1/21
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Celmembraan
Selectieve barrière tussen cel en omgeving.
Celwand
Geeft stevigheid aan de cel.
Kern (nucleus)
Regelcentrum van de cel; bevat DNA
Kernmembraan
Omsluit het DNA; bevat kernporiën om stoffen door te laten van binnen naar buiten.
Kernlichaampje (nucleolus)
Betrokken bij productie van eiwitten
Chromatine
Eiwit waaruit DNA is opgebouwd (DNA = chromatinedraden)
Lysosoom
Afbraak van afvalstoffen door enzymen.
Mitochondrium
Produceert energie (ATP).
Vacuole=
Geeft stevigheid aan de cel/opslagplaats stoffen.
Vacuolemembraan
Membraan rond vacuole, selecteert de stoffen die in en uit de vacuole mogen.
Grondplasma (cytoplasma)
Vloeistof met opgeloste stoffen, die nodig zijn voor goede werking van de cel.
Ribosoom
Produceert eiwitten
Ruw endoplasmatisch reticulum (rER)
Bindt ribosomen om eiwitten te maken; transport van eiwitten naar gER.
Glad endoplasmatisch reticulum (gER)
Transport van eiwitten naar Golgi-apparaat.
Microfilamenten
Geven cel zijn vorm en maken beweging van de cel mogelijk
Chloroplast (bladgroenkorrel)
Maken van glucose uit water en koolstofdioxide (fotosynthese)
Golgi-apparaat
Geeft eiwitten definitieve functie en scheidt eiwitten af in blaasjes.
Peroxisoom
Breekt gifstoffen af.
Plasmodesmen
Verbindingskanaal tussen twee plantencellen om uitwisseling van voedings- en signaalstoffen mogelijk te maken. Verbindt de endoplasmatisch reticula van twee cellen met elkaar.
Flagel
Voortbeweging (alleen bij eencelligen en zaadcellen)
Amyloplast / glycogeenkorrel
Vorming en opslag van zetmeel (planten) / vorming en opslag van glycogeen (dieren)
Chromoplast
Maken van kleurstoffen in bloemen en planten.