1/158
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Aedes
L: woord voor tempelgebouw, zie het Griekse ‘naos’ en ook het Latijnse‘templum’ voor het onderscheid met ‘aedes’.
Agalma
G: godenbeelden
Apotropaïsch
G = afwerend, Apollo kan de pest brengen maar ookafweren en wordt dan aanroepen als Apollo Apotropaios, ook gebruikt voor rituelen,amuletten en alles wat geacht wordt iets af te wenden
Ara
L altaar, zie G bomos
Archigallus
G-L zie gallus, hoofdpriester van de cultus van Magna Mater
Arvales
(fratres arvales) L: gemeenschap van 12 priesters voor de cultus voor Dea Dia:Romeinse godin van de landbouw en het koren; NB ‘arvum’ is een geploegd veld, een akker, itt. Braakland. Een belangrijk heiligdom bevond zich buiten Rome waar oude inscripties bewaard zijn, waardoor het ‘carmen arvale’ (het lied van de Arvales) in archaïschLatijn (218 vot); later ook aan Augustus verbonden; de keizers waren vanaf dan altijd lid vandit broederschap.
Asebeia
G onvroomheid; ‘a’ is een alpha privativumdat wijst op de afwezigheid van iets (vgl. a-theïsme); ‘sebein-sebeia’ verwijst naar het niet of niet correct uitvoeren vanrituele handelingen; maar ook naar de correcte attitude tegenover de goden en de familie, misschien te verbinden met ‘sebas’ = ‘vrees’ ? Zie ook eusebeia G en pietas L
Augur
L : Romeinse priesters (9 later 16 in getale) die de goddelijke tekenen interpreteren om de wil van de goden te kennen; onderscheid tussen augurium oblativum (‘spontaan’ aangeboden door de goden) en augurium impetrativum (gevraagd door de mens, bekomen na observatie): de vlucht van vogels, het eetgedrag van kippen,…; cfr. nu nog ‘inaugureren’ en infra ook ‘auspiciën’
Auspiciën
< avis (mv. aves) = vogel, en specere / spicere = kijken, meerdere vormen, bij elke belangrijke private (huwelijk) en vooral publieke gelegenheid werden eerst de auspiciën genomen door de augur, cfr. inaugureren, vaak een magistraat
Bomos
G altaar, zie L ara
Caerimonia
verwijst naar de handelingen, ‘ritus’ zoals in “ritu Graeco” naar de algemene manier waarop de procedures verlopen, dus waar het moderne woordgebruik ‘rite’ en ‘ritueel’ gebruikt, zouden antieke Romeinen ‘ceremonieel’ zeggen.
Cella
L de ruimte in een tempel waar het cultus-beeld stond
Chthonios
G aarde, grond, onderaards, cfr. autochtoon (van de eigen grond, lokaal)
Epiclese
G is de aanroeping van een god voor hulp maar is ook de term
voor de toevoeging die specifieert welke concrete rol of macht van de betrokken godheid
aanroepen wordt: zoals Zeus van de agora (agoraios) of van de polis (polieus) of van de eed
(horkios): telkens een specifieke manifestatie van “de” godheid Zeus, waardoor één en
dezelfde godheid eigenlijk heel verschillende functies kan vervullen en eigenlijk soms zelfs
zeer verschillende identiteiten kan aannemen. Een ‘epitheton’ wordt in de meer algemene
literaire zin gebruikt voor een kenmerk zoals “de snelvoetige Achilles”
Eusebeia
G de juiste attitude tegenover de goden en de familie, het correct uitvoeren van de voorgeschreven rituele handelingen, cfr. asebeia G en pietas L
Extispicium
L de exta zijn de opperste organen (lever, hart, longen), spicere is kijken, cfr. ‘inspecteren’: vorm van divinatie door het observeren van de ingewanden van een offerdier, G voor lever is hepar, hepatos, cfr. hepatitis, hepato-scopie is dan het inspecteren van de lever
Fanum
L een gewijd stuk land, een heiligdom, cfr. ‘fanaticus’: wie of wat behoort tot een fanum, dus toegewijd, later de betekenis van ‘fanatiek’ of ‘extreem’ toegewijd, cfr. ook ‘profaan’: wat zich voor en dus buiten het heiligdom bevindt, wie of wat niet toegewijd aan een godheid of ingewijd is in een cultus Fastus L (mv. fasti, verzwegen ‘dies’: dag), een dag in de Romeinse kalender waarop men wel (fastus) of niet (nefastus) bepaalde juridische handelingen mocht stellen, ‘fas’ is wat toegelaten is, ‘nefas’ is wat verboden is qua handeling, vandaar ‘nefastus’ als verboden en ook ongelukbrengend
Feriae
L feestdag, religieuze feestdag, bv. de feriae Marti op 1 maart luidden de klassieke start van het nieuwe jaar in (men begon te tellen vanaf maart cfr. onze negende maand ‘september’ is letterlijk in het Latijn ‘de zevende’ (L septem = 7); ‘october’ de achtste (L octo = 8) omdat men telde vanaf “onze derde” maand, die waarop men opnieuw oorlog begon te voeren, toegewijd aan Mars: maart); vanaf het midden van de tweede eeuw vot liet men het jaar starten vanaf januari
Flamen
L priester van een bepaalde godheid, doorgaans toegevoegd welke god: zo bv. de flamen dialis (van Jupiter) of flamen martialis (Mars) of Quirinalis (Quirinus), later ook de naam voor priesters van de keizercultus.
Gallus
G (mv. galli), zie ook ‘archigallus’, vernoemd naar een rivier in het huidige Turkije, geen verband met Gallië, de galli waren eunuchen-priesters in de cultus vanCybele.
Genius
L beschermgeest, etymologisch ‘de verwekker’, (cfr. genesis), elke man heeft er een maar in de familiecultus werd vooral de genius van de pater familias vereerd; voor de vrouw sprak men van ‘Iuno’; discussie of er één genius is voor een familie die dan van pater familias op pater familias overgaat, dan wel louter individueel en dus oorspronkelijk sterfelijk gedacht zoals het individu; soms ziet men ook de genius van een overledenen aanroepen, cfr. Griekse daimon
Haruspex
L (mv. haruspices), persoon die aan haruspicina doet, het bekijken
Holocaust
G offer waarbij het offerdier volledig verbrand werd, cfr. ‘holos’ = geheel, zoals in holisme, en ‘caust’ komt van kaieien, branden, verbranden.
Immolatio
L letterlijk met mola (meel) besprenkelen van een dier voor een offer,ook algemeen voor elk offer.
Inauguratio
L zie augur, het inwijden, inaugureren van een nieuwe priester waarbij men een positief teken vraagt van de goden.
Incubatio
L enkoimèsis G letterlijk ‘slapen in’, praktijk vooral maar niet uitsluitend in de cultus van Asklepios (Aesculaap) om te slapen in een heiligdom in afwachting van een droom waarin de godheid tot de sterveling (meestal patiënt) sprak en een medische analyse maakte en genezing bood / iets anders onthulde
Immolatio
L het voorbereiden en toewijden van het offerdier door het te bestrooien met “mola salsa” een mengsel van meel en zout, is dus niet het eigenlijke doden van het dier, wat “immoler” (F) en “immolate” (E) later in de moderne talen is gaan betekenen
Katharsis
G zuivering, reiniging, beroemd gebruikt door Aristoteles om het effect van de tragedie aan te duiden, maar oorspronkelijk rituele reiniging
Lar
L (mv. lares) lararium (heiligdom voor de lares), oorsprong onduidelijk, zowel beschermgoden van landelijke streken als van wegen en kruispunten, beschermers van reizigers, later ook huisgoden, ‘lar familiaris’ voor elk huishouden, zie ook ‘penates’
Libatio
L Plengoffer, het uitgieten van wijn, of melk of een honingmengsel voor de goden, zie spondè G
Mantis
G ziener, mv. ‘manteis’;mantiek is dan de kunst van het zien van de wil van de goden, en het voorspellen via allerlei “middelen”: het lezen van de hand (cheiro-mantie), het oproepen van de doden (necro-mantie), het interpreteren van patronen in water (hydro-mantie), etc.
Miasma
G rituele bezoedeling, pollutie, rituele bevlekking, zie ook katharsis
Monstrum
L een teken (cfr. monstrans, wat men toont) dat als een goddelijke boodschap begrepen werd, bv. een afwijking bij de geboorte van een dier, vandaar modern ‘monster’
Nomizomena
G ta nomizomena: de traditionele riten zoals voorgeschreven door deplaatselijke gebruiken en gewoontes (nomos = wet, gebruik), zie ook ta patria
Naos
G woord voor tempelgebouw, als woonplaats voor de goden: ‘naein’ = wonen; zie aedes en templum
Numen
L ‘de wil van een godheid’, etymologisch verwant met ‘nuere’ en ‘nutus’: knikken. Het is ook een onzijdig woord dat in een zeer algemene zin ‘godhdeid’ kan betekenen, maar de oorsprong ligt in de etymologie van het knikken en de wilsbeschikking, niet in een on-persoonlijk, pre-theïstisch stadium van de Romeinse godsdienst, zoals men vroeger dacht wanneer men het vergeleek met onpersoonlijke concepten zoals het ‘mana’ van de Polynesiërs.
Omen
L omina mv., cfr. omineus, een voorteken, wat iets voorafschaduwt, in de Oudheid neutraal, pas in moderne tijden heeft ‘omen’ een negatieve bijklank gekregen, maar oorspronkelijk kon het omen zowel positieve als negatieve zaken betekenen
Patria
G, doorgaans in mv. ‘ta patria’, de gebruiken van de voorvaders (pater =vader) of voorouders, de traditionele riten, zie ook ta nomizomena (nomos = wet, gebruik)
Penates
L beschermers van de voedselvoorraad en de voorraadkast (‘penus’):huisgoden naast de meer algemene Lares zie s.v.
Pietas
L de correcte attitude en het vervullen van alle plichten tegenover degoden en de familie, zo wordt Aeneas ‘pius’ genoemd om alle redenen (hij redt zijn vader en de huisgoden uit het brandende Troje en vervult een goddelijk gebod) cfr. eusebeia G
Pomerium
L de grens, de lijn tussen de stad en het omringende platteland (ager), belangrijk voor religieuze en politieke afbakening, de etymologie van dit woord is onduidelijk, het zou met de stadsmuren te maken kunnen hebben (na of voor de muur: post murum of pro muro) maar dit is onzeker. Beroemd is Romulus die met de ploeg de omtrekken van “zijn” Rome trok. Dit gebruik gaat wellicht op de Etrusken terug.
Pontifex
L (mv. pontifices) Romeinse priesters, aan het hoofd van het college van 9 en later 16 priesters met brede bevoegdheid stond de ‘pontifex maximus’ (later titel van de paus, maar er was geen vergelijkbare functie in de antieke Romeinse culten). De etymologie is wellicht ‘weg-bereider’ (pons = pad, fex, facere = maken).
Prodigium
L een wonderlijk teken. In de moderne talen heeft het een positieve betekenis gekregen (denk aan prodigious, child prodigy) maar in de Romeinse Oudheid was het doorgaans een teken gezonden door de goden om aan te duiden dat de verstandhouding met de goden (de ‘pax deorum’) verstoord was. Dit kon gaan om een misvorming bij een geboorte, een blikseminslag
Sacrificium
L sacer, sacra + facere / ficere: een offer brengen, G thysia
Salii
L (van salire = dansen) 12 dansende, springende priesters die een schild bewaarden dat uit de hemel gevallen zou zijn, in de tempel van Mars bewaard werd en de voorspoed van Rome verzekerde; 11 schilden waren exacte kopieën om te verdoezelen welk schild “het ware” was, cfr. het eveneens uit de hemel gevallen beeldje (Palladium) dat Troje beschermde (en door de Grieken gestolen werd).
Sive deo sive deae
L formule NB fout in handboek p. 24, moet ‘deae’ zijn en niet ‘dea’: “aan U, weze U een god of een godin”, die wijst op de wens om in riten geen “procedure- fouten” toe te laten, maximaal inclusief te zijn
Spondè
G plengoffer, het mv. spondai kan ook ‘bestand’ of ‘verdrag’ betekenen, zie ook libatio
Supplicatio
L offer van wierook en wijn (ture ac vino) als dank aan de goden of ook om gevaar af te wenden, iets af te smeken.
Tauroctonie
G letterlijk ‘het doden van de stier’ centrale mythe in de Mithras-cultus, afgebeeld in de mithraea, correspondeert niet met een echte rite in deze cultus, dus niet te verwarren met het taurobolium.
Taurobolium
G stierenoffer in de cultus van Magna Mater Cybele, oorspronkelijk misschien een soort stierenvechten (bolium kan van ‘ballein’ gooien afgeleid zijn), later een publiek offer waarin de kracht van de stier (via het bloed en de testikels) geacht werd tijdelijke bescherming te bieden. Er zijn late en onbetrouwbare christelijke literaire beschrijvingen van het taurobolium als een heidense bloed-doop / vorm van private initiatie waarbij men het bloed over een persoon in een put liet lopen.
Temenos
G van ‘temnein’, snijden, afsnijden: de ruimte afgebakend voor de goden, sacraal gebied waarop altaren, tempelgebouwen e.d. gebouwd waren en waarbinnen de diverse religieuze regels golden.
Templum
L a deel van de hemel waarin men goddelijke tekenen observeert, b een ritueel afgelijnd stuk grond (bv van waaruit men de auspiciën observeert) en c een heiligdom, dat al of niet een gebouw omvatte waaraan het moderne woord ‘tempel’ refereert, cfr. aedes
Thysia
G offer, L sacrificium
Vates
L een zanger, profeet die in verzen de toekomst voorspelde, een dergelijke voorspelling is dan een ‘vaticinatio’
Votum
L belofte, gelofte, ‘ex voto’ is standaard uitdrukking dat men iets doet ter vervulling van een gelofte, en dan datgene dat men beloofd had (bv. de gave zelf, het votief-geschenk
Xoanon
archaïsch houten object, soms an-iconisch, soms een beeltenis van een godheid, wijst op mogelijkheid om goden op een non-anthropomorfe manier te “representeren”
Aphrodite
Venus
Apollo (Phoibos)
Apollo
Ares
Mars
Artemis
Diana
Athena
Minerva
Demeter
Ceres
Dionysos
Bacchus (geen olympische ?)
Hephaistos
Vulcanus
Hera
Juno
Hestia
Vesta
Hermes
Mercurius
Poseidon
Neptunus
Zeus
Jupiter
Ouranos
Uranus
Gaia
Tellus (Terra Mater)
Kronos
Saturnus
Rhea
Rhea (Cybele)
Hades
Pluto
Hecate
Hecate “trivia” (van de driesprong, ook Diana Trivia)
Persephone (Korè)
Proserpina
Asclepius
Aesculapius
Cybele
Magna Mater (ook Rhea, Demeter,)
Dikè
Iustitia
Erinyen
Furiae
Eros
Cupido
Fortuna
Tychè
Helios
Sol
Nikè
Victoria
Pan
Faunus
Selene
Luna
Tychè
Fortuna
Jupiter Dolichenus
Jupiter Heliopolitanus
Quirinus / Romulus
vergoddelijkt als Quirinus (oorspronkelijk Sabijnse godheid, in trias met Jupiter & Mars)
openbaringsgodsdienst
is op een bepaald moment gestart, heeft een heilig boek,
obv het gezag van persoon of personen die een goddelijke openbaring hebben gehad.
ichtus
Iesous
Christos
Theou
Uios
Sotèr
eucharistie
bedanken
evangelie
blijde boodscha
christos
de gezalfde
Diesjenseitig
in deze wereld
orthopraxis
(dagelijkse) handelingen van de religie
belangrijk bij de griekse en romeinse godsdiensten
credo
geloofsbelijdenis
N.F.
F.
N.S.
N.C.
non fui
fui
non sum
non cura
= ik was niet, ik was, ik ben niet, het kan mij niet schelen
geen geloof in een hiernamaals
katabasis
tocht door de onderwereld