1/48
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
C.P. Snow
Brits schrijver en wetenschapper
The Two Cultures and the Scientific Revolution (1959)
“Two Cultures” = Kloof tussen geesteswetenschappen en wetenschappers → pleitte voor brug tussen domeinen
Beide domeinen begrepen/waardeerden elkaar onvoldoende
( meer samenwerking en communicatie tussen beide domeinen)
Wetenschappelijke revolutie
Late 16e en 17e eeuw
Emancipatie van de natuurwetenschappen → worden zelfstandiger van filosofie en theologie
Specialisatie → wetenschappers richten zich steeds meer op één specifiek vakgebied
(Tegenover generalisten → mensen die meerdere domeinen/kennisgebieden combineren)
Sleuteljaar 1543
Nicolaas Copernicus → verwerpt geocentrisme (aarde als centrum) → stelt heliocentrisme voor (zon als centrum)
= Johannes Kepler → bevestigt/onderbouwt het heliocentrische model met zijn planeetwetten
→ geeft een impuls aan fysica en wiskunde, o.a. bij Isaac Newton
Andreas Vesalius → legt de grondslagen van de moderne anatomie door systematisch menselijk lichaam te bestuderen
Francis Bacon
Novum Organum Scientiarum (1620) → breuk met Aristoteles (verwerpt idee van kennis vooral uit logisch redeneren & bestaande autoriteiten)
Nieuwe wereld → nieuwe kennis: verkenning van de natuur leidt tot nieuwe inzichten
Zondeval → mens verloor heerschappij over de natuur → via kennis kan hij die terugwinnen
Empirisme → kennis door zorgvuldige zintuiglijke waarneming van de natuur
Kritiek op a priori-ideeën → niet zomaar uitgaan van vooraf bedachte ideeën
Argwaan tegenover taal → taal kan het denken misleiden en kennis vertroebelen
Verlichting
18de eeuw
Geloof in menselijke weten en handelen (<> god, traditie)
Moderne mens: autonoom denkend en handelend wezen dat wereld en natuur ongelimiteerd kan exploreren & veroveren
“Durf te weten” (Kant) → dogma’s in twijfel trekken, emancipatie
Industriële revolutie
Vooral 19e eeuw
→ sterke ontwikkeling van machines, fabrieken en massaproductie
Eerste Wereldtentoonstelling (1851) → toont technologische en industriële vooruitgang
Charles Darwin → On the Origin of Species (1859) → evolutietheorie door natuurlijke selectie
Romantiek
Vanaf eind 18e eeuw
→ artistieke én maatschappelijke, filosofische en politieke beweging (artistieke poëtica)
Tegenreactie op de Verlichting en industrialisering → kritiek op rationalisme en de gevolgen van industrialisering
Rede ↔ verbeelding → emotie, intuïtie en creativiteit worden belangrijk
Waarschuwing voor ontmenselijking, vernietiging van natuur en verlies van gemeenschappen
Kritiek op universalisme van de Verlichting → aandacht voor culturele diversiteit en eigen tradities
Belang van het verleden → nostalgie, geschiedenis en bezinning
→ Kort: de romantiek benadrukt gevoel, verbeelding, natuur en het unieke tegenover de nadruk op rede en vooruitgang van de Verlichting.
Dystopie
romans spelen in op:
angst voor techniek en doorgeslagen wetenschap
Angst voor onderdrukking individu door opgelegde uniformiteit, mechanisering, automatisering
Angst voor verdwijnen natuur En cultuur
→ Voorbeelden: Brave New World (Aldous Huxley), 1984 (George Orwell)
→ Thema’s: controle, vrijheid, technologie, individualiteit en ontmenselijking.
Samenvatting verhouding tussen wetenschap en culturele verbeelding
Vanaf de vroegmoderne tijd groeien exacte en humane wetenschappen uit elkaar.
Wetenschap krijgt steeds meer zelfvertrouwen door haar successen.
Culturele verbeelding ontwikkelt juist wantrouwen tegenover het succesverhaal van de moderne wetenschap.
Exacte wetenschappen
wetenschappen die Werken met principes van verifieerbaarheid en falsificatie → theorieën moeten toetsbaar zijn en eventueel weerlegd kunnen worden.
Zoeken naar algemene natuurwetten die onafhankelijk zijn van tijd en ruimte.
Strikte scheiding tussen het bestudeerde object en de observator.
Kennisaccumulatie → nieuwe kennis bouwt voort op eerder verkregen kennis.
Wilhelm Dilthey
Beïnvloed door de romantiek
Wil een theoretische basis voor de geesteswetenschappen ontwikkelen
Scheiding tussen onderzoeksobject en onderzoeker minder strikt → onderzoeker is zelf onderdeel van de menselijke/culturele wereld
Historische en culturele context beïnvloedt hoe we iets begrijpen
Geesteswetenschappen = gericht op begrijpen (≠ verklaren zoals in de exacte wetenschappen)
→ Hermeneutiek = studie van interpretatie en betekenis, belangrijk voor literatuurwetenschap.
Literatuurwetenschap
Wetenschappelijke studie van literatuur en literaire teksten
Onderzoekt hoe literatuur betekenis krijgt
falsifieerbaarheid weinig belang (moeilijk objectief te bewijzen)
Kennisaccumulatie beperkt (interpretatie)
Objectsafbakening problematisch (onduidelijk wat te onderzoeken?)
paradigma
(concept Thomas Kuhn)
Geheel van concepten, methodes en toepassingen die door een groep wetenschappers op een bepaald ogenblik gedeeld wordt
→ soort gemeenschappelijk denkkader binnen de wetenschap.
Plato
Politeia (ca. 380 v.C.) → filosofisch werk
Ideeënleer → de waarneembare wereld is slechts een onvolmaakte kopie van de ware, eeuwige ideeënwereld.
De concrete wereld is veranderlijk en vergankelijk (eeuwig) ; de ideeënwereld is perfect en onvergankelijk → metafysica.
Allegorie van de grot → Mensen zien in een grot alleen schaduwen en denken dat dit de werkelijkheid is, één wordt bevrijd en ontdekt buiten de grot de ware werkelijkheid.
→ Grot = zintuiglijke wereld, schaduwen = schijnkennis, buiten = ideeënwereld/ware kennis
Anamnese → het filosofisch herinneren/herontdekken van de ideeënwereld, o.a. via dialoog met een filosoof.
Hypomnese → kunstmatige herinnering die juist tot verwarring en schijnkennis kan leiden.
Aristoteles
‘Vader van literatuurwetenschap’
Literaire fictie biedt universeel-menselijk inzicht
Naleven van regels: goede literatuur volgt bepaalde regels/principes
Essentie ligt in waarneembare werkelijkheid zelf
Mimese is positief en natuurlijk, (door de werkelijkheid na te bootsen) kan essentie helpen reveleren
Poëtica
(ca. 355 v.C.) (Aristoteles)
Handboek voor dichters
Structuur:
objectafbakening: literatuur = mimesis en essentie
Oorsprong dichtkunst: natuurlijk instinct, imiteren om te leren
Hiërarchie van genres, op 1= tragedie, genres niet mengen
Praxis
Verhaal = opeenvolging van gebeurtenissen.
Vaak een lange, episodische reeks gebeurtenissen die willekeurig lijkt.
Post hoc = “daarna, en daarna…” → gebeurtenissen volgen elkaar chronologisch op, zonder duidelijke oorzaak-gevolgrelatie.
DUS = wat er gebeurt.
Mythos
Plot = verhaal wordt door een artistiek proces van mimesis vormgegeven.
Gebeurtenissen = meer eenheid, orde en evenwicht.
Representatiever en logischer → gebeurtenissen hangen betekenisvol met elkaar samen.
Propter hoc = “en daarom…” → oorzaak-gevolgrelaties tussen gebeurtenissen.
→ Mythos = hoe het verhaal wordt georganiseerd.
tragedie - personages
Personages moeten goed / deugdzaam zijn → we kunnen medelijden met hen voelen.
Gedrag past bij hun sociale positie.
Gedrag is consistent → personage handelt volgens een herkenbaar karakter.
Personages lijken op echte mensen → publiek kan identificeren en angst voelen.
→ Deze combinatie van medelijden en angst draagt bij aan de catharsis.
Tragedie - plot
moet samenhangende eenheid vormen, tijd & ruimte (etmaal)
→ Structuur (begin - midden - slot) (Causaliteit)
Omgekeerde V: verwikkeling, climax, afwikkeling
Typische wendingen:
Hamartia: fout van protagonist (ondergang inluidt)
Peripeteia: plotselinge ommekeer
Anagnorisis: moment van herkenning/inzicht
Katastrofe: ondergang held (angst medeleven)
Geen deus-ex-machina
Doel: katharsis: dieper inzicht en berusting bij toeschouwer
Plato vs Aristoteles
Ideeënwereld staat boven de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid.
Verwerpt mimesis → kunst is slechts een kopie van een kopie.
Kunst kan ons daardoor van de ware kennis afleiden
Essentie ligt in de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid zelf.
Mimesis positief & natuurlijk → nabootsen helpt de werkelijkheid te begrijpen.
Kunst kan zo inzicht in de werkelijkheid bieden.
Sigmund Freud
Ontwikkelde de psychoanalyse → nadruk op het onbewuste en verborgen drijfveren van de mens.
Es (id) → reservoir van impulsen/driften → lustprincipe: onmiddellijke bevrediging.
Ich (ego) → probeert driften te controleren en realistisch te handelen → realiteitsprincipe.
Über-ich (superego) → geïnternaliseerde maatschappelijke normen en moraal → geweten.
Balans → het Ich probeert Es en Über-ich met elkaar te verzoenen.
Afweermechanismen beschermen het Ich tegen innerlijke conflicten, bv. verdringing, projectie en sublimatie.
Horatius
invloed Aristoteles
dichten is gave, maar je kan het leren met discipline
Leren = regels kennen en naleven
Personages handelen overeenkomst afkomst/status
Realistische wendingen: geloofwaardig & herkenbaarheid
Utile dulce: poëzie moet lering en vermaak combineren,(= nuttige + aangename)
decorum: alles moet gepast en passend zijn (stijl, personage, situatie); kunstenaar heeft ook een morele verantwoordelijkheid.
Pseudo-Longinus
Over het sublieme (1e eeuw, vermoedelijk) → tekst over wat literatuur indrukwekkend en verheven maakt.
Aansluiting bij Aristoteles → zoekt naar regels en principes voor goede literatuur.
Sublieme → literatuur kan de lezer overweldigen en sterk emotioneel raken, en hoeft dus niet alleen aan regels te voldoen.
→ Opent een nieuwe kijk op literatuur; het idee van het sublieme wordt later herontdekt in het Franse classicisme en sluit aan bij de romantiek.
Middeleeuws onderwijs
Klassieke traditie + christelijk denken → klassieke kennis wordt behouden en vanuit het christendom geïnterpreteerd.
“Dwergen op de schouders van reuzen” → voortbouwen op de kennis van grote geleerden uit het verleden.
Latijn → belangrijkste taal van onderwijs, wetenschap en literatuur.
artes liberales
“Vrije kunsten” → wetenschappen/leerdomeinen, niet alleen kunst; bedoeld voor de vrije man.
Trivium (“drievoudige weg”) → taal en redeneren:
Grammatica → taal & literaire analyse
Retorica → overtuigend spreken/schrijven, bv. toespraken en brieven
Dialectica → logisch redeneren en argumenteren
Quadrivium (“viervoudige weg”) → exacte/wiskundige vakken:
Arithmetica → rekenen
Geometria → meetkunde
Musica → muziekleer
Astronomia → sterrenkunde
Poetria nova
Van Geoffrey van Vinsauf (ca. 1200–1215)
Handleiding/retorisch handboek voor het schrijven van teksten
Gericht op literaire techniek en het aanleren van regels
Mimesisgedachte → bestaande werkelijkheid/voorbeelden worden nagebootst
Geen originaliteit → schrijvers moeten vooral bestaande modellen volgen; originaliteit zit hoogstens in details en uitwerking.
oudste Middelnederlandse poëtica
Ca. 1330, van Jan van Boendale
Der Leken Spieghel → didactisch werk/encyclopedie voor leken (niet-geestelijken)
Bevat o.a. richtlijnen over literatuur en het schrijven van teksten
Middeleeuwse receptie Aristoteles’ Poëtica
”ad fontes” (naar de bronnen)

Renaissance- literatuuropvatting
Translatio → klassieke teksten vertalen.
Imitatio → klassieken creatief nabootsen en bewerken.
Aemulatio → de klassieken proberen te overtreffen, maar binnen de voorgeschreven regels/grenzen.
→ Van nabootsen (imitatio) naar overtreffen (aemulatio) → meer ruimte voor eigen creativiteit.
Over het sublieme
Pseudo-Longinus
Onderzoekt relatie literaire voorschriften en literaire grootheid
“Foutloos wordt niet bekritiseerd, maar grootheid wordt bewondert”
Lit niet alleen volgen van regels, nog een ondefinieerbaar extra,
Sublieme = “de echo van een grote ziel”
Tekst bevat aanzet voor nieuwe kijk op lit, niet langer representatie Van werkelijkheid (mimese) maar de uitdrukking van een artistiek begiftigd persoon (expressie)
overweldigende impact (<> decorum Aristoteles & Horatius)
Sublieme kan tegenstrijdigheden verenigen (<> Horatius)
Sublieme gaat tijd en ruimte te boven, universele weerklank
Classicisme
17e–18e eeuw → hernieuwde belangstelling voor het sublieme.
Griekse en Romeinse kunst/literatuur = maatgevend ideaal en bron van inspiratie.
Formeel → nadruk op harmonie, orde, symmetrie, evenwicht, proportionaliteit en helderheid; grilligheid en overdreven emoties worden afgewezen.
Thematisch → mythologie en geschiedenis van de klassieke oudheid.
Imitatio & aemulatio → kunstenaars navolgen en proberen te overtreffen van klassieke voorbeelden.
Mimesisleer → literatuur volgt een geheel van regels zodat het publiek de bekende normen en waarden herkent.
Decorum → bienséances → regels van welvoeglijkheid; morele en ethische conventies mogen niet worden doorbroken.
Mimesis + idealisering → werkelijkheid wordt nagebootst, maar mooier/perfecter voorgesteld.
Barok
tussen Renaissance en classicisme
Artistiek project van de Contrareformatie → kunst moest het geloof versterken en emoties aanspreken.
Exuberant → uitbundig, weelderig en dramatisch; sterke emoties en veel versiering.
Nicolas Boileau
Franse classicisme.
Art poétique (1674) → gedicht over de fundamentele regels voor schrijven en dichten.
Vertaalde Over het sublieme van Pseudo-Longinus.
→ Combineert regels en orde met ruimte voor inspiratie en dichterlijke vrijheid.
herintroductie sublieme ongewenste effecten
Relativering van regels en voorschriften → formele regels worden minder belangrijk.
Verlangen naar originaliteit → kunstenaar mag zich onderscheiden.
Verschuiving van mimetische functie (nabootsing van werkelijkheid) → expressieve functie (uitdrukking van de kunstenaar).
→ Bereidt de weg voor naar de romantiek en een nieuwe visie op kunst en literatuur.
Romantiek
Sublieme = het hoogste wat literatuur/kunst kan bereiken → overweldigende ervaring die verder gaat dan gewone schoonheid.
Edmund Burke → het sublieme ontstaat door gevoelens van angst, ontzag en overweldiging.
Immanuel Kant → het sublieme ontstaat wanneer iets oneindig/groots onze verbeelding overstijgt, maar onze rede ons toch in staat stelt het te bevatten.
Edmund Burke
Iers-Britse denker en politicus (1729–1797); criticus van de Franse Revolutie en grondlegger van het conservatisme.
A Philosophical Enquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and Beautiful.
Schoonheid ligt niet in het object zelf, maar in de ervaring van het subject → hoe iets wordt ervaren.
Via zintuigen krijgen mensen in principe dezelfde indrukken.
(schoonheid vs het sublieme)
Twee mentale processen:
Verbeelding → waarnemingen hergroeperen en samenbrengen (intuïtief).
Oordeelsvermogen → indrukken analyseren en beoordelen (bewust/kritisch).
Ontologie
Zijnsleer → onderzoekt wat iets in wezen is.
In literatuurwetenschap → wat is het ‘zijn’ van literatuur?
Plato & Aristoteles → literatuur als representatie/nabootsing (mimesis).
→ Onderzoeken de essentie van het literaire object zelf.
Epistemologie
Studie van het weten en kennis → hoe verwerven we kennis en wat kunnen we weten?
Behandelt kennis en waarneming.
Edmund Burke → empirist → kennis wordt verworven via zintuiglijke waarneming.
Schoonheid vs sublieme (Burke)
Schoonheid =
Ervaring van tederheid en affectie → wekt liefde op.
Harmonieus, klein, glad, regelmatig, helder/zachte kleuren.
→ Past bij het classicisme: orde, regelmaat en harmonie.
Het sublieme =
Wekt verbijstering (astonishment) en verschrikking (terror) op.
Niet aan regels gebonden → grillig, overweldigend en meeslepend.
Pijn, lijden en rampen op veilige afstand → tegelijk genot en verschrikking.
Kenmerken: duisternis/licht, macht/machteloosheid, oneindigheid, ontbering, plotselinge verandering.
→ Tegenover het decorum van de Aristotelische traditie.
Immanuel Kant
Derde generatie Verlichtingsfilosofen.
Wat is Verlichting? (1784) → Verlichting = het afleggen van onmondigheid → zelf je eigen verstand gebruiken.
“Sapere aude!” = “Durf te denken!” → denk zelfstandig en kritisch.
Eerste kritiek van Kant
Kritik der reinen Vernunft (1781) → “Kritiek van de zuivere rede”
Centrale vraag: “Wat kan ik weten?”
Probeert rationalisme en empirisme te verzoenen → kennis ontstaat uit a priori (vooraf gegeven) én a posteriori (uit ervaring).
Ding-an-sich → de werkelijkheid zoals die onafhankelijk van ons bestaat.
Ding-für-mich → werkelijkheid zoals ze door ons subject wordt waargenomen/verwerkt → de fenomenale werkelijkheid.
Die waarneming is intersubjectief geldig → mensen verwerken de werkelijkheid volgens gedeelde a priori-structuren (bv. tijd, ruimte, causaliteit).
Tweede kritiek van Kant
Kritik der praktischen Vernunft (1788)→ “Kritiek van de praktische rede”.
Gaat over ethiek → wat is moreel goed?
Nuttige ≠ zuiver goede → iets kan nuttig zijn zonder moreel goed te zijn; zuiver goed = zonder bijbedoelingen.
Categorische imperatief → iets is moreel goed als je de regel van je handelen voor iedereen zou kunnen veralgemenen.
→ Rede bepaalt dus of een handeling moreel juist is.
Derde kritiek van Kant
Kritik der Urteilskraft (1790) → “Kritiek van het oordeelsvermogen”.
Gaat over esthetische ervaring en het oordeel over schoonheid en het sublieme.
Aangename → zintuiglijk genot; iets wat prettig voelt, maar daarom niet goed of mooi is.
Schone → “belangeloos welbehagen” → je ervaart iets als mooi zonder er persoonlijk nut bij te hebben; geen begrip nodig.
Sublieme → overtreft het schone; iets groots/overweldigends waardoor je je eigen nietigheid ervaart, maar ook beseft dat je deel bent van iets groters.
→ Het sublieme overstijgt de gewone intersubjectieve ervaring en geeft een gevoel van contact met een werkelijkheid die groter is dan wat we kunnen bevatten.
Zuiver smaakoordeel
Onpartijdig → je beoordeelt iets mooi zonder dat het persoonlijk voordeel of nut oplevert.
Niet gebaseerd op zintuiglijke bevrediging → “lekker/prettig” is niet hetzelfde als “mooi”.
verwachten we dat anderen het ook zo moeten vinden → algemene geldigheid.
Artistieke genie
Romantiek → kunstenaar met uitzonderlijk creatief talent.
Kan iets voortbrengen waarvoor geen bestaande regels bestaan.
→ Nadruk op originaliteit en het onverklaarbare van artistieke creativiteit.
kunst wordt seculaire religie
kunst krijgt een bijna heilige status.
Auteur/kunstenaar = profeet of god → bezit bijzondere creatieve/inspirerende kracht.
Sublieme → biedt toegang tot bovenzinnelijke werkelijkheid die boven de gewone ervaring uitstijgt.
(tegenover Plato → kunstenaar is juist een charlatan die ons van de waarheid afleidt.)
emancipatie van kunst
Losser worden van de band tussen esthetiek en moraal → kunst hoeft niet per se een morele boodschap te hebben.
Kunst wordt autonomer → minder afhankelijk van politiek, religie en morele regels.
→ Kunst omwille van de kunst wordt mogelijk.
Impact romantiek
Originaliteit wordt een belangrijke maatstaf voor kunst.
Kunstenaar = genie → bezit bijzondere, moeilijk verklaarbare creativiteit.
Analyse kan het esthetische plezier verstoren → kunst moet vooral ervaren worden. (nog niet zo bij Kant en Burke)
Kunstenaar moet vrij zijn → niet gebonden aan vaste regels of maatschappelijke voorschriften.