Verworven immuniteit en lymfocyten

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/34

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Deze flashcards behandelen de kernbegrippen over verworven immuniteit, B- en T-cellen, antigeenpresentatie, adhesiemoleculen en activatiemechanismen zoals besproken in de colleges.

Last updated 7:04 PM on 8/5/25
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

35 Terms

1
New cards

Wat is het belangrijkste verschil in specificiteit tussen aangeboren en verworven immuniteit?

De aangeboren immuniteit is niet-specifiek, terwijl de verworven immuniteit pathogeen- en antigeen-specifiek is.

2
New cards

Waarom komt de verworven immuunrespons trager op gang dan de aangeboren respons?

Omdat slechts enkele B- en T-cellen het juiste epitoop herkennen en eerst geactiveerd, geprolifereerd en gedifferentieerd moeten worden.

3
New cards

Welke twee grote types lymfocyten staan centraal in de verworven immuniteit?

B-lymfocyten en T-lymfocyten.

4
New cards

Wat produceren B-cellen maar T-cellen niet?

Antistoffen (immunoglobulinen).

5
New cards

Welke receptor herkent een antigeen rechtstreeks: de B-celreceptor of de T-celreceptor?

De B-celreceptor herkent het antigeen rechtstreeks.

6
New cards

Wat is er nodig opdat een T-cel een antigeen kan herkennen?

Het antigeen moet gepresenteerd worden in complex met een MHC-molecuul.

7
New cards

Welke T-celpopulatie is CD4⁺ en fungeert als helper?

De CD4-positieve T-helper-cellen.

8
New cards

Welke T-celpopulatie is CD8⁺ en cytotoxisch?

De CD8-positieve cytotoxische T-cellen.

9
New cards

Noem twee subtypes van CD4-helper-T-cellen.

Voorbeelden: TH1, TH2, TH17, folliculaire T-helper (Tfh) of regulatorische T-cellen (Treg).

10
New cards

Wat is immunologisch geheugen?

Het vermogen van de verworven immuniteit om bij een tweede blootstelling sneller en krachtiger te reageren dankzij resterende antistoffen en memory B- en T-cellen.

11
New cards

In welk orgaan rijpen T-lymfocyten?

In de thymus (zwezerik).

12
New cards

Welke onderzoeker toonde aan dat er aparte B- en T-celpopulaties bestaan?

Jacques Miller.

13
New cards

Wat is het ‘professioneel’ antigeen-presenterend celtype dat naïeve T-cellen kan activeren?

De dendritische cel.

14
New cards

Welke molecule controleert een helper-T-cel om te verifiëren dat een dendritische cel van een ontstekingsplaats komt?

Het co-stimulerende molecuul B7 op de dendritische cel (herkend door CD28 op de T-cel).

15
New cards

Welke klassen MHC bestaan er en welk type antigeen presenteren zij typisch?

MHC-I presenteert endogeen (intracellulair) antigeen; MHC-II presenteert exogeen (extracellulair) antigeen.

16
New cards

Wat is een naïeve T-cel?

Een maturen T-cel die nog nooit zijn specifiek antigeen heeft herkend.

17
New cards

Via welke speciale bloedvatstructuren komen naïeve lymfocyten de lymfeknoop binnen?

Via de high endothelial venules (HEV’s).

18
New cards

Welke molecuulfamilie zorgt voor zwakke ‘rolling’ interacties van lymfocyten op endotheel?

Selectines (bijvoorbeeld L-selectine op lymfocyten, E-selectine op endotheel).

19
New cards

Welke molecuulfamilie zorgt voor sterke adhesie tussen lymfocyt en endotheel of APC?

Integrines (bv. LFA-1 op T-cellen).

20
New cards

Met welke ligand bindt LFA-1 typisch op endotheel en APC’s?

Met ICAM-1 (en ICAM-2).

21
New cards

Wat triggert de overgang van een integrine naar zijn hoge-affiniteitsvorm?

Signalen van chemokinen of van de T-celreceptor zorgen voor ‘inside-out’ activatie en openklappen van de integrine.

22
New cards

Tot welke structurele superfamilie behoren ICAM-1, VCAM-1 en de T-celreceptor?

Tot de immunoglobuline-superfamilie (Ig-superfamilie).

23
New cards

Wat gebeurt er met een dendritische cel na opname van een pathogeen in de periferie?

Hij wordt geactiveerd, verandert zijn chemokinereceptoren (o.a. naar CCR7) en migreert via lymfe naar de drainerende lymfeknoop om antigeen te presenteren.

24
New cards

Welke drie cellen worden ‘professionele’ APC’s genoemd?

Dendritische cellen, macrofagen en B-cellen.

25
New cards

Welke van de professionele APC’s kan een volledig naïeve T-cel activeren?

Alleen de dendritische cel.

26
New cards

Welk co-stimulatiesignaal is essentieel voor volledige activatie van een B-cel door een T-helper?

Binding van CD40-ligand (op de T-cel) aan CD40 (op de B-cel).

27
New cards

Welk belangrijk cytokine van TH2/Tfh-cellen stimuleert B-cellen tot antistofproductie?

Interleukine-4 (IL-4).

28
New cards

Wat zijn plasmacellen?

Gedifferentieerde B-cellen die grote hoeveelheden antistoffen uitscheiden.

29
New cards

Welk adhesiemolecuul op geactiveerde T-cellen bindt aan VCAM-1 op ontstoken endotheel?

De integrine VLA-4.

30
New cards

Hoe kan een B-cel antigeen internaliseren?

Door binding van het antigeen aan zijn B-celreceptor, gevolgd door receptor-gemedieerde endocytose.

31
New cards

Waarom geeft een multivalent antigeen soms T-celonafhankelijke B-celactivatie?

Omdat herhaalde epitopen tegelijk veel B-celreceptoren crosslinken, wat een sterk genoeg signaal oplevert om antistoffen te produceren zonder T-celhulp.

32
New cards

Wat is het risico van B-celactivatie via sterke PRR-signalen zonder T-celcontrole?

Productie van aspecifieke of zelf-reactieve antistoffen, wat kan leiden tot auto-immuunreacties.

33
New cards

Hoe dragen antistoffen bij aan fagocytose van pathogenen?

Door opsonisatie: ze bedekken het pathogeen, wat de binding aan Fc- en/of complementreceptoren op fagocyten vergemakkelijkt.

34
New cards

Welke twee signalen zijn minimaal nodig voor B-celactivatie (T-afhankelijk)?

1) Antigeenbinding aan de B-celreceptor; 2) Co-stimulatie via CD40 plus cytokinen van een geactiveerde T-helper-cel.

35
New cards

Wat is het belangrijkste kenmerk van een memory B- of T-cel?

Hij blijft langdurig in het lichaam en reageert bij hernieuwde blootstelling sneller en krachtiger dan bij de primaire respons.