1/118
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
behandeling GPA (granulomateuze polyangiitis) met ernstige vasculitis
methylprednisolon/cyclophosphamide (of evt. rituximab)
plasmapheresis: bij longbetrokkenheid, ernsig nierinsufficientie of snelle stijging creatinine
acute dialyse: bij aanhoudende creatininestijging, hyperkaliemie,acidose of overvulling
nicotine invloed nieren
bevorderd vasoconstrictie, endotheelschade, oxidatieve stress en therosclerose
hierdoor neemt nierdoorbloeding verder af en versnelt de achteruitgang nierfunctie
overgewicht invloed nier
leidt tot hyperfiltratie van resterende nefronen, activiteit RAAS, toename hypertensie en toename van inflammatoire cytokinen
versnelt progressie van chronische nierschade
bloeddruk
bepaald door: hartminuutvolume * perifere vaatweerstand
ontregeling kan schade opleveren aan: hersenen, retina, hart en nieren
complicaties van CNI
anemie (door verminderde erytropoetineproductie)
vit D-deficientie
hypocalciemie
hyperfosfatemie
secundaire hyperparathyreoidie
metabole acidose
hyperkaliemie
verhoogd risico op cardiovasculaire aandoeningen
factoren achteruitgang nier bij CNI
hypertensie
proteinurie
verhoogde eiwitinname
hyperlipidemie
obesitas
roken
onvoldoende regulatie van diabetes
ADPKD en CNI
ADPKD is belangrijke erfelijke oorzaak voor CNI en gaat gepaard met afwijkingen buiten de nier:
levercysten
cerebrale aneurysmata
hartklepafwijkingen
diverticulose
diagnostiek:
vergrote, palpabele nieren
pos famgeschiedenis
echo met multiple cysten
verminderde nierfunctie
proteinurie + hematurie
HUS - Hemolytisch Uremisch Syndroom
behoort tot de groep van trombotische microangiopathieen (TMA)
kenmerken zijn:
microangiopathische hemolytische anemie (= een vorm van hemolytische anemie waarbij rode bloedcellen kapotgaan doordat ze mechanisch beschadigd worden in kleine bloedvaten)
trombocytopenie (verlaagd aantal bloedplaatjes)
acute nierinsufficientie
door endotheelschade ontstaat micotrombi in kleine bloedvaten → orgaanschade (vooral in nieren)
acute tubulusnecrose (ATN)
meest voorkomende oorzaken van ANI
ontstaat meestal na ischemie, ernstige hypotensie of toxische schade
door beschadiging van tubuluscellen neemt filtratiecapaciteit af en onstaat oligurie
diagnostiek: serumcreatinine, urineproductie+sediment, fractionele Na-excretie, echo van nieren
laparoscopische donornefrectomie
via kleine openignen instrumenten en camera inbrengen
nier zorgvuldig vrijmaken van omliggende structuren, waarna ureter, arterie en vene afgesloten en doorgenomen worden
nier via kleine incisie verwijderd + directo gespoeld met preservievloeistof en gekoeld bewaard
hand-assisted laparoscopische techniek
variant van laparoscopische donornefrectomie
hierbij kan chirurg zijn hand in buikholte brengen om dissectie te vermakelijke
voordelen + risico’s levende donatie
transplantatie onder optimale omstandigheden, ischemietijd kort, kwalitiet donororgaan uitstekend → langer levende-donornieren
chirirugische ingreep met inherente risico’s → kans bloedingen, wondinfectie, urineweginfectie + pneumonie
donor = op lange termijn mogelijk licht verhoogde kans nierfunctiestoornissen
miltiorgaandonatie bij overleden donoren
meerdere organen efficiënt + minimale schade verwijderen
met laparotomie
na dissectie → koelen organen extern + intern gespoeld met koude preservatievloiestof (verminderd metabole activiteit + schade ischemie)
systemisch verwijderen organen; nieren vaak laatste
bij DCD-donoren = procedure sneller verlopen → organen vooraf aan retrieval een periode zonder circulatie heben doorgemaakt
DCD- donoren vaak minder gunstige uitkomst - dor ischemische periode vooraf
preservatie en ischemietijd
na verwijdering worden donororganen opgeslagen in perservatievloeistof bij ong 4 graden celcius → koude ischemie
nieren kunnen ong 24h bewaard worden → maar kortere ischemietijd = betere resultaten
vooral bij DCD-donoren is tijd van belang
machineperfusie (na koude opslag) = nier continu doorstromen met perservatievloeistof → kwaliteit van orgaan verbeteren + voordelen bij marginale donororganen
toegang tot de retroperitoneale ruimte
begin - huidincisie in onderbuik → lengte hangt af van bouw, maar einidgt boven schaambeen
subcutane vetlaag + verschillende spierfascine systematisch geopend → structuren als inferieure epigastrische vaten + zaadstrengen man identifiseren + beschermen
nu peritoneum wegduwen = retroperitoneale ruimte bereiken
a + v iliaca vrijprepareren uit vet/lymfeweefsel → vaatklemmen velieg aanbrengen + a wanden prepareren om atherosclerose uit te sluiten
voorbereiding van donornier
uit koude bewaring gehaald + voorbereid voor implantatie
vaak nog pre-transplantatiebiopsie verricht
nier wordt in optimale positie in iliaca fossa geplaatst → lengte van A + V indien nodig aangepast
hoekhechtingen aangebracht aan de nierader om veneuze anastemose technisch te vermakkelijken
vasculaire anastomosen
als eeste bij transplantatie aangesloten
v. iliaca afgeklemd, geopend + gespoeld met heparine-oplossint om trombotisch materiaal te verwijderen
v. renalis met continue niet-resorbeerbare monofilamenthechting verbonden aan iliacale vene = hoge precisie nodig
arteriele anastomose
a. iliaca, meestal a. iliaca communis geopend + vergroot met aortapunch + heparine-oplossing om lumen te schonen
voor reperfusie wordt neirarterie tijdelijk geklemd = voorkomen evt. bloedstolsels in nier komen → vaatklem verwijderen = bloed naar nier → nierkleur van bleek naar roze = succesvolle reperfuse
urologische reconstructie bij niertransplantatie
ureter verbonden met blaas na herstel bloedcirculatie
blaas vullen met fysiologisch zout via katheter en dan ureter op juiste lengte afsnijden + speculeert (uiteinde longitudinaal openen om brede aansluiting mogelijk te maken)
ureter onder epigastirshe vaten + zaadstreng geleid richitn blaas (soms urinoproductie zichtbaar = goed teken van onmiddelijke nierfunctie)
blaaswand openen en ureter met semi-resorbeerbare hechting → dan spierlaag blaas over ureter sluiten om klepmechanisme te maken dat vestco-ureterale reflex moet voorkomen
verminderd risico opstijgende urineweginfecties + nierschade
sluiten wond bij niertransplantatie
alle fasciale lagen anatomisch gelsoten met semi-resobeerbare hechtingen
subcutane laag + huid gesloten met resorbeerbaar hechtmateriaal
chirurgische complicaties als vroege bedreiging na niertransplantaat
kunnen doorbloeding of afvloed van getransplanteerde nier verstoren en acute nierschade veroorzaken
belangirjke voorbeelden:
trombose van A of V
bloedingen
urinelekkage
ureterstenose
wondcomplicaties
lymfoceles (ophoping van lymfevocht)
diagnose: berust op klinische evaluatie + beeldvorming (Doppler-echo)
delayed graft function (DGF) en ischemie-reperfusieschade
2e belangrijkste oorzaak van vorige functiestoornissen
DGF vaak veroorzaakt door ischemie-reperfusieschade → onstaat doordat tranplantaat tijdelijk zonder bloedtoevoer verkeerd tijdens uitname - inname
geassocieerd met slechtere langetermijnfuctie + verminderde graft survival
risicofactoren:
transplantatie van overleden donoren
donatie na hersendood
hogere donorleeftijd
comorbiditeit van donor
verminderde nierfunctie donor
diagnose bevestigd met nierbiopt → onderscheid maken ischemische en transplantatiedysfunctie
overige oorzaken van vroege transplantaatdysfunctie
recidief van oorspronkelijke nierziekten: terugkeer in transplantaat + kunnen progressieve schade geven
hypotensie + verminderde perfusie: kan acute nierschade geven
calcineurineremmertoxiteit: immunosuppressiva kunnen vasoconstrictie van renale vaten veroorzaken
infecties: urineweginfectie of virale infectie → diagnostiek: kweek + bepaling virale load
» vaak niet aanwezig tot de eerste maand, beinvloeden langetermijn uitkomsten
acute rejectie en immunologische schade
veroorzaakt infectie + fibrose → lange termijn kan leiden tot progressieve achteruitgang nierfunctie
kans hierop bepaald door meerdere immunologische risicofactoren:
mate HLA-mismatch
eerdere sensibilisatie
aanwezigheid donor-specifieke antistoffen
therapietrouw van patient
diagnose: nierbiopt → lab + klinsch niet specifiek genoeg
diagnostische benadering - niertranspantaatdysfunctie
systemische aanpak is essentieel
diagnostische middelen:
anamnese + LO
Doppler-echo
lab-onderzoek
microbiologische diagnostiek
spiegelbepaling van immunosuppresiva
nierbiopsie (centrale plaats, omdat noodzakelijk is onderscheid maken tussen verschillende oorzaken)
3 belangrijskte doodoorzaken van transplantatiept’s op de lange termijn zijn
cardiovasculaire aandoeningen, infecties en maligniteiten
hangen sterk samen met langdurige immunosuppressie + verhoogde comorbiditeitslast van pt’s met terminale nierfalen
beperkte vooruitgang in langetermijn-graftoverleving
korte termijn veel vooruitgang, lange termijn bijna niet
ong helft van late graftverlies veroorzaakt wordt door overlijden van pt’ terwijl transplantaat nog functioneert → graftoverleving naast immunologische factoren ook afhankelijk van alemene gezondheid + systemische complicaties
oorzaken van late graftdysfunctie
interstitiele fibrose (chronische allograftnefropathie)
grootste categorie
gekenmerkt door progressieve littekenvormign in transplantaat + enkle difinitief worden vastgesteld via nierbiopsie
fibrose weerspiegeld vaak combi van chronische immunoligische schade, ischemische schade + toxiciteit meds
afstoting - acuut/chronisch → nierbiopsie nodig voor diagnose
andere oorzaken: recidief van oorspronkelijk nierziekte + toxcitiet van calcineurineremmers (daarom spiegel van meds goed in gaten houden)
infectieuze complicaties + obstructieve of urologische problemen → acheruitgang nierfunctie (systemische diagnostiek nodig)
doel toekomstige transplantatieonderzoek
verminderen of elimineren van langdurige immunosppressie om infecties, maligniteiten en toxiciteit te voorkomen
→ denk bij zwangerschap, dan kan lichaam ook geheel vreemd organisme dragen zonder afstoting
allo-immuunrespons als basis van afstoting
begin- T-lymfocyten van ontvanger komen in contact met antigeenpresenteerdende cel die donorantigenen presenteren in secundaire lymfoide organen → vormt basis van signaal 1
TCR herkent donorantigenen op MHC -1 of 2 moleculen = signaal 1
voor activatie is binding van CD80/86 van antigeenp.cel bindt aan CD28 van T cel = signaal 2
beide signalen nodig voor activatie van T-cel
na activatie → stijging intracellulaire calciumconcentratie → activatie van calcineurine (enzym) → defosfoyleert transcriptiefactor NFAT → dze clekern kan binnendringen + transcriptie van IL-2 stimuleert
IL-2 is essentieel voor proliferatie T-cellen + versterkt immuunrespons tegen transplantaat
hierna activeert IL-2 via zijn receptor meerdere intracellulaire pathways → mTOR-signaalpad = initieert celcyclus + lymfocytenproliferatie
3 vormen van immuunsuppressieve therapie
inductietherapie = direct na transplantatie toegepast om initiele immuunrespons krachtig te onderdrukken
onderhoudstherapie = langdurig gebruiken om acute afstoting te voorkomen
rescue-therapie = inzetten bij acute rejectie-episodes
calcineurineremmers en blokkade van T-celactivatie
belangrijkste geneesmiddel in transplantatiegeneeskunde = tacrolimus → bindt aan intracelluliare FK506-bindende eiwitten + vormt complex dat calcineurine remt
hierdoor NFAT niet naar kern mirgeren + productie van IL-2 onderdrukt = gevolg sterke remming T-celactivatie
co-stimulatieblokkade met belatacept (CTLA4-ig-fusie-eiwit) → bindt aan CD80/86 op antigeenp. cel en hindert interactie met CD28 T-cel = geen Tcelactivatie
remming van Il-2 en mTOR-signaaltransductie
basiliximab → monoklonaal anitlichaam gericht tegen CD25 (alfa-keten van IL-2-receptor op geactiveerde lymfocyten) → door deze receptor te blokkeren kan IL-2 geen proligeratiesignalen doorgeven
selectief remmen expansie van geactiveerde T-cellen
sirolimus en everolimus → werken verder stroomafwaarts in dezelfde pathway → vormen complex met FKDP12 → remmen mTOR (is essentiel voor progressie van celcyclus) - aanwezigheid van IL-2 signalen maakt niet meer uti
‘signaal 3’ van immuunrespons onderbreken
antimetabolieten en remming van DNA-synthese
mycofenolzuur → remt inosine-monofosfaatdehydrogenase (sleutelenzym in novo synthese guanosinenucleotien) → T/B-cellen zijn sterk afhankelijk van deze route, waardoor ze zo selectief geremd worden in proliferatiecapaciteit
azathioprine → omgezet in 6-mercaptopurine in lichaam + interfereert met urinemetabolisme en DNA-synthese
vooral in prolifererende cellen (zoals lymfocyten) hierdoor snel getroffen
» beide middelen berhofen tot antimetabolieten die proliferatie immuunsysteem verhinderen
klinische resultaten en beperkingen - immuunsuppressieve regines
1e jaarsoverlevign uitstekend
langetermijn suboptimaal → ernstige bijwerkingen
verhoogde kans infecteis, malgintieten, cardiovasculaire aandoeningen
centrale klinisch dilemma: evenwicht tussen onder- en overimmunosuppresie vinden
deplaterende antilichamen
alemtuzumab → bindt CD52 op T/B cel → veroorzaakt celdestructie via complementactivatie, antibody dpeendent cellular cytotoxity (ADCC) en inductie van apoptose
anti-thymocytglobuline (ATG) → werkt vergelijkbaar maar is polyklonaal en gericht tegen meerdere antigenen op lymfocyten
rituximab → gericht tegen CD20 op B-cel + induceert selecteive B-celdepletie via complemetgemedieerde lysis en ADCC
vooral relevant bij humorale immuunreacties
nieren niet goed functioneren, geeft volgende symptomen:
volume overload: door vermidnerde productie urine
accumulatie van afvalstoffen: hyperkaliemie kan tot hartritmestoornissen leiden
hypertensie: door verhoogd RAAS systeem
anemie: door verminderde productie EPO
slechte botkwaliteit: door verminderde vit D activatie onstaat er hypocalciemie → PTH activiteit
PTH → kalk opname vanuit botten om lage calcium te compenseren = kwaliteit van botten vermidnert + risico fracturen verhoogd
metabole acidose: door verstoorde zuur/base-regulatie
nieren functies
productie van urine
excretie van afvalstoffen
bloeddruk regulatie via RAAS systeem
productie van erytrocyten via EPO
activatie van vit D: vit D is nodig om calcium op te nemen vanuit dieet
zuur/base regulatie
nier opbouw
nierschors → glomeruli = kleine filtartie organen zetten 180L om in gem 2L urine per dag - vooral met afvalstoffen
proximale deel = resorbeert stoffen: zouten + aminozuren
distale deel en verzamelbuis = vooral voor vochthuishouding
gebeurd vooral in lis van Henle
beschadiging = proces langzamer

RAAS systeem
als nieren niet genoeg doorbloed wordt RAAS geactiveerd via volgende stappen
macula densa cellen in juxtaglomerulaire apperaat produceren renine
renine zet angiotensine vanuit lever om in angiotensine II (active vorm)
antiotensine II acitveer volgede processen
sympathicus activatie: vasoconstrictie
aldosteron productie in bijnieren: water + zout vasthouden
ADH productie in hypofyseachterkwab: water vasthouden
creatinine en nierwerking
creatinine wordt volledig uitgescheiden door nieren → als marker gebruikt om te kijken hoe goed glomeruli werken
‘hoe meer creatinine er is in bloed = hoe minder goed de nieren werken’
pre-renale acute nierinsufficientie
hierbij is sprake van uitdroging of dehydratatie
nieren werken dan minder goed door verminderde perfusie
oorzaken: braken, diarre, misselijkheid, overmatig zeten en gebruik diuretica
LO: lage bloeddruk + gewichtverlies
behandeling: infuus met vloeistof
post-renale acute nierinsufficientie
vaak door obstructie, zoals; prostaathypertrofie, ovariumcarcinoom, urethrale stricturen, bilaterale nierstenen of blaasdysfunctie
druk op beide nieren → onstekingen onstaan in nierweefsel en tot littekenvorming kan leiden
schade is grotendeels reversibel: bij tijdige handelen kan druk nieren weg gehaald worden met drainage
diagnostiek: echo, vaak pyelum opgezet door stuwing
renale acute nierinsufficientie
stap 1 bij verdenking = urinesediment of dipstick doen
bloed in urine = nefritisch probleem
dysmorfe erytrocyten/cilinders = glomerulus → glomerulonefritis
eiwit in urine = nefrotisch probleem
urine normaal = probleem in interstitium of tubulus (subulo-interstitieel)
voorbeelden van tubulo-interstitieel problemen zijn:
tubulo-interstitiele nefritis: door overgevoeligheidsreactie (bv allergische reactie op meds)
nierbiopt: onstekingcellen aanwezig waardoor tubuli uit elkaar worden geduwd
behandelign: prednison
acute tubulus necrose: door hypoxie
» GEEN eiwitten of rode bloedcellen in urine
glomerulaire oorzaken voorbeelden:
nefritis: IgA nefropathie, Alphort syndroom, vasculitis
nefrtoisch: HIV, diabetische nefropathie, FGSS, minimal change
vasculitis = nefritisch probleem wat hematurie veroorzaakt
ontsteking kan crescentisch noemen → omsteking zich uitbreidt buiten bloedvaten tot ook het kapsel → deze gaat hierdoor sikkelvormig worden
nefrotische oorzaken → buitenkant van capillaire in podocyten
schade aan podocyten = podocytopathie → resulteert in proteinurie
acute nierinsufficientie: etiologische indeling

acute vs chronische nierinsufficientie

chronische nierinsufficientie (CNI)
aanwezigheid van nierschade die op verschillende manieren manifesteren
in urine: proteinurie en afwijkingen in urinesediment (betreft aantal cellen + type cellen dat in urine zit) → zo problematiek nieren achterhalen
radiologische afwijkingen: cystennieren op echo → vroeg stadium geen afwijkingen in urine
pathologische afwijkingen in biopt
verminderde nierfunctie → klaring < 60 mL/min (normaal ± 120)
duurt langer dan 3 maand
probleem bij CNI
functie van nieren zijn verwijderen van water + zout, verwijderen afvalstoffen, productie/omzetten van hormonen en in stand houden zuur-base-evenwicht
problemen bij CNI
te veel vocht door verminderde klaring
opstapeling van afvalstoffen: fosfaat, creatinine + eiwitgebonden stoffen
verstoorde aanmaak van hormonen die bleoddruk, botopbouw + rode bloedcelaanmaak reguleren
classificatie van chronische nierinsufficientie algemeen
stadium 1: GFR > 90 mL/min + albuminurie
stadium 2: GFR 89-60 mL/min
stadium 3: GFR 59-30 mL/min → A / B onderscheid om risico op terminale nierfalen beter in te schatten
IIIA: GFR 45-50 mL/min
IIIB: GFR 30-44 mL/min
stadium 4: GFR 29-25 mL/min
stadium 5: GFR < 25 mL/min
classificatie van chronische nierinsufficientie stadium 1
GFR > 90 mL/min + albuminurie
930.000 - vaak eerste fase met D. nefropathie
classificatie van chronische nierinsufficientie stadium 2
GFR 89-60 mL/min
680.000 incidentie
classificatie van chronische nierinsufficientie stadium 3
GFR 59-30 mL/min → A / B onderscheid om risico op terminale nierfalen beter in te schatten
IIIA: GFR 45-50 mL/min
IIIB: GFR 30-44 mL/min
incidentie 480.000
classificatie van chronische nierinsufficientie stadium 4
GFR 29-25 mL/min
incidentie 12.000
classificatie van chronische nierinsufficientie stadium 5
GFR < 15 mL/min
6.000 incidentie
stadia chronische nierinsufficientie (CKD) en actieplan

actieplan CNI
hangt af van stadium patient
eerst gezocht naar hoog risico pt’s op CNI
nierschade + lichte nierinsufficientie moet men diagnose vaststellen; diabetes of hypertensie
progressie van ziekte moet progressieve factoren aanpakken + complicaties behandelen
verdere verstoring = voorbereiding nierfunctie verslechteren + kalring achteruit - transplantatie, hemodialyse, peritoneale dialyse of conservatief beleid
nierfalen past men nierfunctievervangende behandeling toe → meestal gestart bij klaring van 10mL/min
ernst nierinsufficient kan gesteld worden aan hadn van complicaties: weinig oedeem + geen anemie = nog niet heel ernstig
screening CNI
risicogroepen: diabetes, hypertensie, hart/vaatziekten
afwijkingen in coronairarterien zijn uiting van systemische aantasting van bloedvaten → kan presenteren in herseninfarct, hartinfarct of verminderde nierfunctie = afhankelijk van wel orgaan vascualaire afwijking het grootse is
in feite zijn er echter in elk vat afwijkingen
nierschade → met urineonderzoek - gekeken naar albumine + erytrocyten
macroscopische hematurie = vaak urologisch probleem
estimated GFR → schatting van GFR gemaakt aan hand van serum creatinine (CKD_EPI of MDRD-formule)
creatinine
afkomstig uit spierweefsel
gefiltreerd, niet geresorbeerd + deels gesecreteerd (15-35%)
endogene creatinineklaring (ml/min) = (creatinine in 24h urine * 700) / (plasma creatinine * 700)
kan onbetrouwbaar zijn door overschatting nierfunctie
vroege fase nierschade is dit geschikt
pas bij < 60 mL/min klaring = creatinine stijgt in bloed
verlies van nierfunctie met veroudering → daarom < 60ml/min klaring bij iemand van 80 hoeft niet pathogeen te zijn
bij geen proteïnurie, hematurie of hoge bloeddruk = geen probleem
oorzaken chronische nierinsufficientie - overzicht

nierbiopsie
alleen gedaan als deze therapeutische consequenties heeft
complicaties van biopsie: bloeding, behoefte tot transfusie en verlies van nier
indicaties:
progressief nierfunctieverlies
proteinurie
therapeutische consequenties
contra-indicaties: hypertensie (>160/100 mmHg) en verhoogd bloedingsneiging (bv door antistolling gebruik)
behandelbare factoren bij CNI

stadium II CNI - behandeling
hierbji is licht verlaagde GFR
behandeling is aanpakken progressiefactoren
hypertensie, proteinurie, roken → schade aan bloedvaten, hyperglycemie, overgewicht en hyperuricemie
onbehandelbaar = genetische predispositie
CNI symptomen
vaak pas bij stadium II-III zichtbaar
vermoeidhied, kortademigheid, hypertensie, hoofdpijn, jeuk, verminderde eetlust, braken, misselijkheid, hyperventilatie en gewichtstoename
hypertenise is oorzaak van progressie + gevolg → moet altijd behnadled worden
bv door leefregels: zoutbeperking, lichaamsbeweging + afvallen bij overgewicht + meds (ACE-remmers- deze geven ook gunstig effect op proteinurie)
stadium IV CNI- complicaties
hypertensie meeste voorkomende complicatie vanwege water-/zoutretentie
RAAS-systeem speelt rol → aldosteronsysteem geactiveerd en vasoconstrictie optreden
hyperparathyreoidie is daarna meest voorkomende complicatie, met daarna anemie en hyperfosfatemie
complicaties overzicht van CNI en bij welk stadium ze onstaan

CNI belangrijkste complicaties per stadium

hypertensie
bijna altijd combi van te veel water en te veel vasoconstrictie
zowel oorzaak + gevolg van CNI
behandeling: zoutbeperking, lichaamsbeweging, afvallen
meds: Ace-remmers en diuretica (zodat toename Na-excretie → intravasculair volume afnemen)
praktijk vaak maar 1 voorgeschreven met hoge dosering → bijwerkingen hoog
meerdere meds beter omdat multifactoreel is → lagere dosis → minder bijwerkingen + meer aspecten behandelen
anemie
ontstaat bij CNI
behandeling: EPO geven
streefwaarde van Hb met EPO = ong 6,2-7,4
risico op hypertensie en CVA’s
hyperparathreoidie
normaal: nier verwijdert fosfaat, maar bij CNI gebeurt dit minder = stijging fosfaat in bloed (hyperfosfatemie)
fosfaat bindt aan vrij calcium in bloed → lichaam denkt dat ‘te weinig calcium’ is, waardoor bijschildklieren PTH gaan maken
PTH meer calcium verkrijgen door
verhoogd afbraak bot
calciumretentie nier verhogen
vit D activeren
dus ↑ fosfaat → ↓ calcium → ↑ PTH
dit is secundaire hyperparathyreoidie
na jaren verhoogde PTH waarden blijft dit verhoogd, ook als calcium daalt = tertiaire hyperparathyreoidie
vaatverkalking onstaatkundig doordat calcium-fosfaat kristallen gaan neerslaan en afzetten tegen bloedvaten = vaatcalcificaties
bloedvaten worden hart, komt hogere bloeddruk + meer cardiovaculaire problemen
kalk zit bij CNI in tunica media (ipv in intima bij atherosclerose)
ook als calcium normaal is en verhoogd fosfaat → verkalking onstaan
CNI leidt ook tot lage concentratie vit D → in nier wordt calcidiol (inactieve vorm) → calcitriol (actief) = lukt niet bij nierfalen » behandeling ook vit D geven (vaak ook tekort aan inactief vit D)
hyperparathreoidie behandeling
vit D management
colecalciferol
alfacalcidol
fosfaat menagement
fosfaatbeperking (zuivel, vlees, fristrank)
fosfaatbinders
parathyreoidectomie: wanneer tertiaire hyperparathyreoidie niet meer goed is te krijgen
metabole acidose
pH daalt < 7,35, primair door bicarbonaat < 22 mmol/l
mogelijke oorzaak: afname NH4+ excretie
gevolgen: hyperkaliemie + vermidnerde efficientie van enzymfuncties
behandeling: eiwitbeperkt dieet (predialyse) + natriumbicarbonaat suppletie (tabletten)
hyperkaliemie
kalium > 6 mmol/L
oorzaken: afname renale excretie, acidose, kaliumrijk dieet en meds (ACE-remmers, NSAID’s, heparine)
gevolgen: ritmestoornis + parese
behandeling: K-beperking, resonium, natriumbicarbonaat en calcium IV, glucose/insuline + salbutamol
ong 40% van nierpt’s overlijdt door cardiale oorzaak → onder andere door coronairarterie problematiek + L ventrikel dilatatie
streefwaarden + behandeling bij complicaties door CNI

doodoorzaken bij dialysepatienten
coronaire hartziekten, CVA’s, infecteis en andere hartziekten
kanker minder vaak doodsoorzaak, aangezien cardiovasculaire aandoeningen vaker voorkomen + groter risico vormen
vermidnerde immuniteit is een probleem
verwijzen patient naar internist-nefroloog als:
oorzaak van CNI onduidelijk is
progressie van nierfunctieverlies, ondanks behandeling
behandeling van metabole complcaties (anemie, hyperPO4)
stadium 4/5 (GFR < 30ml/min) voor tijdige voorbreiding dialyse en transplantatie
autonomie
recht om zelf beslissingen te maken
rechtvaardigheid
eerlijkheid in de verdeling en selectie van donoren - in de casus
weldoen
beste doen voor het welzijn van patient
postmortaal donatie
na hersendood of circulatiore dood doneren
2 centrale kernvragen uit debat van ethiek en recht:
hoe kunnen we het aanbod van organen verhogen (moet dat wel willen)
hoe kunnen we het aanbod rechtvaardig verdelen
welke organen zouden we voor transplantaties aan moeten bieden
moeten er andere voorwaarden zitten aan postmortale/levende donatie
wet van orgaandonatie (WOD)
in 2020 → mensen moeten aangeven als geen donor willen zijn → word opgenomen in actieve donorregistratiesysteem (ADR)
iedereen die niet ingeschreven staat = keuze maken
wel donor, niet donor of keuze aan fam/1 persoon
2x niet reageren op breiven = geen bezwaar op donor zijn
kernpunten WOD
verhogen aanbod van organen + donoren via centraal register
rechtvaardige verdeling beschikbare organeen via limitatieve critereia
preventie van commerciele praktijken: commerciele donatie is strafbaar
vergoeding voor donatie mag niet hoger zijn dan de kosten
er wordt bemiddeld bij commerciele donatie
waarborgen ter bescherming donor
donor moet uit vrije wil/eigen keuze doneren
duidelijke vaststelling voor als iemand dood is (hersendood)
toestemmingssysteem (opt-in)
houdt in dat een burger aangeeft donor te willen zijn
bezwaarsysteem (opt-out)
hierbij wordt ervanuit gegaan dan mensen die niet reageren, donor willen zijn
donatie na overlijden
hersendood vaststellen: sprake van volledig + onherstelbaar verleis van functie hersenen, inc. hersenstam + verlengde merg = hiervoor is speciaal hersendoodprotocol → aangeeft vaststellen hersendood
circulatoire dood = onomkeerbare afwezighed van circulatie + ademhaling
voorbereidende maatregelen: voor dood → bv kunstmatige beademing/ondersteuning circualtie om nieren goed te houden
dit mag niet in strijd zijn met evt. vormen van behandeling (deze moet klaar zijn)
alleen van worden afgeweken als uitstel voorbreidende handelingen tot na vaststellen dood niet mogelijk is
zijn organen die alleen postmortaal (bv hart), gedoneerd mogen worden → ethiek vraagstuk of niet voor doodverklaring mag als weet dat iemand spoedig zal overlijden (nu mag dat NIET)
nabestaanden niet willen doneren → duidelijk kenbaar maken dat ze tegen wens pt ingaan → stopzetting donatie mogleijk
donatie bij leven: mogelijkheden
3 mogelijkheden om donor te vinden als ontvanger:
directe donaties
via nationaal cross-over programma
ruilen
cross-over = om pt minder druk ervaren na transplantatie om goed voor orgaan te zorgen + minder druk op onderlinge relaties
ruilen: paarruil → Persoon
donatie bij leven: wilsbekwame meerderjarigen
18j of ouder
moeten schriftelijke toestemming geven voor donatie bij leven ten behoeve van implantatie en ten behoeve van bepaald persoon → houdt in dat donatie niet gebruikt mag worden voor wetenschappelijk onderzoek
dient geinformeerd te worden over donatie: mondeling, schriftelijk en audiovisueel + informatieverplichting → arts moet vaststellen of donor info goed begrijpt = vergewisplicht
gevolgen gezondheid potentiele donor → alleen doneren als orgaan laatste redmiddel ontvanger is = gebruiktgemaakt van ultimum remedium criterium
donatie bij leven: wilsonbekwamen en minderjarigen
alleen doneren als:
er sprake is van regenererend orgaan
vergewisplicht is
geen blijvende gevolgen zijn
ontvanger een 2e graads bloedverwand is
ultimin remedium geldt (laatste redmiddel)
er toestemming is: vertegenwoordiger, donor + kinderrechter
donorregistratie geldt vanaf 18j, maar in WGBO staat dat jongeren van 16j over tegen lichaam mogne beschikken en zelfstandig medische beslissingen mogen nemen
mogelijkheid tot verkopen van organen
discusie over - argument: het valt ook onder zelfbeschikkingsrecht: iemand zou immers zelf moeten kunnen weten wat hij met het orgaan doet
tegen een gereguleerde markt van orgaanverkoop:
lichamelijke integriteit wordt bedreigd
risico op exploitatie
kwaliteit van orgaan is doorgaans minder
orgaan wordt beshcikbaar alleen voor rijken + kan rechtvaardigheids probleem geven
onder huidige wet is vergoeding van doneren niet tegestaan = strafbaar
ontwikkeling: donatie na euthanasie (complexiteit)
men wil voorkomen dat mensen euthanasie gaan plegen om organen te kunnen doneren aan mensen die ‘wel wat aan hebben’
verder moet bij orgaandonatie de euthanasie in ziekenhuis plaatsvinden → probleem want schaartste
betreft vooral pt met psychische problemen en depressies
mensen die euthanasie plegen moeten wel mogelijkheid hebben tot donatie → wel belangrijk dat strikte scheiding tussen euthanasie en donatie is
sinds 2020 is arts verantwoordelijk om te vragen of pt orgaandonatie heeft overwogen, ongeacht of pt in donorregister heeft aangegeven
ethische principes van orgaandonaties: bij leven
weldoen
is schade van donatie proprotioneel aan heoveelheid baat ontvanger
niet schaden
korte en lange termijn scahde die donor mogelijk oploopt, stel afstoting, dan is schade aan donor voor niets geweest
respect voor autonomie
motieven van donor kunnen bestaan uit liefde, zingeving, heroïek, altruisme
druk donor vanuit fam, wilsonbekwaam, cross-over → liever aan fam lid geven dan onbekende
rechtvaardigheid
wie heeft recht op orgaandonatie
wachtlijst, orgaanhandel
mensen met groot sociaal netwerk = grotere kans op orgaan
klachten bij slechte nierfunctie
ophoping van vocht → opgezette voeten en enkels (oedeem), kortademigheid (longoedeem) + hoge bloeddruk (door extra Na en vochtretentie
ophoping afvalstoffen → vermoeidheid, verminderde eetulust, misslijkheid, jeuk, krampen, tintelingen in armen en/of benen, impotantie, menstruatiestoornissen en grauwe kleur huid
nierfunctie van minder dan 10% therapie:
afwachten: langzame ‘vergiftiging’ va lichaam
dialyse: hemodialyse (kunstnier) of peritoneaaldialyse (buikspoeling)
transplantatie: nier van overleden/levende donor
dialyse
bloed wordt gezuiverd van afvalstoffen, overtollig zout + vocht
iemand dialyse krijg - aantal aanpassingen nodig
dieet + vochtbeperking om hoeveelheid afvalstoffen te verminderen + zorgen dat iemand niet overvult raakt
dialysetechniek → regulatie volume + metabolisme
meds: ondersteuning nierfunctie (= hormonale regulatie (vit D, EPO), bloeddrukregulatie (ACE), fosfaatbinders, ijzer, cholesterol verlagers + extra vit)
hemodialyse
pt 3x per week, 3-4h in dialysecentrum
sprake van kunstnier die bestaat uit fijne holle buisjes, bestaande uit semipermeabel membraan dat doorlaatbaar is voor kleine to middelgrote moleculen (ureum, creatinine) → dient osmose op
ultrafiltratie = vloeistof transporteerd door membraan onder invloed van hydrostatische druk → hogere druk bloed, lager in dialyse zijde
convectie loopt hier samen mee
opgeloste stoffen stromen met geultrafiltreede vocht naar dialysezijde = ook grote moleculen verwijderen
terugstroomprinicpe: langs buitenzijde van buisjes loopt schoon badwater in tegenovergestelde richting van bloed
is geen volledige niervervanging → haalt pieksgewijs vocht + afvalstoffen weg → zijn nog steeds afvalstoffen in lichaam + schommelingen in vochtbalans
vasculaire toegang (hemo)dialyse
toegang tot bloedvaten van belang bij hemodialyse
lange termijn Hdialyse
anterioveneuze fistel (AVF) = directe verbinding tussen A + V thv pols of bovenarm → grotere bloedstroom ontstaan = venuz opzwellen → vene aanprikken
anterioveneuze graft (AVG) = kunststoffe verbinding tussen A + V onderarm
korte termijn Hdialyse (bv IC-pt’s)
centraal veneuze katheter plaatsen → in halsvene geplaatst
aterioveneuze graft (AVG)
kunststof verbinding tussen arterie en vene in onderarm
kunststof is meestal in vorm van lus en kan aangeprik worden voor hemodialyse
gebruikt als AVF niet mogelijk is
anterioveneuze fistel (AVF)
directe verbinding tussen A + V thv pols of bovenarm → grotere bloedstroom ontstaan = venuz opzwellen → vene aanprikken