1/13
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
cognitieve dissonantie
consonante gedachten
3 manieren om ciognitieve dissonantie te verminderen
inconsistentie tussen 2 gedachten → wijkt af van zelfbeeld
‘het valt wel mee’
3 manieren:
1. gedrag veranderen
2. rechtvaardigen door 1 vd 2 cognities te veranderen
3. rechtvaardigen door cognitie toe te voegen
=> gedrag veranderen OF gedachte veranderen OF extra rechtvaardiging toevoegen.
Zelfbevestiging
focussen op goede eigenschappen van jezelf om de aandacht af te leiden van iets slechts dat je hebt gedaan
Impact bias
overschatting van duur en impact van negatieve emoties vb. klaar met relatie → je denkt: "Ik ga hier maandenlang kapot van zijn." maar voel je sneller beter
cognitieve dissonantie - beslissingen
Na een belangrijke beslissing kan cognitieve dissonantie ontstaan.
Je hebt iets gekozen dat goede kanten heeft, maar ook iets afgewezen dat óók goede kanten heeft.
Om de dissonantie te verminderen, ga je de gekozen optie aantrekkelijker en de afgewezen optie minder aantrekkelijk vinden.
Bijvoorbeeld: “Mijn jas is eigenlijk veel mooier, die andere was toch niet zo speciaal.”
Lowballing (verkoopstechniek)
= eerst iemand laten akkoord gaan met een aantrekkelijke lage prijs en daarna de voorwaarden/prijs verslechteren.
Voorbeeld: "Deze auto kost €15.000."
→ Je zegt ja.
→ Daarna: "De korting geldt eigenlijk niet meer, dus het wordt €17.000."
Omdat je je beslissing al hebt genomen, ben je meer geneigd om toch door te gaan. => het gevoel geven dat iemands beslissing onherroepelijk is
Voet-tussen-de-deur
Deur-in-het-gezicht
Voet-tussen-de-deur Eerst een klein verzoek → daarna een groter verzoek. Voorbeeld: "Wil je een kleine flyer ophangen?" → Je zegt ja. → Later: "Wil je nu ook een groot reclamebord in je tuin?" → Je bent eerder geneigd ja te zeggen.
Deur-in-het-gezicht Eerst een heel groot verzoek → je zegt nee → daarna een kleiner verzoek. Voorbeeld: "Wil je €100 doneren?" → "Nee." → "Oké, wil je dan €10 doneren?" → Dat kleinere verzoek lijkt nu veel redelijker.
Zelfrechtvaardiging
Rechtvaardiging van inspanning
= manieren zoeken om jezelf ervan te overtuigen dat je gedrag of keuze logisch/juist was.
hoe harder iemand aan iets heeft gewerkt, hoe aantrekkelijker het voor deze wordt
Contra-attitudinale pleitbezorging
= is het proces waarbij mensen ertoe worden aangezet om publiekelijk een houding te verkondigen die tegen hun eigen houding ingaat
=> je hebt een eerste mening→ daarna moet je een tweede gedachte/mening waar je tegen bent publiekelijk zeggen → er onstaat een dissonantie tussen mening 1 en 2 → om dissonantie te verminderen begin je te denken dat 2e gedachte ‘niet zo slecht is’
=> spanning verminderen tussen dissonanties door je eigen attitude te veranderen.
→ vb.Je vindt een experiment saai. → Maar iemand vraagt je: "Vertel iedereen dat het experiment geweldig was." → Je doet dat. → Daarna kan je denken: "Misschien was het eigenlijk toch niet zo slecht." → Waarom? Omdat er dissonantie ontstaat: "Ik vind het saai"
vs. "Ik heb gezegd dat het geweldig was."
interne rechtvaardiging
externe rechtvaardiging
je verandert iets in jezelf
reden buiten mij vb. beloning
Ben Franklin-effect
We kunnen iemand aardiger gaan vinden nadat WIJ iets aardigs voor die persoon hebben gedaan.
→ Voorbeeld: Je vindt iemand eigenlijk niet leuk. Maar je helpt die persoon met zijn taak. → Daarna denk je: "Eigenlijk is die persoon best oké." → Waarom? → Je gedrag: "Ik heb hem geholpen." past niet goed bij: "Ik vind hem niet leuk." → Dus je vermindert de dissonantie door te denken: "Misschien vind ik hem toch wel aardig."
Waarom gaan we soms onze slachtoffers haten?
Als je iemand schade hebt berokkend, ontstaat:
"Ik ben een goed persoon”
↔ "Ik heb deze persoon kwaad gedaan."
=> Dat veroorzaakt dissonantie.
Een manier om die spanning te verminderen is: het slachtoffer kleiner maken, de schuld geven of ontmenselijken.
→ Dan kan iemand denken: "Hij verdiende het toch."
→ Zo lijkt je eigen gedrag minder slecht.
⚠ Dit kan gevaarlijk worden omdat het verdere agressie of geweld kan rechtvaardigen.
Harde en lichte straf
Een harde straf zorgt er vooral voor dat je gedrag stopt omdat je bang bent om gestraft te worden.
Een lichte straf is niet genoeg om je gedrag volledig te verklaren, waardoor je zelf een reden gaat zoeken.
Bij een harde straf: “Als je het doet, krijg je een week geen tablet!” → Het kind doet het niet omdat het bang is voor de straf.
Bij een lichte straf: “Je mag daar niet mee spelen.” → Het kind denkt: “Waarom eigenlijk niet? Misschien is het gewoon niet goed om spullen van anderen te nemen.” => Het kind gaat zelf geloven dat het gedrag verkeerd is. Dat noemen we interne rechtvaardiging → de verandering in houding kan daardoor blijven bestaan, zelfs wanneer de straf niet meer aanwezig is.
Hypocrisie
je zegt dat anderen iets moeten doen, terwijl je het zelf niet doet.
Zelfbevestiging
Zelfevaluatie
Zelfverificatie
Zelfbevestiging → “Ik wil mezelf als een goed/waardevol persoon zien.”
Je zoekt manieren om je positieve zelfbeeld te bevestigen.
Voorbeeld: “Ik ben misschien slecht in wiskunde, maar ik ben wel een goede student in psychologie.”
📊 Zelfevaluatie → “Hoe goed ben ik eigenlijk?”
Je vergelijkt jezelf met anderen om te weten hoe goed je presteert.
Voorbeeld: “Mijn vriendin haalt hogere cijfers voor psychologie. Ben ik dan eigenlijk minder goed?”
🔄 Zelfverificatie → “Ik wil dat anderen mij zien zoals ik mezelf zie.”
Dat kan zelfs een negatief zelfbeeld zijn.
Voorbeeld: “Ik zie mezelf als verlegen. Als iemand zegt dat ik super sociaal ben, voelt dat niet helemaal juist.”