ALW LES 1-5

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/48

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 10:17 AM on 8/30/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

49 Terms

1
New cards

C.P. Snow

  • Brits schrijver en wetenschapper

  • The Two Cultures and the Scientific Revolution (1959)

  • “Two Cultures” = Kloof tussen geesteswetenschappen en wetenschappers → pleitte voor brug tussen domeinen

  • Beide domeinen begrepen/waardeerden elkaar onvoldoende
    ( meer samenwerking en communicatie tussen beide domeinen)


2
New cards

Wetenschappelijke revolutie

Late 16e en 17e eeuw

  • Emancipatie van de natuurwetenschappen → worden zelfstandiger van filosofie en theologie

  • Specialisatie → wetenschappers richten zich steeds meer op één specifiek vakgebied

  • (Tegenover generalisten → mensen die meerdere domeinen/kennisgebieden combineren)


3
New cards

Sleuteljaar 1543

Nicolaas Copernicus → verwerpt geocentrisme (aarde als centrum) → stelt heliocentrisme voor (zon als centrum)

  • = Johannes Kepler → bevestigt/onderbouwt het heliocentrische model met zijn planeetwetten

  • → geeft een impuls aan fysica en wiskunde, o.a. bij Isaac Newton

Andreas Vesalius → legt de grondslagen van de moderne anatomie door systematisch menselijk lichaam te bestuderen

4
New cards

Francis Bacon

Novum Organum Scientiarum (1620) → breuk met Aristoteles (verwerpt idee van kennis vooral uit logisch redeneren & bestaande autoriteiten)

Nieuwe wereld → nieuwe kennis: verkenning van de natuur leidt tot nieuwe inzichten

Zondeval → mens verloor heerschappij over de natuur → via kennis kan hij die terugwinnen

Empirisme → kennis door zorgvuldige zintuiglijke waarneming van de natuur

Kritiek op a priori-ideeën → niet zomaar uitgaan van vooraf bedachte ideeën

Argwaan tegenover taal → taal kan het denken misleiden en kennis vertroebelen

5
New cards

Verlichting

18de eeuw

Geloof in menselijke weten en handelen (<> god, traditie)

Moderne mens: autonoom denkend en handelend wezen dat wereld en natuur ongelimiteerd kan exploreren & veroveren

“Durf te weten” (Kant) → dogma’s in twijfel trekken, emancipatie

6
New cards

Industriële revolutie

Vooral 19e eeuw

→ sterke ontwikkeling van machines, fabrieken en massaproductie

Eerste Wereldtentoonstelling (1851) → toont technologische en industriële vooruitgang

Charles Darwin → On the Origin of Species (1859) → evolutietheorie door natuurlijke selectie

7
New cards

Romantiek

Vanaf eind 18e eeuw

→ artistieke én maatschappelijke, filosofische en politieke beweging (artistieke poëtica)

  • Tegenreactie op de Verlichting en industrialisering → kritiek op rationalisme en de gevolgen van industrialisering

  • Rede verbeelding → emotie, intuïtie en creativiteit worden belangrijk

  • Waarschuwing voor ontmenselijking, vernietiging van natuur en verlies van gemeenschappen

  • Kritiek op universalisme van de Verlichting → aandacht voor culturele diversiteit en eigen tradities

  • Belang van het verleden → nostalgie, geschiedenis en bezinning

  • Kort: de romantiek benadrukt gevoel, verbeelding, natuur en het unieke tegenover de nadruk op rede en vooruitgang van de Verlichting.


8
New cards

Dystopie

romans spelen in op:

  • angst voor techniek en doorgeslagen wetenschap

  • Angst voor onderdrukking individu door opgelegde uniformiteit, mechanisering, automatisering

  • Angst voor verdwijnen natuur En cultuur

→ Voorbeelden: Brave New World (Aldous Huxley), 1984 (George Orwell)

→ Thema’s: controle, vrijheid, technologie, individualiteit en ontmenselijking.


9
New cards

Samenvatting verhouding tussen wetenschap en culturele verbeelding

Vanaf de vroegmoderne tijd groeien exacte en humane wetenschappen uit elkaar.

Wetenschap krijgt steeds meer zelfvertrouwen door haar successen.

Culturele verbeelding ontwikkelt juist wantrouwen tegenover het succesverhaal van de moderne wetenschap.

10
New cards

Exacte wetenschappen

wetenschappen die Werken met principes van verifieerbaarheid en falsificatie → theorieën moeten toetsbaar zijn en eventueel weerlegd kunnen worden.

Zoeken naar algemene natuurwetten die onafhankelijk zijn van tijd en ruimte.

Strikte scheiding tussen het bestudeerde object en de observator.

Kennisaccumulatie → nieuwe kennis bouwt voort op eerder verkregen kennis.

11
New cards

Wilhelm Dilthey

Beïnvloed door de romantiek

Wil een theoretische basis voor de geesteswetenschappen ontwikkelen

Scheiding tussen onderzoeksobject en onderzoeker minder strikt → onderzoeker is zelf onderdeel van de menselijke/culturele wereld

Historische en culturele context beïnvloedt hoe we iets begrijpen

Geesteswetenschappen = gericht op begrijpen (≠ verklaren zoals in de exacte wetenschappen)

→ Hermeneutiek = studie van interpretatie en betekenis, belangrijk voor literatuurwetenschap.


12
New cards

Literatuurwetenschap

Wetenschappelijke studie van literatuur en literaire teksten

Onderzoekt hoe literatuur betekenis krijgt

  • falsifieerbaarheid weinig belang (moeilijk objectief te bewijzen)

  • Kennisaccumulatie beperkt (interpretatie)

  • Objectsafbakening problematisch (onduidelijk wat te onderzoeken?)


13
New cards

paradigma

(concept Thomas Kuhn)

Geheel van concepten, methodes en toepassingen die door een groep wetenschappers op een bepaald ogenblik gedeeld wordt

→ soort gemeenschappelijk denkkader binnen de wetenschap.

14
New cards

Plato

Politeia (ca. 380 v.C.) → filosofisch werk

  • Ideeënleer → de waarneembare wereld is slechts een onvolmaakte kopie van de ware, eeuwige ideeënwereld.

  • De concrete wereld is veranderlijk en vergankelijk (eeuwig) ; de ideeënwereld is perfect en onvergankelijk → metafysica.

Allegorie van de grot → Mensen zien in een grot alleen schaduwen en denken dat dit de werkelijkheid is, één wordt bevrijd en ontdekt buiten de grot de ware werkelijkheid.

  • → Grot = zintuiglijke wereld, schaduwen = schijnkennis, buiten = ideeënwereld/ware kennis

Anamnese → het filosofisch herinneren/herontdekken van de ideeënwereld, o.a. via dialoog met een filosoof.

Hypomnese → kunstmatige herinnering die juist tot verwarring en schijnkennis kan leiden.

15
New cards

Aristoteles

‘Vader van literatuurwetenschap’

Literaire fictie biedt universeel-menselijk inzicht

Naleven van regels: goede literatuur volgt bepaalde regels/principes

Essentie ligt in waarneembare werkelijkheid zelf

Mimese is positief en natuurlijk, (door de werkelijkheid na te bootsen) kan essentie helpen reveleren

16
New cards

Poëtica

(ca. 355 v.C.) (Aristoteles)

Handboek voor dichters

Structuur:

  • objectafbakening: literatuur = mimesis en essentie

  • Oorsprong dichtkunst: natuurlijk instinct, imiteren om te leren

  • Hiërarchie van genres, op 1= tragedie, genres niet mengen


17
New cards

Praxis

Verhaal = opeenvolging van gebeurtenissen.

Vaak een lange, episodische reeks gebeurtenissen die willekeurig lijkt.

  • Post hoc = “daarna, en daarna…” → gebeurtenissen volgen elkaar chronologisch op, zonder duidelijke oorzaak-gevolgrelatie.

DUS = wat er gebeurt.

18
New cards

Mythos

Plot = verhaal wordt door een artistiek proces van mimesis vormgegeven.

Gebeurtenissen = meer eenheid, orde en evenwicht.

Representatiever en logischer → gebeurtenissen hangen betekenisvol met elkaar samen.

  • Propter hoc = “en daarom…” → oorzaak-gevolgrelaties tussen gebeurtenissen.

→ Mythos = hoe het verhaal wordt georganiseerd.

19
New cards

tragedie - personages

Personages moeten goed / deugdzaam zijn → we kunnen medelijden met hen voelen.

  • Gedrag past bij hun sociale positie.

  • Gedrag is consistent → personage handelt volgens een herkenbaar karakter.

  • Personages lijken op echte mensen → publiek kan identificeren en angst voelen.

→ Deze combinatie van medelijden en angst draagt bij aan de catharsis.

20
New cards

Tragedie - plot

moet samenhangende eenheid vormen, tijd & ruimte (etmaal)

→ Structuur (begin - midden - slot) (Causaliteit)

Omgekeerde V: verwikkeling, climax, afwikkeling

Typische wendingen:

  • Hamartia: fout van protagonist (ondergang inluidt)

  • Peripeteia: plotselinge ommekeer

  • Anagnorisis: moment van herkenning/inzicht

  • Katastrofe: ondergang held (angst medeleven)

  • Geen deus-ex-machina

Doel: katharsis: dieper inzicht en berusting bij toeschouwer

21
New cards

Plato vs Aristoteles

Ideeënwereld staat boven de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid.

Verwerpt mimesis → kunst is slechts een kopie van een kopie.

Kunst kan ons daardoor van de ware kennis afleiden

Essentie ligt in de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid zelf.

Mimesis positief & natuurlijk → nabootsen helpt de werkelijkheid te begrijpen.

Kunst kan zo inzicht in de werkelijkheid bieden.


22
New cards

Sigmund Freud

Ontwikkelde de psychoanalyse → nadruk op het onbewuste en verborgen drijfveren van de mens.

  • Es (id) → reservoir van impulsen/driften → lustprincipe: onmiddellijke bevrediging.

  • Ich (ego) → probeert driften te controleren en realistisch te handelen → realiteitsprincipe.

  • Über-ich (superego) → geïnternaliseerde maatschappelijke normen en moraal → geweten.

Balans → het Ich probeert Es en Über-ich met elkaar te verzoenen.

Afweermechanismen beschermen het Ich tegen innerlijke conflicten, bv. verdringing, projectie en sublimatie.

23
New cards

Horatius

invloed Aristoteles

  • dichten is gave, maar je kan het leren met discipline

  • Leren = regels kennen en naleven

  • Personages handelen overeenkomst afkomst/status

  • Realistische wendingen: geloofwaardig & herkenbaarheid

Utile dulce: poëzie moet lering en vermaak combineren,(= nuttige + aangename)

decorum: alles moet gepast en passend zijn (stijl, personage, situatie); kunstenaar heeft ook een morele verantwoordelijkheid.

24
New cards

Pseudo-Longinus

Over het sublieme (1e eeuw, vermoedelijk) → tekst over wat literatuur indrukwekkend en verheven maakt.

  • Aansluiting bij Aristoteles → zoekt naar regels en principes voor goede literatuur.

  • Sublieme → literatuur kan de lezer overweldigen en sterk emotioneel raken, en hoeft dus niet alleen aan regels te voldoen.

→ Opent een nieuwe kijk op literatuur; het idee van het sublieme wordt later herontdekt in het Franse classicisme en sluit aan bij de romantiek.

25
New cards

Middeleeuws onderwijs

  • Klassieke traditie + christelijk denken → klassieke kennis wordt behouden en vanuit het christendom geïnterpreteerd.

  • “Dwergen op de schouders van reuzen” → voortbouwen op de kennis van grote geleerden uit het verleden.

  • Latijn → belangrijkste taal van onderwijs, wetenschap en literatuur.


26
New cards

artes liberales

  • “Vrije kunsten” → wetenschappen/leerdomeinen, niet alleen kunst; bedoeld voor de vrije man.

  • Trivium (“drievoudige weg”) → taal en redeneren:

    • Grammatica → taal & literaire analyse

    • Retorica → overtuigend spreken/schrijven, bv. toespraken en brieven

    • Dialectica → logisch redeneren en argumenteren

  • Quadrivium (“viervoudige weg”) → exacte/wiskundige vakken:

    • Arithmetica → rekenen

    • Geometria → meetkunde

    • Musica → muziekleer

    • Astronomia → sterrenkunde


27
New cards

Poetria nova

  • Van Geoffrey van Vinsauf (ca. 1200–1215)

  • Handleiding/retorisch handboek voor het schrijven van teksten

  • Gericht op literaire techniek en het aanleren van regels

  • Mimesisgedachte → bestaande werkelijkheid/voorbeelden worden nagebootst

  • Geen originaliteit → schrijvers moeten vooral bestaande modellen volgen; originaliteit zit hoogstens in details en uitwerking.


28
New cards

oudste Middelnederlandse poëtica

Ca. 1330, van Jan van Boendale

  • Der Leken Spieghel → didactisch werk/encyclopedie voor leken (niet-geestelijken)

  • Bevat o.a. richtlijnen over literatuur en het schrijven van teksten


29
New cards

Middeleeuwse receptie Aristoteles’ Poëtica

”ad fontes” (naar de bronnen)

<p>”ad fontes” (naar de bronnen)</p>
30
New cards

Renaissance- literatuuropvatting

  • Translatio → klassieke teksten vertalen.

  • Imitatio → klassieken creatief nabootsen en bewerken.

  • Aemulatio → de klassieken proberen te overtreffen, maar binnen de voorgeschreven regels/grenzen.

  • → Van nabootsen (imitatio) naar overtreffen (aemulatio) → meer ruimte voor eigen creativiteit.


31
New cards

Over het sublieme

Pseudo-Longinus

Onderzoekt relatie literaire voorschriften en literaire grootheid

“Foutloos wordt niet bekritiseerd, maar grootheid wordt bewondert”

  • Lit niet alleen volgen van regels, nog een ondefinieerbaar extra,

  • Sublieme = “de echo van een grote ziel”

Tekst bevat aanzet voor nieuwe kijk op lit, niet langer representatie Van werkelijkheid (mimese) maar de uitdrukking van een artistiek begiftigd persoon (expressie)

  • overweldigende impact (<> decorum Aristoteles & Horatius)

  • Sublieme kan tegenstrijdigheden verenigen (<> Horatius)

  • Sublieme gaat tijd en ruimte te boven, universele weerklank


32
New cards

Classicisme

  • 17e–18e eeuw → hernieuwde belangstelling voor het sublieme.

  • Griekse en Romeinse kunst/literatuur = maatgevend ideaal en bron van inspiratie.

    • Formeel → nadruk op harmonie, orde, symmetrie, evenwicht, proportionaliteit en helderheid; grilligheid en overdreven emoties worden afgewezen.

    • Thematischmythologie en geschiedenis van de klassieke oudheid.

  • Imitatio & aemulatio → kunstenaars navolgen en proberen te overtreffen van klassieke voorbeelden.

  • Mimesisleer → literatuur volgt een geheel van regels zodat het publiek de bekende normen en waarden herkent.

  • Decorum → bienséances → regels van welvoeglijkheid; morele en ethische conventies mogen niet worden doorbroken.

  • Mimesis + idealisering → werkelijkheid wordt nagebootst, maar mooier/perfecter voorgesteld.


33
New cards

Barok

tussen Renaissance en classicisme

  • Artistiek project van de Contrareformatie → kunst moest het geloof versterken en emoties aanspreken.

  • Exuberant → uitbundig, weelderig en dramatisch; sterke emoties en veel versiering.


34
New cards

Nicolas Boileau

Franse classicisme.

  • Art poétique (1674) → gedicht over de fundamentele regels voor schrijven en dichten.

  • Vertaalde Over het sublieme van Pseudo-Longinus.

  • → Combineert regels en orde met ruimte voor inspiratie en dichterlijke vrijheid.


35
New cards

herintroductie sublieme ongewenste effecten

  • Relativering van regels en voorschriften → formele regels worden minder belangrijk.

  • Verlangen naar originaliteit → kunstenaar mag zich onderscheiden.

  • Verschuiving van mimetische functie (nabootsing van werkelijkheid) → expressieve functie (uitdrukking van de kunstenaar).

  • → Bereidt de weg voor naar de romantiek en een nieuwe visie op kunst en literatuur.


36
New cards

Romantiek

  • Sublieme = het hoogste wat literatuur/kunst kan bereiken → overweldigende ervaring die verder gaat dan gewone schoonheid.

  • Edmund Burke → het sublieme ontstaat door gevoelens van angst, ontzag en overweldiging.

  • Immanuel Kant → het sublieme ontstaat wanneer iets oneindig/groots onze verbeelding overstijgt, maar onze rede ons toch in staat stelt het te bevatten.


37
New cards

Edmund Burke

Iers-Britse denker en politicus (1729–1797); criticus van de Franse Revolutie en grondlegger van het conservatisme.

  • A Philosophical Enquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and Beautiful.

  • Schoonheid ligt niet in het object zelf, maar in de ervaring van het subject → hoe iets wordt ervaren.

  • Via zintuigen krijgen mensen in principe dezelfde indrukken.

(schoonheid vs het sublieme)

  • Twee mentale processen:

    • Verbeelding → waarnemingen hergroeperen en samenbrengen (intuïtief).

    • Oordeelsvermogen → indrukken analyseren en beoordelen (bewust/kritisch).


38
New cards

Ontologie

Zijnsleer → onderzoekt wat iets in wezen is.

  • In literatuurwetenschap → wat is het ‘zijn’ van literatuur?

  • Plato & Aristoteles → literatuur als representatie/nabootsing (mimesis).

  • → Onderzoeken de essentie van het literaire object zelf.


39
New cards

Epistemologie

Studie van het weten en kennis → hoe verwerven we kennis en wat kunnen we weten?

  • Behandelt kennis en waarneming.

  • Edmund Burke → empirist → kennis wordt verworven via zintuiglijke waarneming.


40
New cards

Schoonheid vs sublieme (Burke)

Schoonheid =

  • Ervaring van tederheid en affectie → wekt liefde op.

  • Harmonieus, klein, glad, regelmatig, helder/zachte kleuren.

  • → Past bij het classicisme: orde, regelmaat en harmonie.

Het sublieme =

  • Wekt verbijstering (astonishment) en verschrikking (terror) op.

  • Niet aan regels gebonden → grillig, overweldigend en meeslepend.

  • Pijn, lijden en rampen op veilige afstand → tegelijk genot en verschrikking.

  • Kenmerken: duisternis/licht, macht/machteloosheid, oneindigheid, ontbering, plotselinge verandering.

  • Tegenover het decorum van de Aristotelische traditie.


41
New cards

Immanuel Kant

Derde generatie Verlichtingsfilosofen.

  • Wat is Verlichting? (1784) → Verlichting = het afleggen van onmondigheid → zelf je eigen verstand gebruiken.

  • “Sapere aude!” = “Durf te denken!” → denk zelfstandig en kritisch.


42
New cards

Eerste kritiek van Kant

Kritik der reinen Vernunft (1781) → “Kritiek van de zuivere rede”

  • Centrale vraag: “Wat kan ik weten?”

  • Probeert rationalisme en empirisme te verzoenen → kennis ontstaat uit a priori (vooraf gegeven) én a posteriori (uit ervaring).

  • Ding-an-sich → de werkelijkheid zoals die onafhankelijk van ons bestaat.

  • Ding-für-mich → werkelijkheid zoals ze door ons subject wordt waargenomen/verwerkt → de fenomenale werkelijkheid.

  • Die waarneming is intersubjectief geldig → mensen verwerken de werkelijkheid volgens gedeelde a priori-structuren (bv. tijd, ruimte, causaliteit).


43
New cards

Tweede kritiek van Kant

Kritik der praktischen Vernunft (1788)→ “Kritiek van de praktische rede”.

  • Gaat over ethiek → wat is moreel goed?

  • Nuttigezuiver goede → iets kan nuttig zijn zonder moreel goed te zijn; zuiver goed = zonder bijbedoelingen.

  • Categorische imperatief → iets is moreel goed als je de regel van je handelen voor iedereen zou kunnen veralgemenen.

  • Rede bepaalt dus of een handeling moreel juist is.


44
New cards

Derde kritiek van Kant

Kritik der Urteilskraft (1790) → “Kritiek van het oordeelsvermogen”.

  • Gaat over esthetische ervaring en het oordeel over schoonheid en het sublieme.

  • Aangename → zintuiglijk genot; iets wat prettig voelt, maar daarom niet goed of mooi is.

  • Schone“belangeloos welbehagen” → je ervaart iets als mooi zonder er persoonlijk nut bij te hebben; geen begrip nodig.

  • Sublieme → overtreft het schone; iets groots/overweldigends waardoor je je eigen nietigheid ervaart, maar ook beseft dat je deel bent van iets groters.

  • → Het sublieme overstijgt de gewone intersubjectieve ervaring en geeft een gevoel van contact met een werkelijkheid die groter is dan wat we kunnen bevatten.


45
New cards

Zuiver smaakoordeel

Onpartijdig → je beoordeelt iets mooi zonder dat het persoonlijk voordeel of nut oplevert.

  • Niet gebaseerd op zintuiglijke bevrediging → “lekker/prettig” is niet hetzelfde als “mooi”.

  • verwachten we dat anderen het ook zo moeten vinden → algemene geldigheid.


46
New cards

Artistieke genie

Romantiek → kunstenaar met uitzonderlijk creatief talent.

  • Kan iets voortbrengen waarvoor geen bestaande regels bestaan.

  • → Nadruk op originaliteit en het onverklaarbare van artistieke creativiteit.


47
New cards

kunst wordt seculaire religie

  • kunst krijgt een bijna heilige status.

  • Auteur/kunstenaar = profeet of god → bezit bijzondere creatieve/inspirerende kracht.

  • Sublieme → biedt toegang tot bovenzinnelijke werkelijkheid die boven de gewone ervaring uitstijgt.

  • (tegenover Plato → kunstenaar is juist een charlatan die ons van de waarheid afleidt.)


48
New cards

emancipatie van kunst

  • Losser worden van de band tussen esthetiek en moraal → kunst hoeft niet per se een morele boodschap te hebben.

  • Kunst wordt autonomer → minder afhankelijk van politiek, religie en morele regels.

  • → Kunst omwille van de kunst wordt mogelijk.


49
New cards

Impact romantiek

  • Originaliteit wordt een belangrijke maatstaf voor kunst.

  • Kunstenaar = genie → bezit bijzondere, moeilijk verklaarbare creativiteit.

  • Analyse kan het esthetische plezier verstoren → kunst moet vooral ervaren worden. (nog niet zo bij Kant en Burke)

  • Kunstenaar moet vrij zijn → niet gebonden aan vaste regels of maatschappelijke voorschriften.