1/79
Flashcards over de celcyclus, mitose, meiose en de verschillen tussen dierlijke en plantaardige celdeling.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Interfase
De groeifase van de celcyclus waarin de cel normale functies vervult, eiwitten synthetiseert en zich voorbereidt op de celdeling.
DNA-replicatie
Het proces tijdens de S-fase waarbij het DNA wordt verdubbeld.
G1-fase (gap 1)
Fase van groei van de cel met een toename van het cytoplasma en aanmaak van proteïne en nucleotiden voor DNA-replicatie.
S-fase
Fase binnen de interfase waarin de DNA-replicatie plaatsvindt.
G2-fase (gap 2)
Fase waarin controle en reparatie van gerepliceerd DNA plaatsvindt en extra histonen en membraanmateriaal worden aangemaakt.
Mitose
Het proces van celkerndeling waarbij nieuwe kernen worden gevormd.
Cytokinese
De deling van het cytoplasma over de dochtercellen.
Mitotische deling
De combinatie van mitose en cytokinese.
Meiotische deling
De combinatie van meiose en cytokinese.
Gameten
Voortplantingscellen of geslachtscellen, zoals eicellen en zaadcellen.
G0-fase (gap 0)
Fase waarin cellen zich bevinden die in de interfase blijven en zich niet verder delen.
Histonen
Eiwitten die in extra mate worden aangemaakt tijdens de G2-fase ter voorbereiding op de celdeling.
Centrosoom
Structuur in dierlijke cellen die wordt verdubbeld tijdens de G2-fase.
Profase
De eerste fase van de mitose waarin chromosomen condenseren en de spoelfiguur zich begint te vormen.
Metafase
De fase waarin alle chromosomen zich in het evenaarsvlak van de cel bevinden.
Anafase
De fase waarin de zusterchromatiden uit elkaar gaan en naar de polen worden getrokken.
Telofase
De laatste fase van de mitose waarin nieuwe kernmembranen worden gevormd rond de groepen chromosomen.
Kinetochoor
Een structuur van eiwitten ter hoogte van een centromeer waaraan trekdraden zich hechten.
Zusterchromatiden
De twee identieke helften van een verdubbeld chromosoom die bij elkaar worden gehouden door cohesine-eiwitten.
Cohesine-eiwitten
Eiwitten die zusterchromatiden bij elkaar houden ter hoogte van het centromeer tot ze tijdens de anafase afbreken.
Trekdraden
Onderdelen van de spoelfiguur die hechten op de kinetochoren om chromatiden te verplaatsen.
Steundraden
Onderdelen van de spoelfiguur die contact maken met elkaar in het midden en helpen de cel te verlengen.
Tubuline-eiwitten
De afzonderlijke eiwitten waaruit de spoelfiguur wordt afgebroken tijdens de telofase.
Nucleolus
Structuur binnen de celkern die opnieuw wordt gevormd tijdens de telofase voor de aanmaak van rRNA.
Chromatinedraden
De vorm waarin chromosomen zich ontvouwen binnen de nieuwe celkern tijdens de telofase.
Vroege profase
Stadium waarin verdere opvouwing van chromosomen zichtbaar wordt en de transcriptie van DNA stopt.
Late profase
Stadium waarin het kernmembraan wordt afgebroken en trekdraden aan kinetochoren hechten.
Evenaarsvlak
De denkbeeldige lijn in het midden van de cel waar chromosomen zich verzamelen tijdens de metafase.
Asterfiguren
De poolstructuren die tijdens de anafase van elkaar weg worden geduwd waardoor de cel verlengt.
Insnoering
Het proces bij dierlijke cellen waarbij het celmembraan naar binnen wordt getrokken om de cel te delen.
Haploïd
Cellen met een enkelvoudige set chromosomen, zoals gameten.
Diploïd
Cellen met een dubbele set chromosomen (2n), zoals menselijke lichaamscellen.
Lichaamscel (voor interfase)
Een menselijke cel met 46 chromosomen die elk uit 1 chromatide bestaan.
Lichaamscel (na interfase)
Een menselijke cel met 46 chromosomen die elk uit 2 zusterchromatiden bestaan (92 chromatiden in totaal).
Dochtercel (na mitose)
Een cel met 46 chromosomen en 46 chromatiden, identiek aan de moedercel.
Poolkapjes
De uiteinden van de spoelfiguur bij plantencellen, die geen centriolen of asterfiguren hebben.
Celplaat
Structuur die bij plantencellen vanuit het midden nieuwe celmembranen en celwanden vormt tijdens de cytokinese.
Transportblaasje
Blaasjes met koolhydraatrijk materiaal die bij plantencellen versmelten tot een celplaat.
Microfilamenten
Structuren in dierlijke cellen die samentrekken om een insnoeringsgroeve te vormen.
Meiose
Celdeling die resulteert in haploïde dochtercellen en zorgt voor variatie bij geslachtelijke voortplanting.
Ongeslachtelijke voortplanting
Vorm van voortplanting zoals klonen waarbij alle individuen erfelijk identiek zijn.
Transcriptie
Het proces van het overschrijven van DNA dat niet mogelijk is tijdens de compacte vorm van chromosomen in de profase.
rRNA
Ribosomaal RNA dat door de nucleolus wordt aangemaakt om ribosomen te vormen.
Spoelfiguur
Geheel van trek- en steundraden dat zorgt voor de verplaatsing van chromosomen tijdens de deling.
Centromeer
De plaats op een chromosoom waar de twee zusterchromatiden aan elkaar vastzitten.
Condensatie
Het proces waarbij chromatinedraden zich opvouwen tot compacte chromosomen.
Homologe chromosomen
Paren van chromosomen (vaak voorgesteld met rood en blauw) die overeenkomstige informatie bevatten.
Centriolen
Structuren die ontbreken bij plantencellen maar aanwezig zijn bij dierlijke cellen voor de vorming van de spoelfiguur.
Actinefilamenten
Onderdeel van het cytoskelet dat betrokken is bij de celstructuur tijdens de profase van planten.
Microtubuli
De eiwitstructuren waaruit de spoelfiguur wordt opgebouwd.
Celwand
Stevige structuur bij plantencellen die insnoering verhindert en de vorming van een celplaat noodzakelijk maakt.
Variatie
Het resultaat van meiose dat belangrijk is voor het overleven van de soort bij veranderingen in de omgeving.
Eicellen
De vrouwelijke gameten gevormd via meiose.
Zaadcellen
De mannelijke gameten gevormd via meiose.
DNA-schade
Een mogelijke reden waarom cellen permanent in de G0-fase blijven.
Nucleotiden
Bouwstenen van DNA die worden aangemaakt tijdens de G1-fase.
Eiwitsynthese
Een kernactiviteit van de cel tijdens de normale werking in de interfase.
Groei en ontwikkeling
Het eerste genoemde belang van de mitotische celdeling.
Herstel
Functie van mitose gericht op het repareren van beschadigde weefsels.
Vervanging
Functie van mitose om afgestorven cellen in het organisme te vervangen.
Eukaryoten
Organismen met cellen die een celkern bezitten, waar de besproken celcyclus plaatsvindt.
Cytoplasmadeling
De letterlijke betekenis van de term cytokinese.
Celkerndeling
De algemene term voor processen zoals mitose en meiose.
Dochtercellen
De twee nieuwe cellen die ontstaan na de volledige celdeling.
Nucleus
De celkern waarin het genetisch materiaal zich bevindt.
Gap 1
De volledige naam voor de G1-fase.
Gap 2
De volledige naam voor de G2-fase.
Gap 0
De rustfase buiten de actieve celcyclus.
Ribosomen
Structuren gevormd door rRNA die essentieel zijn voor eiwitproductie.
Klonen
Een vorm van ongeslachtelijke voortplanting waarbij nakomelingen genetisch identiek zijn.
Omkeerbaar (fase)
Kenmerk van de G0-fase wanneer er weer een nieuwe celdeling voorkomt.
Membraanmateriaal
Nodig voor de vorming van nieuwe celkernen en organellen, aangemaakt in de G2-fase.
Pool (cel)
De tegenovergestelde zijden van de cel waarnaar chromosomen worden getrokken tijdens de anafase.
Insnoeringsgroeve
De inkeping die ontstaat bij dierlijke cellen wanneer microfilamenten samentrekken.
Koolhydraatrijk materiaal
De inhoud van de blaasjes die de celplaat vormen bij planten.
Celverlenging
Proces in de anafase waarbij steundraden asterfiguren van elkaar wegduwen.
Continu proces
De aard van de mitotische celdeling, ondanks dat er onder de microscoop fasen te onderscheiden zijn.
Erfelijk identiek
Toestand van dochtercellen na mitose, tenzij er mutaties zijn opgetreden.
2n=4
Het aantal chromosomen in de cel op de voorbeeldafbeelding in de transcriptie.
Cytoskelet
Het netwerk van eiwitten dat opnieuw gevormd wordt in de telofase nadat de spoelfiguur is afgebroken.