1/51
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
internationale migratie
mensen gaan een leven opbouwen elders en overschrijden daarbij een landsgrens
push - en pullfactoren bij migratie
redenen om een land te verlaten en naar een bepaald land te verhuizen, zoals verschillen tussen arm en rijk, verschillen in werkgelegenheid, conflicten/oorlogen, sociale netwerken spelen een grote rol: migranten gaan bij voorkeur naar plaatsen waar al landgenoten zijn
migratietheorieen gebasseerd op het relationelekeuzeperspectief
onderscheid push- en pullfactoren voor emigratie: mensen zouden reizen van arme naar werlvarende gebieden en van onveilige naar veilige gebieden. in de praktijk migreren echter juist niet de allerarmsten (zij hebben de middelen niet); migranten zijn vaak mensen die via verhalen/sociale media kennis hebben van mogelijkheden elders
familie afweging
migreren is vaak niet een individuele afweging (bv 1 zoon laten migreren als investering voor de hele familie
kettingmigratie
netwerken van migranten die met elkaar verbonden zijn door familiebanden, vriendschappen of een gedeelde geboortestreek, maken het voor migranten na hen makkelijker om ook te komen en aantrekkelijker om naar hetzelfde land te gaan
irreguliere of illegaal verblijven migranten
migranten die niet (of niet meer) de toestemming hebben te verblijven in het land waar ze zijn
migrant vs expat
vaak worden westerse migranten (kennismigranten) sneller expat genoemd. een voorbeeld van hoe klasse/herkomst het gebruikte label kleurt (denk aan de conflictsociologie en labelingtheorie)
minderheid
een categorie mensen die zich in fysiek of cultureel opzicht onderscheidt, een kleinere groep in de samenleving vormt en vaak door de samenleving geisoleerd en achtergesteld wordt.
kenmerken minderheidsgroep
een gedeelde identiteit gebasseerd op fysieke/culturele kenmerken
vaak (niet altijd) gepaart met achterstelling/achterstand
behoren tot een minderheidsgroep kan werken als een masterstatus die de persoonlijke prestaties van een individu overschaduwt
inwoner met een migratieachtergrond (voormalig allochtoon)
een persoon van wie minstens 1 ouder in het buitenland is geboren
superdiversiteit
de meerderheid van de bevolking is afkomstig uit een veelheid aan landen van herkomst, waardoor een mengeling is ontstaan van talen, culturen, religies, gewoonten en sociale posities. kenmerkend voor grote steden (bv a’dam), waar het onderscheid meerderheid vs minderheid niet meer goed opgaat
etniciteit (cultureel begrip)
een algemene term die verwijst naar een gedeelde culturele achtergrond of erfenis. (mensen definieren zichzelf of anderen als leden van een etnische categorie op basis van gemeenschappelijke voorouders, taal en religie.) - sinds 2022 werken ze met geboren in nl/herkomstland ipv westers/niet-westers
ras (ten onrechte suggestie van overgeerfde biologische eigenschappen)
een sociaal geconstrueerde categorie mensen die bepaalde en in de ogen van de leden van de samenleving belangrijke, overgeerfde biologische eigenschappen gemeen zouden hebben. biologisch gezien is er nauwelijks basis voor rassen: slechts een klein aantal genen bepaalt de uiterlijke kenmerken, en er bestaat meer genetische variatie in een ras dan tussen rassen.
Intersectionaliteitsdenken
het nadenken over hoe de wisselwerking tussen meerdere kenmerken zoals etniciteit, klasse, gender vormen van achterstelling en discriminatie (of juist privilege) tot gevolg heeft voor bepaalde categorieen mensen.
dit kan zowel dubbele achterstelling als privilege blootleggen, bv. witte, hoogopgeleide mannen
Kimberle Crenshaw (zwarte Amerikaanse juriste)
liet zien dat zwarte vrouwen in rechtzaken vaak moesten kiezen tussen een claim op rassendiscriminatie of op vrouwendiscriminatie, terwijl hun ervaring een combinatie van beide was
Wekker en Lutz (2001)
in NL intersectionaliteitsdenken was kruispuntdenken
vooroordeel
een rigide generalisatie over een persoon of een categorie mensen, kan positief of negatief zijn; is functioneel (vereenvoudigt de wereld, versnelt beslissingen) maar risicovol (leidt tot onterechte veroordeling). niemand is volledig vrij van vooroordelen, omdat ze cultureel verankerd zijn
stereotype
een overtrokken beschrijving die wordt toegepast op elk individu dat tot een bepaalde categorie behoort. een specifiek soort vooroordeel. minderheden kunnen hier veel nadeel van ondervinden. (bv op de werkvloer, bij sollicitaties)
sociale afstandschaal (Bogardus)
meet vooroordelen door mensen te vragen hoe dichtbij (van aangetrouwd familielid tot zou niet in het land toegelaten moeten worden) zij leden van een bepaalde categorie zouden accepteren.
sociale afstandsschaal onderzoek uitkomsten (1925 t/m 2011)
de sociale acceptatie van minderheden over de decennia is toegenomen
mensen tegenwoordig minder verschil zien tussen diverse minderheidsgroepen onderling
na 9/11 sociale acceptatie van moslims/arabieren afnam
contacthypothese (Allport)
vooroordelen worden onder bepaalde voorwaarden tegengegaan als leden van verschillende groepen meer contacten hebben over en weer.
(NL onderzoek nuanceert dit: in wijken met veel etnische diversiteit blijkt het onderlinge vertrouwen soms juist af te nemen, mede omdat mensen in de praktijk weinig echt contact met elkaar hebben ondanks de fysieke nabijheid)
racisme
de overtuiging dat een bepaalde raciale en/of etnische categorie van nature inferieur of superieur is aan een andere. een extreme, schade vorm van vooroordeel
instutioneel racisme
het systematisch uitsluiten of discrimineren op basis van geschreven maar vooral ongeschreven regels, tradities, gedrag en omgangsvormen. zit ingebakken in het functioneren van instituties (scholen, belastingdienst, politie, bedrijfsleven - vb. de toeslagenaffaire)
theorie oorsprong vooroordelen: zondeboktheorie
vooroordelen komen voort uit frustratie bij mensen in achterstandssituaties, die dit afreageren op een zondebok
theorie oorsprong vooroordelen: autoritaire persoonlijkheid (Adorno)
extreme vooringenomenheid is een persoonlijkheidseigenschap van bepaalde (vooral streng/conventioneel opgevoede) mensen, die de samenleving zien als een ‘‘van nature’’ competitief systeem waarin de ‘‘betere’’ mensen de zwakkeren mogen overheersen
theorie oorsprong vooroordelen: cultuurtheorie (Bogardus)
iedereen is in zekere mate bevooroordeeld omdat vooroordelen geworteld zijn in de cultuur - je leert binnen je cultuur dat sommige categorieen beter/slechter zijn dan andere
theorie oorsprong vooroordelen: conflicttheorie
vooroordelen worden door machtige mensen gebruikt als middel om anderen te onderdrukken/verdeeld te houden, zodat de ondergeschikten zich niet kunnen verenigen voor hun gemeenschappelijke belangen
discriminatie
de ongelijke behandeling van verschillende categorieen mensen, kan positief (voorkeursbeleid) of negatief zijn en subtiel of openlijk
verschil vooroordelen en discriminatie
vooroordelen verwijzen naar attitudes (denken)
discriminatie verwijst naar gedrag (handelen)
institutionele vooroordelen
vooroordelen die een onderdeel vormen van het functioneren van maatschappelijke instituties (scholen, belastingdienst, politie, bedrijfsleven) - vaak schadelijker dan individuele vooroordelen omdat ze systematisch zijn (bv. banken die vaker hypotheken afwijzen van minderheden bij gelijke condities)
vicieuze cirkel van vooroordelen en discriminatie
vooroordelen en discriminatie ontstaan (vaak uit etnocentrisme of om economische uitbuiting te rechtvaardigen)
dit leidt tot sociale achterstelling van de minderheid (lage positie in het sociale stratificatiesysteem)
deze achtergestelde positie wordt vervolgens gezien als bewijs voor de (aangeboren) inferioriteit van de minderheid - dit zet een nieuwe cyclus van vooroordeel en discriminatie in beweging
positieve discriminatie
voorkeursbeleid om scheefgroei uit het verleden te compenseren door bij gelijke geschiktheid voorrang te geven aan een kandidaat uit een minderheidsgroep.
pluralisme
een situatie waarin mensen zich op basis van hun etnische achtergrond van elkaar onderscheiden, maar een gelijke sociale status hebben. mensen zijn gelijk onderdanks verschillen in uiterlijk/afkomst.
(in EU en VS zijn formeel alle mensen voor de wet gelijk. In de praktijk problematisch: - mensen hechten aan diversiteit maar willen in de praktijk dat toch iedereen gelijk is. - toleratie voor diversiteit heeft grenzen. - mensen met verschillende achtergronden hebben in de praktijk niet gelijke sociale status)
integratie
een persoon of groep is geintegreerd in de NL samenleving wanneer er sprake is van gelijke juridische positie, gelijkwaardige deelname op sociaaleconomisch terrein, kennis van de NL taal en wanneer gangbare waarden, normen en gedragspatronen worden gerespecteerd.
Nieuwkomers moeten bereid zijn te integreren, de samenleving moet integratie mogelijk maken. sinds 2010 ligt de nadruk meer op eigen verantwoordelijkheid/zelfredzaamheid
assimilatie
het proces waarmee minderheden zich langzamerhand de patronen van de dominante cultuur eigen maken (kledingstijl, waarden, religie, taal, vrienden). legt minder dan integratie nadruk op het tweezijdig karakter - het idee is vooral dat de minderheid zich aanpast. kritiek: suggereert dat de minderheid het probleem is
segregatie
de fysieke en sociale afscheiding van categorien mensen. Kan vrijwillig zijn (zelfsegregatie) maar is meestal een initiatief van de meerderheid die een minderheid uitsluit (wijken, scholen, beroepen, ziekenhuizen, begraafplaatsen)
De jure
bij wet vastgelegde segregatie
de facto
feitelijke segregatie
sociale menging
pogingen om wijken te laten bewonen door mensen uit verschillende lagen van de samenleving. bv. via woningstoewijzingsbeleid
genocide
het systematisch uitroeien van een bepaalde categorie mensen door een andere categorie (volkerenmoord). Extreme vorm van racisme/ectnocentrisme. vb. de holocaust, stalins zuiveringen, de oeigoeren in China.
Rite de passage
overgangsritueel (zoals geboorte, puberteit, huwelijk)
migratie als rite de passage
volgens transculturele systeemtherapie valt migratie ook onder een levensovergangsfase: je moet afscheid nemen van het oude en leren omgaan met het nieuwe, dit gaat gepaard met onzekerheid, verlies/verdriet, maar ook hoop en adaptatie
fase 1 migratie: seperatiefase (Van Gennep, Van Bekkum)
de overgang van oud naar nieuw staat centraal. Onzekerheid en rouw om het verlies van dierbaren/gewoonten, maar ook verlangen, euforie en hoop op nieuwe kansen
fase 2 migratie: liminele fase (limes=grens) (Van Gennep en Van Bekkum)
de migrant zit op de drempel: het oude is achtergelaten, maar er is nog geen verbinding met het nieuwe (nergens echt thuis). kwetsbare fase waarin psychische problemen makkelijker ontstaan, vooral bij oorlogstrauma of als migratie samenvalt met een kwetsbare leeftijdsfase (bv. puberteit) of discriminatie/racisme. tegelijk biedt het ‘lege’ karakter van deze fase ruimte voor creativiteit - nieuw gedrag/inzichten ontwikkelen (transitionele ruimte)
fase 3 migratie: re-integratiefase (Van Gennep, Van Bekkum)
het migrantensysteem vindt een nieuw evenwicht en verbindt zich op zinvolle wijze met het nieuwe leven. Verloopt persoonsafhankelijk: sommigen laten het oude volledig los, anderen trekken zich terug in geisoleerde gemeenschappen met behoud van herkomstcultuur
gestapeld verlies
bij elke nieuwe kwetsbare fase-overgang (bv geboorte van kind, overlijden van ouder) kan de oorspronkelijke verlieservaring van de migratie opnieuw gevoeld worden - vooral als eerdere verlieservaringen niet goed verwerkt zijn
enveloppement / beschermjassen
franse transculturele systeemtherapie-term voor het omhullen van iemand in de vertrouwde cultuur van herkomst (taal, eetgewoonten, beelden, rituelen) als veilige basis om zich te hernemen en te re-integreren
Maatschappelijke kwetsbaarheid (Cees Schuyt, 1995)
een zichzelf versterkend proces van mislukking en achterstelling - onvoldoende hulpbronnen om moeilijkheden het hoofd te bieden, waardoor problemen op 1 gebied uitgroeien tot problemen op meerdere gebieden (cumulatief effect)
drie aspecten van kwetsbaarheid
structureel (armoede, huisvesting, opleiding)
cultureel (waardeorientatie, opvoedingsmodellen, kloof tussen hulpvraag en hulpaanbod)
cumulatief (problemen op het ene gebied versterken problemen op het andere
beschermende factoren
individueel (zelfbeeld, sociale competenties)
sociaal (gezinssituatie, ondersteunende relaties)
maatschappelijk niveau (voorzieningen, hulpverleners)
specifieke risicofactoren bij migranten
meervoudige kwetsbaarheid (meerdere levensfaseovergangen tegelijk, vb. migratie & puberteit)
te weinig ruimte voor het transitieproces
hoge verwachtingen vanuit de westerse/moderne samenleving (aanspreekbaarheid, zelfwerkzaamheid)
loyaliteits- en identiteitsconflicten (vooral bij jongeren: bonding binnen eigen groep vs bridging naar de nieuwe samenleving)
blinde vlek voor kracht van families
kwetsbaarheid door positieverandering (statusverlies na migratie)
onderwaardering (discriminatie op de arbeidsmarkt
Caleidescopisch kijken
het benadrukt dat je een persoon of situatie vanuit meerdere invalshoeken tegelijk moet bekijken. (niet alleen vanuit gender maar als gender, leeftijd, klasse, etc.)