehouden aan het oppervlak van een andere stof.
Grof mengsel
Heterogeen mengsel van vaste stoffen.
Suspensie
Heterogeen mengsel van een vaste stof in een vloeistof.
Emulsie
Heterogeen mengsel van twee vloeistoffen.
Rook (aerosol)
Heterogeen mengsel van vaste stof en gas.
Nevel (aerosol)
Heterogeen mengsel van vloeistof en gas.
Schuim
Heterogeen mengsel van gas in een vloeistof.
Oplossing
Homogeen mengsel waarbij een stof opgelost is in een andere stof.
Legering
Homogeen mengsel van twee of meer metalen.
Gasmengsel
Homogeen mengsel van verschillende gassen.
Atoom
Bestaat uit een positieve kern met een negatieve elektronenmantel.
Elektronen
Negatief geladen deeltjes die rond de kern bewegen.
Protonen
Positief geladen deeltjes in de kern.
Neutronen
Neutraal geladen deeltjes in de kern.
Nucleonen
Verzamelnaam voor protonen en neutronen.
Elementaire deeltjes
Protonen, neutronen en elektronen.
Elektronenschillen
Energieniveaus waarop elektronen zich bevinden.
Elektronenconfiguratie
De verdeling van elektronen over de schillen.
Valentie-elektronen
De elektronen op de buitenste schil.
Schillenmodel
Schematische voorstelling van een atoom.
Elektronenpaar
Twee elektronen die samen voorkomen op een schil.
Chemisch element
Een atoomsoort met een eigen symbool.
Massagetal
Aantal protonen + neutronen.
Atoomnummer
Aantal protonen.
Symbool van een element
Bestaat uit een hoofdletter en soms een kleine letter.
PSE
Periodiek Systeem der Elementen.
Periode
Een horizontale rij in de PSE die het aantal schillen aangeeft.
Groep
Een verticale kolom in de PSE die het aantal valentie-elektronen aangeeft.
Metalen
Elementen die meestal goed warmte en elektriciteit geleiden.
Niet-metalen
Elementen die meestal geen goede geleiders zijn.
Edelgassen
Elementen die bijna niet reageren met andere stoffen.
Index
Getal dat aangeeft hoeveel atomen van een element in een formule voorkomen.
Coëfficiënt
Getal vóór een formule dat het aantal moleculen aangeeft.
Potentiële energie
Energie door zwaartekracht of veerkracht.
Kinetische energie
Energie van een bewegend voorwerp.
Thermische energie
Energie die aanwezig is als warmte.
Stralingsenergie
Energie afkomstig van een stralingsbron.
Elektrische energie
Energie die aanwezig is in elektriciteit.
Chemische energie
Energie opgeslagen in chemische stoffen.
Kernenergie
Energie die vrijkomt bij kernsplijting.
Wet van behoud van energie
Energie kan niet verdwijnen of ontstaan, enkel omgezet worden.
Energiebalans
Inputenergie is gelijk aan outputenergie.
Symbool van energie
E.
SI-eenheid van energie
Joule (J).
Energiedissipatie
Wanneer een deel van de energie als warmte verloren gaat aan de omgeving.
Rendement
Het deel van de energie dat nuttig wordt gebruikt.
Open systeem
Een systeem waarbij warmte kan verdwijnen.
Geïsoleerd systeem
Een systeem waarbij geen warmte kan verdwijnen.
Vermogen
De hoeveelheid energie die per tijdseenheid wordt omgezet.
Homeostase
Het in evenwicht houden van belangrijke lichaamswaarden.
Positief feedbacksysteem
Een regeling die een verandering versterkt totdat ze stopt.
Negatief feedbacksysteem
Een regeling die een verandering tegenwerkt.
Lichaamstemperatuur
De stabiele temperatuur van het lichaam.
Hormonen
Chemische boodschappers die via het bloed informatie doorgeven.
Temperatuurcentrum
De plaats in de hersenen die de lichaamstemperatuur regelt.
Bloedsuikergehalte
De hoeveelheid glucose in het bloed.
Insuline
Hormoon dat het bloedsuikergehalte verlaagt.
Glucagon
Hormoon dat het bloedsuikergehalte verhoogt.
Regeling bloedsuiker
Een negatief feedbacksysteem.
Regeling lichaamstemperatuur
Een negatief feedbacksysteem.
Primaire geslachtskenmerken
Kenmerken die al aanwezig zijn bij de geboorte.
Secundaire geslachtskenmerken
Kenmerken die ontstaan tijdens de puberteit.
Hypofyse
Hormoonklier in de hersenen die FSH en LH produceert.
FSH
Hormoon dat de teelballen stimuleert om zaadcellen te maken.
LH
Hormoon dat de teelballen stimuleert om testosteron te produceren.
Eierstok
Orgaan waarin eicellen rijpen.
Follikel
Blaasje waarin een eicel rijpt.
Irriterend
Kan huid-, oog- of luchtwegirritatie veroorzaken.
Giftig
Kan ernstig schadelijk of dodelijk zijn.
Bijtend
Kan huid, ogen en materialen aantasten.
Ontvlambaar
Kan gemakkelijk in brand vliegen.
Brandbevorderend
Versterkt of bevordert brand.
Explosief
Kan ontploffen door warmte, schokken of vuur.
Milieugevaarlijk
Schadelijk voor het milieu, vooral voor waterorganismen.
Gassen onder druk
Bevat gas onder hoge druk.
Schadelijk voor de gezondheid
Kan ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken, zoals kanker of orgaanschade.
Aluminium
Al
Argon
Ar