T3 stofwisseling in de cel

0.0(0)
Studied by 2 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/52

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Begrippen thema 3

Last updated 2:51 PM on 10/31/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

53 Terms

1
New cards
stofwisseling / metabolisme
het geheel aan chemische processen in de cel en een organisme
2
New cards
assimilatie
opbouwen van kleine naar grote moleculen waarbij energie wordt verbruikt
3
New cards
dissimilatie
afbreken van grote naar kleine moleculen waarbij energie vrijkomt
4
New cards
koolstofassimilatie / fotosynthese
vorming van glucose uit koolstofdioxide, water en licht door autotrofe organismen (planten)
5
New cards
voortgezette assimilatie
ontstaan van grote organische moleculen met energierijke bindingen door glucose (koolhydraten, eiwitten, vetten en DNA)
6
New cards
ATP (adenosinetrifosfaat)
stof die zorgt voor de transport van chemische energie. Bevat fosfaatgroepen met energierijke bindingen
7
New cards
ADP (adenosinedifosfaat)
stof waarbij veel energie vrijkomt die wordt gebruikt voor processen in de cel
8
New cards

fosforylering

reactie met fotosynthese of verbranding van glucose waar energie vrij komt om ATP te maken

9
New cards
enzymen
eiwitten die chemische omzettingsprocessen mogelijk maken/ versnellen. eindigt op -ase
10
New cards
actieve centrum
deel van enzum molecuul waar de reactie plaatsvindt
11
New cards
substraat
de stof waar een enzym op werkt en aanpast
12
New cards
reactieproduct
stof die ontstaat na de reactie, resultaat van het enzym
13
New cards
substraatspecifiek
elk enzym heeft een unieke vorm en werkt maar op één specifieke stof
14
New cards
co-enzym
een ander molecuul die nodig is voor de goede werking van enzymen, bv ATP, vitaminen
15
New cards
energiedrempel
de minimale hoeveelheid energie die nodig is voor een reactie, in de cel ligt deze hoog.
16
New cards
activeringsenergie
de energie die wordt gebruikt voor om een reactie op gang te brengen
17
New cards
reactie-energie
energie die vrijkomt bij een reactie
18
New cards
enzymactiviteit
de mate waarin enzymen reacties versnellen
19
New cards
denaturatie
de vorm van enzymen veranderen en passen niet op het substraat waardoor enzymen hun werking verliezen, bv hoge temperatuur of ph-waarde
20
New cards
activatorstoffen
de vorm van een enzym wordt zodanig aangepast zodat er sneller ES-complexen gevormd kunnen worden, bv hormonen en vitaminen
21
New cards
remstoffen
de vorm wordt aangepast zodat er **geen** ES-complexen gevormd kunnen worden, bv lood
22
New cards

chlorofyl / bladgroen

aanwezig in planten, algen en cyanobacteriën in chloroplasten. Hiermee wordt energie uit licht geabsorbeerd

23
New cards

lichtreacties

stralingsenergie wordt omgezet in chemische energie voor de productie van glucose

24
New cards

donkerreacties

glucose wordt gevormd met koolstofdioxide, NADPH⁺ en ATP, deze vindt direct plaats na de lichtreacties

25
New cards

stof - NADP⁺

een elektronenacceptor, bevat weinig energie

26
New cards

stof - NADPH,H⁺

een elektronendrager, bevat veel energie en geeft elektronen door aan donkerreacties

27
New cards

fotofosforylering

de vorming van ATP met behulp van lichtenergie

28
New cards

chemosynthese

uit chemo-autotrofebacteriën met behulp van chemische energie glucose vormen

29
New cards

oxidatie

vebranden, lostrekken van elektronen. Hier komt energie vrij

30
New cards

voortgezette assimilatie

de vorming van koolhydraten, vetten, eiwitten en DNA uit glucose met als energiebron ATP

31
New cards

koolhydraten / sachariden

suikers opgebouwd uit koolstofketens, water- en zuurstofatomen. Ze hebben een functie als bouwstof en reserve brandstoffen

32
New cards

hydrolyse

splitsen met water van grote moleculen, er komt energie vrij

33
New cards

polymerisatie

de vorming van lange ketens van soortgelijke kleine koolstofverbindingen

34
New cards

amylose / zetmeel

bestaande uit een polymeer van glucose en geproduceerd door planten als reservebrandstof

35
New cards

glycogeen

polymeer van glucose geproduceerd door dieren in de lever en speiren, dient als reservebrandstof

36
New cards

eiwitten / proteïnen

polymeren van aminozuren

37
New cards

essentiële aminozuren

aminozuren die dieren niet zelf kunnen maken en opnemen uit voedsel

38
New cards

peptide binding

binding tussen aminozuren

39
New cards

vetten / lipiden

functie als bouwstof in membranen en reservebrandstof

40
New cards

verzadigd

vetzuurmoleculen onderling enkelvoudig verbonden →vetten

41
New cards

onverzadigd

vetzuurmoleculen hebben onderling meer dan één binding → oliën

42
New cards

lipase

enzym die lipide splitst tot glycerol en 3 vetzuren

43
New cards

vetzuur

bevat 18 C-atomen en 108 ATP-moleculen

44
New cards

hydrofiel

aantrekkend voor water

45
New cards

hydrofoob

afstotend voor water

46
New cards

glycolyse

in het cytoplasma wordt glucose gesplitst tot pyrodruivenzuur met als winst 2 ATP en 2 NADH⁺

47
New cards

geactiveerde glucose

glucose die chemische energie bevat

48
New cards

citroenzuurcyclus

in de mitochondriën wordt citroenzuur afgebroken met als doel decarboxylering

49
New cards

decarboxylering

ontstaan van CO2, deze verlaat het lichaam via de longen

50
New cards

oxidatieve fosforylering

met behulp van NADH en FADH wordt met zuurstof ATP geproduceerd

51
New cards

fermentatie/gisting

anaerobe dissimilatie, vorming van ATP zonder zuurstof

52
New cards

dissimilatie van eiwitten

1 eiwitten worden omgezet tot aminozuren

2 aminozuren tot ammoniak

3 overige stof wordt gebruikt voor productie pyrodruivenzuur voor citroenzuurcyclus

53
New cards

dissimilatie van vetten

1 vetten worden omgezet tot glycerol en 3 vetzuren

2 glycerol wordt gebruikt voor productie van pyrodruivenzuur

3 pyrodruivenzuur brengt citroenzuurcyclus op gang